Rondblik buiten de Grenzen
Het is nog niet lang geleden dat de redevoering van een der Amerikaansche staatslieden sterk de aandacht trok. We bedoelen het felle protest dat Minister Ickes tegen de Duitsche Jodenvervolging deed hooren. En nu heeft niemand minder dan President Roosevelt, in zijn boodschap tot het Congres, opnieuw woorden gesproken, die door de Europeesche politici wel niet misverstaan zullen worden. Dat is op zichzelf reeds van beteekenis. Het wijst er op, dat men te Washington wat meer belangstelling aan den dag legt voor de gebeurtenissen op het oude werelddeel, dan de laatste jaren het geval was.
Men voelde zich op het groote Amerikaansche eiland veilig genoeg, om liefst zoo ver mogelijk van het politieke wespennest, dat Europa heet, verwijderd te blijven. Behalve natuurlijk wanneer er zaken zijn te doen. De wereld wordt echter steeds kleiner. Geen beschaafd land of werelddeel kan op den duur den rol van belangstellend toeschouwer bij het dramatisch wereldgebeuren blijven vervullen. Met of tegen zijn wil wordt hij tot activiteit gedwongen. Het schijnt dat Roosevelt in dit opzicht ook wel iets geleerd heeft van de laatste Septemberdagen, toen hij zich tot het doen van een oproep aan partijen liet verlokken.
De oorlog, welke de wereld in brand dreigde te zetten — aldus nu Roosevelt — is voorkomen, doch het wordt steeds duidelijker, dat de vrede niet verzekerd is. De stormen, die van buiten komen, bedreigen drie instituten, die van oudsher voor de Amerikanen onontbeerlijk zijn geweest. Het eerste is de godsdienst. Het is de bron van de andere twee : democratie en internationale goede wil. Er komt een tijd in de zaken der menschen, dat zij bereid moeten zijn, niet slechts hun haardsteden te verdedigen, doch de leerstellingen van geloof en menschelijkheid, waarop hun kerken, hun regeeringen en zelfs hun beschaving zijn gebaseerd.
Over de dictatuur heeft Roosevelt zich, misschien wat minder scherp, doch zeker niet minder duidelijk uitgelaten, dan Ickes. De dictatuur kost : onze geestelijke waarde, het gezegende recht, te kunnen zeggen wat wij willen, de vrijheid, confiscatie van ons kapitaal, het in een concentratiekamp geworpen worden, het bang zijn om op straat te loopen met de verkeerde buren, het kinderen laten grootbrengen, niet als vrije menschen, doch gevormd en gemaakt door machines. Deze „kosten" — aldus Roosevelt — „zal het Amerikaansche volk nooit betalen".
Het is goed, dat de President der Vereenigde Staten deze dingen eens duidelijk heeft gezegd. Het beteekent, dat de democratische landen op den moreelen steun van dit machtige rijk kunnen rekenen. Maar Roosevelt constateerde zélf, dat, wanneer een regeering, die over een groote hoeveelheid oorlogstuig beschikt, beslist een politiek van geweld wil, de verdedigingswapens de eenige veiligheid geven. Daarom ook zou men het in verschillende „democratische" landen van Europa zeker wel zoo practisch hebben gevonden, wanneer de President hen, behalve moreelen, tevens militairen steun had toegezegd. „Woorden zijn genoeg gewisseld...." Blijft slechts de hoop, dat Amerika de woorden in daden zal omzetten, wanneer het noodig mocht zijn. Feit is, dat ook in de Vereenigde Staten de bewapening krachtig wordt voortgezet. En waar Roosevelt verklaard heeft de gevaren, die in het land zelf dreigen, minder te vreezen zijn dan de gevaren van buiten-af, zullen zijn woorden „buitenaf" toch wel eenige uitwerking hebben.
Voor direct kan het reeds van belang zijn, dat de neutrahteit der Vereenigde Staten — volgens Roosevelt — er niet toe zal mogen leiden, dat de aanvaller bevoordeeld wordt boven den aangevallene. Zooals dat b.v. ten aanzien van Spanje (Franco) en Japan het geval was.
De overgang van Roosevelt's rede tot de gebeurtenissen in Europa is ditmaal niet groot. En dan dient allereerst melding te worden gemaakt van de bloedige grens-incidenten tusschen Hongaren en Tsjechen. Daar heeft zoo ongemerkt een kort, maar hevig oorlogje gewoed. Er kwamen officieele soldaten, mitrailleurs en zelfs kanonnen bij te pas, en het aantal dooden en gewonden is niet gering. De situatie had ook dit met een „echten" oorlogstoestand gemeen, dat de berichtgeving zeer onduidelijk en tegenstrijdig was. Men geeft natuurlijk elkander de schuld.
Wie nu begonnen is, weten we vandaag nog niet. Maar in ieder geval blijkt de stad Munkacs, die bij uitspraak van Weenen door Tsjecho-Slowakije aan Hongarije moest worden afgestaan, oorzaak en doel van het conflict te zijn geweest. Dit zou er dus op kunnen wijzen, dat er in het Tsjechische leger nationalistische groepen zijn, die den afstand van grondgebied aan Hongarije kwalijk kunnen verkroppen. De verhouding tusschen beide landen was toch al niet al te best, al zijn ze de laatsten tijd dan ook gelijkelijk gedwongen om zich op de „as Rome— Berlijn" te oriënteeren.
Voor Italië en Duitschland zijn de gebeurtenissen bij de grens van Karpatisch Oekraïne dan ook allesbehalve aangenaam. Men stelt het zoo gaarne voor alsof men de grensregelingen, waarmede de democratische landen zoo'n moeite hadden, met een enkele bespreking tot genoegen van alle partijen had opgelost. En nu blijken de verhoudingen nog dermate gespannen te zijn, dat er bloedige conflicten kunnen worden voorbereid en uitgevoerd !
Duitschland heeft er terecht niet lang mee gewacht, om de verstandhouding tot Polen weer in orde te maken. Men weet, dat het Oekraïnsche vraagstuk ernstige verwijdering tusschen Berlijn en Warschau teweeg bracht. Men zag in Polen met leede oogen aan, dat de Oekraïners steun geboden wordt in hun streven naar een zelfstandigen Staat. Dat zou Polen een belangrijk gebied kosten. Maar het zou Berlijn, bij zijn anti-Russische politiek, uitstekend te pas komen. We schreven daar reeds eerder over.
Voordat Rusland en Polen echter volledig gelegenheid hebben gehad om de banden, welke hen, als vrienden in dezen nood tezamen hield, te versterken, is het Duitschland gelukt tusschen beide te komen. De Poolsche minister van buitenlandsche zaken, Kolonel Beek, die steeds met Maarschalk Pilsudski voorstander der pro-Duitsche politiek was, is in Berlijn op bezoek geweest. Het resultaat schijnt voor beide partijen bevredigend te zijn. Het voornaamste is, dat Hitler aan Beek gegarandeerd heeft (wanneer de sobere berichten hierover althans juist zijn), dat Duitschland de Oekraïners • steunt, doch niet ten koste van Polen. Met andere woorden, dat Duitschland dus zijnerzijds, zoodra een Oekraïnsche Staat het aanzijn zou krijgen, de toetreding van de zeven millioen Oekraïners in Polen tot dezen Staat niet zou steunen of bevorderen. In ruil zou Kolonel Beek er in toegestemd hebben dat er een exterritoriale verbinding over land komt tusschen Duitschland beoosten den Corridor. Voorts zou Beek zijn verzet tegen de nadere Unie van het Memelgebied opgeven en geen nauwere betrekkingen aanknoopen met de Sovjet-Unie. Litwinof is hiermede een buitenkansje ontgaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's