De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

12 minuten leestijd

DE REORGANISATIE
Zooals men weet, zou de zaak der Reorganisatie, die nu sinds jaren in het midden van de Hervormde Kerk de belangstelling van velen heeft, door de Synodale Commissie in samenwerking met de Kerkelijke Hoogleeraren van Leiden, Utrecht en Groningen, nader ter hand genomen worden, om te zien wat er, na onderzoek van de adviezen der kerkelijke vergaderingen, van te maken is.
Na besprekingen in een gecombineerde vergadering is als resultaat gepubliceerd, dat een Commissie benoemd is om te beproeven met voorstellen te kunnen komen, die uit de consider atiën der Kerk voortvloeien.
Van de Synodale Commissie werden benoemd twee leden, en wel prof. dr. W. J. Aalders van Groningen en ds. K., H. E. Gravemeijer van Den Haag. De zes Kerkelijke Hoogleeraren, die mede in de Commissie zitting zullen hebben zijn : prof dr. F. W. A. Korff, te Leiden, prof. dr. G. Sevenster te Leiden ; prof. dr. S. F. H. J. Berkelbach van der Sprenkel te Utrecht ; prof. dr. Th. L. Haitjema te Groningen en prof. dr. J. H. Semmelink te Groningen.
Tot voorzitter is benoemd prof. dr. W. J. Aalders.
Men kon moeilijk een beteren voorzitter voor een Commissie als deze hebben kunnen kiezen.
Met groote belangstelling zullen we de werkzaamheden van deze werk-Commissie volgen. En we zijn er van overtuigd, dat uit veler hart de bede zal opgaan, dat de Heere het werk van deze vroede mannen zegenen mag, in het belang van de Hervormde Kerk en ons gansche Nederlandsche volk.
We leven in dagen, dat de Kerk weer contact krijgt met het volk en het volk weer

DE KERKGANG
In het ,,Algemeen Weekblad voor Christendom en Cultuur" schrijft iemand, die zich Torenwachter noemt :
„Onder de Joden bestond en bestaat het hier en daar misschien nog, dat de vrome Israëliet, die op Sabbat naar de synagoge gaat, zich met snellen pas voortspoedt, zedig voor zich kijkt, niemand groet, maar al zijn aandacht concentreert op dat, waarnaar hij zoo verlangt : Hoe branden mijn genegenheên, om 's Heeren voorhof in te treên ; Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen. En als hij de synagoge verlaat, doet hij het aarzelend, langzaam, als half onwillig, om de heilige stee weer te verlaten
Een lezer deelt den Torenwachter mee dat het bij hem heel anders toegaat. Maar hier betreft het ook geen synagoge, maar een Christelijke kerk. De kerkgangers wachten bedaard het einde van het klokgelui af om zich dan weer doodbedaard naar de kerk te begeven, waar de predikant reeds het votum heeft uitgesproken, terwijl nog tientallen de kerk binnenkomen. En aan het einde van den dienst is nauwelijks het Amen weerklonken of er ontstaat een gedrang om het eerst buiten te zijn. Sommigen halen reeds in de kerk een stompje sigaar voor den dag om dat in het kerkportaal op te steken, anderen werken zich met de ellebogen een weg naar buiten. De torenwachter ziet van zijn hooge standplaats, met een kijker gewapend, hoe zulke dingen in allerlei plaatsen voorkomen. Het mag dan bij de Joden meer vrome aanstellerij dan wezenlijke godsdienstzin zijn, als ze met snellen stap komen en met tragen tred weer heengaan, maar het resultaat is in elk geval aantrekkelijker dan wat in sommige gemeenten bij den kerkgang gebeurt".
Wij hebben ook wel eens van zulke dingen gehoord en ook wel eens zulke dingen gezien. Er is echter wel een middel, om aan deze onordelijke en oneerbiedige dingen een einde te maken. Als de Kerkeraad en de dominé ordelijke menschen zijn, die zelf eerbiedig zich betoonen, dan behoeft de dominé maar éénmaal deze dingen rustig, vriendelijk, maar tegelijk ernstig en beslist aan de gemeente voor te houden, met het vriendelijk doch dringend verzoek aan deze dingen een einde te maken, en alles is in orde. Laat men het maar eens probeeren. En — zelf het voorbeeld geven.

VOOR ONZE DIENSTBODEN
Gelukkig weten we in onze christelijke kringen een goede dienstbode nog te waardeeren. En in tal van kringen, waar men nu niet zoo bepaald „christelijk" is, weet men dat óók te doen. Wat zeer begrijpelijk is ; want het is een kostelijk ding, als de vrouw des huizes een goede hulp naast zich heeft bij al haar drukke werkzaamheden. En voor de dienstbode zelf is een goede „dienst" (of spreekt men tegenwoordig soms van „betrekking" en niet meer van „dienst" ? ) ook van groote beteekenis. Verre te verkiezen boven het werken op een fabriek, in een wasscherij, op „een zaak", op een atelier, enz.
Nu werd er de laatste jaren steen en been geklaagd, dat er geen dienstboden te vinden waren. Men kon advertenties plaatsen, ook in een christelijk dagblad of in de Kerkbode, maar 't was allemaal tevergeefs ! Er kwam niemand om zich aan te bieden. En de vrouw des huizes moest het maar zonder doen — terwijl in tal van gezinnen, waar dochters zijn, steen en been geklaagd werd, dat men het zoo arm had. Maar de dochter verkoos echter niet als dienstbode te gaan. Men liep óf zonder werk, óf men zocht hier of daar een „betrekking", waarbij men dan 's avonds „vrij" was, enz.
Als reden, dat de dochter niet wilde gaan dienen", voerde men dan aan : „dat het toch van de steun werd afgetrokken". En dus, waarom zou men dan nog werk zoeken ?
Intusschen is nu door den Minister van Sociale Zaken een zeer belangrijke beslissing genomen ten aanzien van 't loon van dienstboden, wier vader werkloos is. Dat zal voortaan niet meer van „de steun" afgetrokken worden !
Reeds eerder was in die richting wat gedaan. In Mei 1938 is reeds bepaald, dat van de verdiensten van inwonende kinderen een bedrag van ƒ 2.— tot ƒ 4.— werd „vrijgelaten". Eind Juli van dat jaar bepaalde de Minister, dat óók „noodzakelijk te maken onkosten" afgetrokken mochten worden. Toch was dat blijkbaar nog niet voldoende, want — er kwamen geen „inwonende kinderen'", die voor „dienstbode" zich aanboden.
Maar nu is er een aanmerkelijke verbetering gekomen. Het steunbedrag aan het gezin komt geheel los te staan van deze inkomsten. En aan veel narigheid is hiermee een einde gekomen. Want er waren gemeenten, waar men b. v. „voeding en huisvesting" van een dienstbode zóó hoog aansloeg, met het oog op den aftrek van de steun, dat er waarlijk van „misstanden" gesproken kon worden en het gezin er leelijk de dupe van werd. Eerlijk is eerlijk. Zoowel de eene kant als de andere kant moet belicht worden !
Dit alles is nu radicaal uit !
Gaat de dochter van een werklooze — of te werk gestelde — als dienstbode werk verrichten in gezinsverband (dus niet op een fabriek, atelier, wasscherij, enz., maar in de huishouding, waar een meisje allereerst thuis hoort) dan is haar loon voor het meisje zelve en komt het niet in rekening voor het gezin.
Wij gelooven, dat deze nieuwe regeling van zeer groote beteekenis is en daarom vestigen wij er dan ook hier de aandacht op. Het kan nu meewerken tot verbetering van toestanden, die voor ons, christenen, lang niet onverschillig zijn, integendeel, die wij van de grootste waarde achten.
Wij hopen, dat vooral onze christelijke gezinnen op deze dingen acht zullen geven, en dat vooral meisjes uit onze christelijke gezinnen nu zich zullen willen geven, om als dienstbode in onze gezinnen te komen helpen, wat ook voor de meisjes zelve van groot belang is, mee tot een goede voorbereiding, naar den zin van Gods Woord, voor het huwelijk.

DE GEVANGENIS TE KLEIN
Dat bericht lazen we deze week : ,,De gevangenis te klein", 't Was een bericht uit Indië. Of het uit Medan, of Batavia, uit Solo of uit Jogjakarta kwam, weten we niet meer. 't Doet er ook niet toe. Het feit blijft hetzelfde : de gevangenis is te klein ! Er is geen plaats meer. Er kan niemand meer bij. 't Zit alles vol.
Hoe komt dat zoo ?
Men heeft toch wel gelezen in de couranten, die er de laatste weken vol van stonden, gelukkig steeds met sobere berichten, maar dan toch met overduidelijke aanwijzingen. Er is in Indië, in onze Oost, een zedenschandaal aan de orde, waarbij honderden betrokken zijn. Honderden, en wel Europeesche ambtenaren, bij het onderwijs betrokken en bij onderscheidene maatschappijen werkzaam, hebben zich overgegeven aan onzedelijke handelingen van de ergerlijkste soort. En nog steeds volgt de eene arrestatie op de andere.
Wij zullen niet in beschouwingen treden. De vermelding van deze zaak is voldoende. Dat is al erg genoeg. Verschrikkelijk is het.
Of Nederland vrij is van „zeden-schandelen" ?
De vraag is voldoende. Het antwoord is bekend.
En zelfs in kringen, waarvan men het niet zou verwachten, spreekt men er soms vergoelijkend over. Dat is misschien nog 't ergste.
Wat ook nu in Indië weer openbaar is geworden is dit : dat een leeraar, vroeger reeds ontslagen om oorzake van onzedelijke handelingen, en weer in de school en onder de jeugd toegelaten, bij vernieuwing z'n schandelijke practijken heeft uitgeoefend.
En onder jeugdleiders is dat dubbel gevaarlijk.
Wat moet Indië nu weer denken van de Westersche beschaving ?
Nu — „de gevangenis te klein" wordt.

De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (4)
De Zendingsarbeid is in vollen gang, nadat de Heiland Zijn apostelen daartoe onderwezen en bekwaamd heeft en daartoe nadrukkelijk bevel gegeven heeft. Ook de vervolging kan de Gemeente niet zóó treffen, of het Zendingswerk wordt ijverig voortgezet, ja, de verstrooiing moet medewerken ten goede. De gemeenten door geheel Judea en Galilea en Samaria worden sterk vermenigvuldigd, zoodat een tweede visitatie-reis van den apostel Petrus noodzakelijk werd (Hand. 9 vers 31, 32). Bij die gelegenheid kwam hij óók te Lydda, te Joppe en te Cesarea, in welke laatste stad hij het Evangelie verkondigde ook aan Cornelius, de hoofdman van het Italiaansohe garnizoen ; en deze belangstellende man, die echter nog heiden was (Hand. 10 vers 28, 34, enz.), wordt door den Doop opgenomen in de gemeente.
Daarmede was de Zending onder de Heidenen ook practisch gerechtvaardigd, en toen de apostel Petrus naar Jeruzalem terugkeerde, verdedigde hij zich daarmee tegenover hen, die „uit de besnijdenis" waren.
Een merkwaardige discussie krijgen we dan bij gelegenheid van deze geschiedenis. Want wel keurden degenen, die uit de besnijdenis waren, dat zijn dus de Joden-christenen, het niet af, dat Petrus aan een Heiden het Evangelie gepredikt had en na belijdenis des geloofs, den Doop had bediend, maar zij hadden bedenking tegen de wijze waarop de apostel dit gedaan had. Hij was toch zonder eenig bezwaar te maken of eenige voorwaarde te stellen, tot het onreine huis van den heiden Cornelius ingegaan en had met hem gegeten. (Hand. 11 vers 2, 12 ; zie ook Gal. 2 vers 12).
Het z.g.n. Judaïsme appelleert hiertegen !
En wel stelde de apostel hier tegenover, dat de Heere blijkbaar aan deze handelwijze Zijne goedkeuring had gehecht, door na de prediking de gave des Heiligen Geestes óók op de Heidenen uit te storten — maar de bezwaren van de Judaïsten zijn tegenover de Heiden- Zending toch eigenlijk gebleven, gelijk uit het leven van Paulus wel blijkt. Het heeft den heidenapostel zelfs enkele jaren van zijn kostbaar leven gekost, om die in de gevangenis door te brengen ; valsch beschuldigd zijnde. (Hand. 21 vers 21, enz.).
De heiden-Zending is sinds de geschiedenis van den Kamerling (Hand. 8) en van Cornelius, met kracht voortgezet, nadat de vergadering te Jeruzalem daaromtrent regels had vastgesteld (Hand. 15). Aan de Grieken werd het Evangelie verkondigd (Hand. 11 vers 20) en Barnabas ging naar Antiochië. Daar kwam Paulus bij hem en werkte een jaar lang met hem samen aan den opbouw en de uitbreiding van de gemeente te Antiochië. Deze is de eerste gemeente van geloovigen uit de Heidenen geweest, zelfstandig georganiseerd, waar aan de geloovigen voor het eerst de naam van Christenen werd gegeven. (Hand. 11 : 26) Van deze gemeente ging ook voor het eerst de eigenlijke Zending onder de Heidenen uit. Er waren n.l. in die gemeente vele mannen met bijzondere gaven en krachten, profeten en leeraars, die in Hand. 13 vers 1 genoemd worden. Daar sprak de Heilige Geest : dat zij, n.l. de leden der gemeente, Barnabas en Saulus zouden afzonderen tot het werk, waartoe Hij hen geroepen had. Nadat men saam gebeden en gevast had, zijn deze beide mannen de handen opgelegd en zijn zij voor het missiewerk afgevaardigd en uitgezonden.
Zoo werd Antiochië de moedergemeente uit de Heidenen (Hand. 11 vers 26), de eerste Zendingsgemeente, en werden Barnabas en Paulus de eerste Zendelingen der Christelijke Kerk, apostelen in den ruimeren zin van dat woord. (Hand. 14 vers 14 ; Rom. 16 vers 7).
Gelijk we boven reeds met een enkel woord aanduidden, deden zich ten opzichte van de Heiden-Zending allerlei moeilijkheden voor van Judaïstischen aard. Want aanvankelijk lieten degenen, die „uit de besnijdenis Waren" (dat staat niet tevergeefs zóó uitgedrukt in de Schrift !) zioh, na de mededeelingen van Petrus in het geval-Cornelius, zich tevreden stellen (Hand. 11 vers 1—18) en de gemeente te Jeruzalem verheugde zich aanvankelijk ook over de Zustergemeente, welke in Antiochië was ontstaan. (Hand. 11 vers 22 en 27). Maar onder de Christenen uit de Joden vormde zich toch spoedig eene partij, die zich in deze vriendschappelijke houding niet vinden kon. De vermeerdering en de uitbreiding der gemeenten uit de Heidenen door den arbeid van Paulus en Barnabas, en de overgang der Heidenen tot het Christendom, zonder dat zij verplicht werden tot bet onderhouden der Mozaïsche wet, was hun een doorn in het vleesch. De Joden (Christenen uit de Joden) konden van hun nationale bevoorrechting geen afstand doen en traden daarom het eerste te Antiochië met den eisch op, dat de Christenen uit de Heidenen zich moesten laten besnijden en de wet van Mozes moesten onderhouden, wijl zij anders niet zalig konden worden. (Hand. 15 vers 1, 5; Gal. 5 vers 2; 6 vers 13). Dit verschil greep zóó diep in, dat eene samenkomst te Jeruzalem onder leiding der apostelen noodzakelijk werd. Door samenspreking werd een resultaat verkregen, dat in velerlei opzicht merkwaardig is. De eisch der Judaïsten (Farizeesche partij. Hand. 15 : 5) werd beslist en eenparig afgewezen. (Hand. 15 vers 10, 19, 24). Maar helaas ! heeft die „partij" onder de Christenen zich daaraan niet gestoord en heeft zij den loop van het Evangelie en het werk van Paulus, den heiden-apostel bij de gratie Gods, ten zeerste bemoeilijkt en veel kwaad gedaan. Vleeschelijke hoogmoed en gebrek aan overgave des harten met stil geloof !
(Wordt voortgezet.)
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's