De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Heidelbergsche Catechismus

naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (9)

4 minuten leestijd

II. In hoeverre is het beeld Gods nu verloren ; wat is er nog van overig in den mensch ?

ZACHARIAS URSINUS (9)
Dit beeld Gods, waarnaar God den mensch geschapen heeft en, dat vóór den val als een licht in den mensch scheen, wijd z'n glans en heerlijkheid verspreidend over al het geschapene, dit zeer schoone beeld Gods, waarin de harmonie van heel de schepping lag, heeft de mensch na den val door de zonde van ongehoorzaamheid verloren, en hij is veranderd naar het leelijke beeld des duivels ; nu „uit den vader der leugen" zijnde, „kinderen van Satan".
Enkele vonken en overblijfsels zijn er evenwel na den val van overig gebleven, die ook nu nog in de natuurlijke of niet-wedergeboornen, aanwezig zijn.We noemen hier : 1. Het wezen van de ziel is er nog, onlichamelijk, redelijk, onsterfelijk en heeft nog zijn vermogens ; ook de vrijheid van den wil, zoodat de mensch vrijelijk wil wat hij wil. 2. Groote kennis van God, de natuur, het onderscheid tusschen wat goed en verkeerd is ; deze kennis is het beginsel van alle wetenschap. 3. Enkele sporen en zaden van zedelijke deugden en een zekere mogelijkheid van uitwendige orde. 4. Het genieten van veel tijdelijk goed. 5. Zekere heerschappij over de schepselen ; want ook dit is niet geheel verloren, vele schepselen zijn nog aan de macht des menschen onderworpen en hij kan ze regeeren en te zijnen nutte gebruiken.
Deze overblijfselen van het beeld Gods in den mensch, al zijn ze ook door de zonde vreeselijk duister en wankel geworden, zijn toch op de eene of andere wijze in de natuur van den mensch bewaard gebleven ; en dat wel : 1. opdat zij ten getuige zouden strekken van Gods barmhartigheid jegens ons, onwaardigen ; 2. opdat God ze zou gebruiken ter herstelling van Zijn beeld in ons ; 3. opdat de verworpenen geen enkele reden van verontschuldiging zouden hebben.
Verreweg het meeste en het beste van het beeld Gods hebben we echter verloren : 1. De ware, volkomene en zaligmakende kennis van God en Zijn wil. 2. De zuiverheid van onze kennis over de werken Gods en het zeer heldere licht in ons verstand. Inplaats hiervan zijn onwetendheid, blindheid en duisternis gekomen. 3. De rechtheid van al onze neigingen, begeerten en handelingen, en de gelijkvormigheid met Gods wet in ons hart, onzen wil en onze uiterlijke ledematen. In de plaats hiervan is een verschrikkelijke verkeerdheid gekomen van de neigingen en bewegingen van ons hart en onzen wil ; uit welke verkeerdheid onze dadelijke zonden uitbotten. 4. De zuivere en volkomene heerschappij over de schepselen. Want de beesten, die voorheen den mensch vreesden, staan nu tegen hem op, belagen en schaden hem ; ja, ook het land brengt doornen en distelen voort. 5. Het recht, om de schepselen te gebruiken. Dit recht geeft God immers niet aan Zijn vijanden, maar aan Zijn kinderen alleen. 6. Het geluk in dit en in het toekomende leven. En voor dit geluk zijn de eeuwige dood en de tijdelijke dood met zijn rampen, van allerlei aard in de plaats gekomen.
Als tegenwerping is hier wel gehoord : Maar de heidenen hebben door groote deugden uitgeblonken en schitterende daden verricht — schijnt het dan niet, alsof het beeld Gods bij hen niet vernietigd is ? Maar als antwoord diene dan : De uitstekende deugden en daden der heidenen komen voort uit de overblijfselen en de puinhoopen van het beeld Gods, die in de natuur van den mensch zijn bewaard. Maar zooverre is het er van af, dat zij het ware en ongeschondene beeld Gods zijn, dat in den mensch geblonken heeft, dat het slechts maskers zijn door uitwendige orde hun voorgebonden, zonder innerlijke gehoorzaamheid des harten jegens God, Wien zij niet kennen, ja zelfs schuwen. Zóó dan behagen ze Gode niet, daar zij noch iiit ware kennis van God voortkomen, noch tot Zijn eer worden gedaan.
Hoe kan nu het beeld Gods in ons worden hersteld ?
De herstelling van het beeld Gods in den mensch geschiedt alleen door God, die het ook aan den mensch gegeven had. Hem komt het immers toe, het leven te geven ; en zoo het verloren is, het te herstellen. Dat is geen menschenwerk, maar Gods werk, en van den Meere alléén. Hoe Hij het dan herstelt ? God de Vader herstelt het door den Zoon, omdat deze ons van Hem is geworden tot wijsheid, rechtvaardigmaking, heiligmaking en verlossing. (1 Cor. 1 vers 30). De Zoon doet het door den Heiligen Geest : „Want wij worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd als van des Heeren Geest" (2 € or. 3 vers 18). De Heilige Geest doet het door het Woord : „Want het Evangelie is een kracht Gods tot zaligheid" (Rom. 1 vers 16).
Aldus nu heeft deze herstelling plaats, dat zij in dit leven slechts begonnen wordt bij de uitverkorenen Gods ; wat de ziel aangaat, bevestigd wordt en wasdom verkrijgt bij het einde des levens ; wat den geheelen mensch betreft, bij de opstanding der lichamen.
Deze drie punten moeten' dus overwogen : door wien — in welke orde — en op welke wijze deze herstelling geschiedt.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's