Menschaanbidding en (Af) godenvereering in oude en nieuwe vormen.
Het gezegde, dat er niets nieuws onder de zon is, geldt zeker voor de natuurlijke neigingen van den mensch, na de zondeval in het Paradijs.
De lusten, begeerten en verlangens hebben geen veranderingen ondergaan met betrekking tot het doel waarop zij gericht zijn. Nauwelijks was de adelbrief van het hooge geslacht vrijwillig uit handen gegeven aan den Vorst der .duisternis, of de gevallen Adamskinderen hebben getracht, zichzelf zonder God, naast Hem, en zoo het mogelijk ware, boven den Almachtige te plaatsen.
De infectie, door het slangengif ontstaan, is als een erfelijke ziekte in het menschenbloed geslopen en openbaart zich in het opbruisende, of sluimerende, maar altijd levende verlangen, om „als God te zijn".
Eenmaal losgeslagen van het plechtanker, dat op den bodem van Schrift en Belijdenis rust, wordt met volle zeilen gekoerst naar de tempels van het denkbeeldig geluk en vermeend godendom.
beeldig geluk en vermeend godendom. En of de weg nu kort of lang is, of de afstand hier of later bereikt wordt, is om het even en slechts een kwestie van temperament.
De revolutionairen van links kunnen geen dag en geen uur wachten en zingen in het lied van hun dichter Adama van Scheltema : „We willen goden zijn op aarde", dus hier reeds.
De bezadigde theosofen hebben de tijd, zij willen desnoods nog wel eeuwen wachten en eerst sterven, maar uiteindelijk opklimmen en als God zijn.
Of het einddoel langs revolutionaire dan wel langs evolutionaire banen bereikt wordt, komt er niet op aan, als de weg langs het oorlogspad maar bij hetzelfde egocentrische station eindigt, als de rustiger omweg langs kerk en vrede.
Wanneer het directe uitzicht ontbreekt, zelf een god te worden, dan maar als halfgoden of satellieten achter een zichtbare afgod aan, die met demagogisch talent beweert, zijn volgelingen in het een of andere paradijs te brengen.
Nu is door alle eeuwen heen gebleken, dat de krachtmensch, de toekomstige of heerschende dictator het nauwste contact met zijn volgelingen legt, wanneer hij zich met de godsdienst vereenzelvigt, zich een zoon der goden noemt en dan nog liefst met het hoogepriesterlijk gewaad getooid. De koningen van Egypte, de keizers van China, dienden zich aan als „zonen der goden" en lieten zich goddelijke eer bewijzen. Het strookte ook het best met hun eigenbelang en zelfhandhaving, want in de antieke Staat was geen leven buiten de Staatsgodsdienst mogelijk.
De goden stonden in het centrum van het volksleven, de strijd tusschen de volkeren was een strijd tusschen de goden. De Filistijnen meenden met de ark des verbonds, Israels God gevangen te hebben en diens gevangenschap was de zekerste waarborg voor een blijvend knechtschap van het overwonnen volk. Bij een conflict met de godheid, was er voor den heiden geen plaats meer in de samenleving, voor den profeet Jona geen ruimte meer op het schip. De glans der goden moest op hun vertegenwoordigers afdalen. Toen Pharao het bevel gaf om bij nadering van de tweede wagen, waarop Jozef geplaatst werd, voor diens aangezicht te roepen „knielt", moeten de Egyptenaren bij de aankomst van de eerste wagen, waarop de „godenzoon" zelf gezeten was, plat op de grond gelegen hebben. Des konings onderdanen mochten zijn aangezicht niet aanschouwen. Zij lagen in het stof neergebogen, als de grootste in het rijk hen in Oostersche praal en pracht voorbij reed.
Mozes' bedenking, om tot zulk een geweldenaar te naderen, met een bevel van den aan Pharao onbekenden Jehovah, die Zich bekend liet maken als de Eeuwige, de Onveranderlijke, ver boven alle goden der Egyptenaren verheven, laat zich begrijpen, als men zich de toenmalige positie van een Pharao kan indenken. Bovendien was het een bevel, dat lijnrecht tegen 's konings eigenbelang indruischte.
Egypte werd later ook in zijn godheid geslagen, toen de godenzoon de strijd verloor en hij met zijn heir op de bodem der Roode Zee de laatste adem uitblies.
De Almachtige God keert zich in Zijn wetgeving het eerst tegen het veelgodendom. Hij duldt geen surrogaat naast zich, niemand en niets boven, op of onder de aarde, mag Hem evenaren.
Jehovah bespotte zijn carricatuur en verbrijzelde in eigen huis Dagon, die in stukken op de aarde was gevallen. De Heere bespotte den slapenden Baai en liet diens priesters als offerdieren bij Karmel slachten.
Het is niet alleen dat God geen goden naast Zich duldt, maar Hij wil ook in den weg der orde, door Hemzelf aangegeven en uitgestippeld, gediend worden. Niet een dictator, geen moderne cesar, zal dat bepalen en aan de knechten des Heeren voorschrijven, valsche munten voor echte in omloop te brengen. Toen Israël de ordelijke weg begon te verlaten, werd het door God op gevoelige wijze tot de orde geroepen.
Korach, Dathan en Abiram, met hun tweehonderd vijftig revolutionairen, waren het levend bewijs, dat wie zich tegen de macht stelt, de ordonnantie Gods wederstaat en die ze wederstaan, over zichzelven een oordeel zullen halen.
Wanneer de Overheid gaat trachten de taak der Kerk over te nemen, eindigt het met een mislukking. Saul begon er reeds mede bij het begin van zijn regeering. Hij nam de geestelijke leiding uit de handen van Samuel en offerde brandoffer ; maar verbeurde daarmede zelfs de wereldlijke leiding voor zijn nageslacht. Later, na zijn overwinning op de Amalekieten, probeert Saul het nog eens. Eerst de menschvergoding, het oprichten van een pilaar, een soort overwinningsgedenkteeken voor hemzelf, en daarna komt God aan de beurt.
Pilarenmakers, zuilenoprichters, beeldenmakers. dat zijn de menschen in hun naaktheid voor den Almachtige.
Al kunnen ze den Eeuwige niet benaderen, toch hunkert hun ziel naar iets blijvends, liefst zoo duurzaam mogelijk, iets eeuwigs als het kan, om als hun lichamen verteerd zijn, hun geest te laten voortleven in verre geslachten.
Dan maakt Saul een pilaar, Absalom een zuil en Nebukadnezar een beeld. De Heilige Schrift stelt daar een ander soort pilaren tegenover, als Patmos' Ziener aan de gemeente van Filadelfia schrijft : „Die overwint. Ik zal hem maken tot een pilaar in „den tempel Mijns Gods, en hij zal niet meer daaruit gaan, en Ik zal op hem schrijven den naam „Mijns Gods en den naam der stad Mijns Gods, namelijk des nieuwen Jeruzalems, dat uit den hemel „van Mijnen God afdaalt, en ook Mijnen nieuwen „naam".
God zorgt zelf voor Zijn eer en drukt op Zijn tijd en wijze onbevoegden van de vreemde altaren wèg. Toen Jerobeam als pontifex maximus (opperpriester) zelf wilde bepalen, hoe hij Jehovah wilde dienen, kreeg hij een waarschuwing van den man Gods. Als de koning die in de wind slaat, moet zijn vrouw later, na haar bezoek aan een profeet, Ahia, de harde boodschap meebrengen, dat de nakomelingen van Jerobeam weggedaan zullen worden, gelijk men de drek wegdoet.
Het staatshoofd als pontifex maximus is ook het ideaal van het moderne heidendom, dat nog wel van een soort Voorzienigheid spreekt, maar waarvan de aanbidders het Staatshoofd als hun verlosser beschouwen en de meest verdwaasde laat dan op zijn grafsteen beitelen „ontslapen in Hitler".
Elke godsdienst, en zeker die, welke culmineert in de apotheose van den Staat, eischt vroeg of Iaat menschenoffers.
Voor de strijdende Kerk is het offer gebracht en werd het triomfeerend Lam op aard' geslacht.
Elke religie, welke niet op Gods Woord steunt, zoekt offers buiten Golgotha.
Onder Israël waren het dieren, de eene bok moest ten brandoffer geofferd en de andere ten zondoffer in de woestijn uitgelaten worden.
In de moderne dictatuurstaten verbiedt men, met gehuicheld humanisme, het ritueel slachten van dieren, maar stelt daarvoor menschenoffers in de plaats.
In de amphitheaters der Cesars werden de offers hoogstens enkele uren opgejaagd, alvorens ze door de wilde dieren verscheurd werden, maar het moderne heidendom concentreert in zijn kampen pijnbanken, die de martelingen langer rekken.
Om het even, of men in Rusland of Duitschland is, de dictatoriale Alstaat zal menschenoffers blijven eischen.
Voor zulk een „hooge goddelijke Staat" heeft het stomme dier geen waarde.
De offers zullen in Duitschland niet eindigen met geestelijke en lichamelijke doodmarteling (door honger enz.) der Joden, maar daarna en al eerder komen zij aan de beurt, die den modernen Staatsbaal geen goddelijke eer willen bewijzen.
Offers móéten er gebracht worden en op doorzichtige gretige wijze wordt een stok gevonden, als een jonge wanhopige Jood zich aan het leven van één Duitscher vergrijpt.
Gods vinger, die de historie schrijft, leert ons meerdere lessen.
Eerstens, dat de Eeuwige zelf Rechter wil blijven over het volk, waarmede Hij het eerst een verbond heeft opgericht, en verder dat Zijn oogappel niet straffeloos wordt aangeraakt.
Christenen en Joden zijn het felst in Spanje vervolgd en nu treedt God in het gericht met hetzelfde land, waar de met pek omkranste offers, gehangen aan palen, de wegen hebben verlicht.
Geestelijk arm, met een materieel arme bevolking, is het eertijds machtige Spanje onder de mogendheden niet meer in tel.
Duitschland gaat een bange toekomst tegemoet.
In landen, waar het recht over de straten rolt en de eene mensch den andere een wolf is, worden na de schapen de zwakkere wolven opgegeten.
Tijdens de Fransche Revolutie vielen eerst de hoofden van de adel en daarna kwamen Danton en Robespierre onder de guillotine.
In Rusland komt er na de zuivering onder de Christenen, aan de zuivering der eigen partij geen eind en Stalin's paleis rust tegenwoordig op dynamiet.
Duitschland heeft zijn vóórzuivering enkele jaren geleden reeds gehad en de nazuivering komt, als de Joden verjaagd en de Kerk geknecht is.
Zalig hij, die evenals Paulus, een anker gevonden heeft, dat zeker en vast is en met hem kan zeggen : „Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar „zoeken de toekomende".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's