De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

10 minuten leestijd

„ROKKEN VAN VELLEN”
In de afgeloopen dagen van groote koude zijn er wellicht velen geweest die de beeldspraak van Jesaja beter dan ooit hebben leeren verstaan van het bed, dat te kort, en het deksel, dat te smal zal zijn. Jesaja 28 vers 20. Dekking te zoeken en ze niet te vinden — dat is het deel der armen hier en daar wel geweest, helaas. Doch geestelijk zal dat het lot zijn van armen en rijken, die niet bij Christus de toevlucht hebben genomen. Bij Hem is overvloed van dekking, zelfs voor den grootsten der zondaren. Hij heeft gezorgd voor een beschutting voor de koude.
We hebben pas Zijn komst in het vleesch herdacht. In Zijn leven en sterven heeft Hij deze beschutting aangebracht.
Niet voor niets kwam Christus op aarde, doelloos. Het doel was ook geen inspectietocht op onze aardbol. De bestemming van den Dienstknecht des Vaders was verzoening teweeg te brengen. Dat was Zijn opdracht, Zijn taak.
Hij moest m.a.w. zorgen voor den mantel der gerechtigheid, om Zijn volk. Zijn Bruid op gepaste wijze binnen te leiden in het hof der hoven, het paleis des grooten Konings. Daarvan sprak reeds in schoone symboliek Genesis 3 vers 21 :
„En de Heere God maakte voor Adam en zijne vrouw rokken van vellen en toog ze hun aan", waarin ons een blijk van Gods algemeene genade en een teeken van Zijn bijzondere genade meegedeeld wordt.
Ons kleed is bewijs van onzen val, W.L. Vóór de zondeval was er geen bedekking van het menschelijk lichaam noodig. In reinheid en zondeloosheid, in heilige onschuld wandelden Adam en Eva in den hof. Ze ergerden zich niet aan elkaar, ze schaamden zich niet voor elkaar, waren elkaar aldus niet tot een valstrik. Geen zonde-lusten woelden in hun ziel. „Den reinen is alles rein" — dit kwam bij hen wel heel goed uit.
Heel anders werd dit, toen de mensch van zijn Schepper en Weldoener afviel. O, wat is er toen niet gebeurd. „Zij zag, zij nam, en zij at" — in deze drie woorden wordt het feit van de overtreding in het paradijs geteekend. Kunnen de engelen weenen ? Zoo ja, dan hebben ze toen geweend. En de duivelen hebben geschaterd. Nu óók het menschengeslacht afgevallen van God in hoogmoed en ongeloof, in begeerlijkheid en ongehoorzaamheid!
Veel is daardoor veranderd. De mensch heeft zijn rechten verloren, zonder 't beeld Gods, den drie-voudigen dood onderworpen, onder het oordeel Gods, met vloek en ellende beladen. God een vertoornd Rechter, en de mensch gevallen zondaar.
De doorwerking blijkt aldra. Wat is Adam verblind. Is hij heusch van meening, dat God hem achter dat struik je niet zal zien ? De Godskennis is vertroebeld, de kennis der alwetendheid en alomtegenwoordigheid Gods is zoek.
Ook is er nu schaamtegevoel. Nu zijn er lusten, die het lichaam willen misbruiken. Nu is er onheilige drift. Nu komt er de prikkeling tot het onbetamelijke. Nu kunnen zij de aanblik van elkanders lichaam niet rein meer verdragen. Nu komt de reactie in de ziel: de schaamteblos kleurt de wangen.
Het is echt menschelijk, zich niet zoo maar bij het onaangename neer te leggen. Zij weten er wel raad op. Vindingrijk en handig zorgen ze voor bedekking. Zij plukken wat vijgebladeren af, rijgen die aaneen, zooals kinderen een bloemenkrans vlechten, en hebben een-twee-drie aldus een lendenschort klaar. Die omgedaan, en zoo hebben ze hun „bedeksel der schande".
Doch nu komt God. Adam, waar zijt gij? Wat doet ge vreemd. Is er wat gebeurd? Ge hebt toch niet gezondigd ! Wat kruipt ge daar weg? Wat hebt ge daar om? Een naloopend God, waarde lezer — hebt gij Hem ook al zoo leeren kennen ? „Toen Adam al bevende voor Hem vlood, heeft God zich begeven om hem te zoeken", aldus onze Belijdenis des Geloofs. God heeft gedachten des vredes over hem en na het vonnis over man en vrouw beiden en elk in het bijzonder te hebben uitgesproken en de moederbelofte te hebben bekend gemaakt, gaat God den mensch verzorgen voor den tijd. Neen, Adam, dat groene rokje, dat bladeren-kleed, is niet voldoende. Het weder zal nu ruw worden: hagelsteenen, barre kou en verzengende hitte. Uw gezondheid zal beschermd moeten worden. Uw gebreken, die nu zullen komen, mogen bedekt worden. Uw schande moet bedekt worden. Oneerbaarheid moet geweerd in het onderling verkeer. Geen zondige wellusten mogen worden geprikkeld. Gij kunt het nu niet verdragen. En dan moet Adam het aanzien, hoe God een dier doodt. Ach, wat zal dat hem vreemd hebben aangedaan. De dood, die indringer, die onnatuurlijke dood O, later pas zal hij die zien in den mensch — als zijn zoon Abel daar bleek neerligt, bewegingloos, koud, zonder te zien, zonder te hooren, onherstelbaar. Nu ziet hij hem bij het dier. Het leven wordt verbroken. Het bloed vloeit uit en kleurt voor het eerst deze aarde. En dat om hem !
De huid, het vel, de vacht, zal nu hem kleeden. God neemt die vijgebladeren weg — te kort en te smal! — en bekleedt beide, man en vrouw. Rokken, rokken van vellen. En ziedaar, het primitieve begin van ons kleed, dat een gansche ontwikkeling heeft ondergaan en in allerlei vormen en kleuren ons bekend is : het rouwgewaad en het bruidskleed, het ambtsgewaad en 't werkmanspak, het staatsiekleed en- het doodshemd. Alles gegeven door Gods algemeene goedheid. Voor allen. Tot bescherming van het lichaam. Tot beveiliging der ziel. Ons kleed is bewijs van onze zonde. Ja, doch ook bewijs van Gods algemeene genade.
Wel droevig, dat de hoogmoedige mensch nu zijn eer- en pronkzucht botviert zelfs in het kleed, in ijdele modeslavernij. Jammer, dat hij de kleeding zoo onwelvoegelijk maakt, dat de eerbaarheid eerder wordt gekwetst dan beschermd, in onzedelijke verdwazing. Uw kleed zij eerbaar, naar uw stand!
Is ons tekstwoord hiermee uitgeput, W. Lezer ? Ge zoudt terecht mogen veronderstellen, dat hierbij 't dieroffer is ingesteld. Of heeft Abel dat zelf uitgevonden ? De mensch is echter te blind en te zelfingenomen, om te verstaan dat bloedstorting noodig is tot vergiffenis van zijne zonden, dat levensverbreking moet volgen op de verbreking van de gemeenschap met God. God heeft hem dat geleerd, en waarom niet bij deze gelegenheid ? Het vrouwenzaad zou toch in de verzenen of hielen vermorzeld worden ? Het offer van den Messias —den Sterken Held, Strijder Gods — is hiermee aangeduid ! Zijn kruisiging reeds voorspeld.
Zoo, zooals nu dit dier het leven er bij inschiet, om voor uw lichamelijke bedekking te zorgen, Adam — zoo zal de dood van het Vrouwenzaad u moeten opleveren de bedekking voor de schande uwer ziel, de mantel der gerechtigheid, de kleederen des heils, het witte kleed, om aan den bruiloftsdisch aan te zitten met Abraham, Isaac en Jakob, en weer in Gods gunst hersteld te worden.
Telkens wordt het kleed symbolisch in de H. Schrift gebruikt, om onze zedelijkegodsdienstige gestalte weer te geven. Denk aan Jesaja, die zijn goede werken noemde , een wegwerpelijk kleed". Zie naar Jozua, hoe zijn „vuile kleed" voorstelt zijn zonde en schuld bij God. En wat bedoelt het witte bruiloftskleed in de bekende gelijkenis anders dan de rechtvaardiging en heiligmaking der ziel ? God houdt van symboliek voor ons, menschen. Ik hoor God als met een glimlach fluisteren — „en Hij toog ze hun aan" — „Zóó moet Ik u nu ook overkleeden en bedekken voor de koude van Mijn gramschap en de hitte van Mijn toorn, opdat de naaktheid uwer ziel en de schande uwer zonde van voor mijn Aangezicht worde weggedaan".
Maar dan ook is ontkleeding allereerst geboden. God werpt Zijn kleed niet zoo maar over het onze heen. Eerst ontdekt, ontbloot en ontkleed worden, en daarna overkleed. Velen zijn al te zeer aan die oude plunje, hun eigengemaakte kleed, ge­ hecht. Ach, het doet ook zoo'n pijn, af te zien van wat we met zooveel liefde hebben saamvergaderd en inééngezet. Wij eischen gestrengelijk het loon van onze arbeid ! Wegwerpelijk te achten wat ons zoo dierbaar was en zooveel hope verschafte — dat kost moeite, dat smart de ziel. We houden krampachtig het onze vast. En toch — eerst het onze overboord. Alle eigen werk veroordeeld en afgekeurd. Geen zelfmedelijden of eigenliefde verbindere ons. Het is te kort en te smal voor Dien, die op den troon zit, en volkomen werk vraagt.

Hebt gij uw bedekking al verloren, W. Lezer ? O, hoe verschansen we ons achter onze goede werken, hoe meenen we, dat onze gebeden en tranen, onze ernst en ons zoeken, ons kunnen redden voor Gods blik. Ja, wat willen we wel missen, maar niet alles. En — tenzij we ook het laatste willen verliezen, zal God niet overkleeden. Hij wacht er op, om genadig te zijn. Hij staat met het kleed der gerechtigheid klaar, door Christus vervaardigd in den weg van bloed en tranen, geweven aan de kruispaal als de weverspoel op Golgotha. Doch Hij kan bet niet kwijt. Van de goddelijke bedeeling willen we het niet hebben. En vrienden, daar zullen we het wèl van moeten hebben.
O, gelukkig wie zoó ongelukkig zich mag gevoelen in zijn gebrek aan bedekking voor het heilig oog van Hem, die de nieren proeft en de harten doorzoekt. Dan zal het schaamrood niet ontbreken, in zondebelijden en schulderkentenis. Velen slaan dit over. Dat eerste stuk is ook moeilijk, en toch is het noodig, te weten hoe groot onze zonde en ellende is. Wie dit overslaat, is als degene, die zijn onreine kleed, zijn vijgebladeren aanhoudt.
O, Lezer, leer verwerpen, wat God verwerpt, walgelijk achten wat Hij walgelijk acht, afkeuren, wat Hij afkeurt. Wordt het ook hierin met Hem eens. Om dan onze zaligheid buiten onszelf te zoeken. Gansch hulpeloos tot Christus te vlieden. Met mij is het buiten hope. Mijn God, Wien ik mij aanbeval. Wien ik m'n zaak toevertrouwde. Op Wien ik bouwde. Geef mij Jezus of ik sterf. Zijn gerechtigheid, Zijn verdiensten alleen kunnen mij baten. Dat kleed, die bedekking is afdoende en die alléén en die geheel Warme afsluiting. O, wikkel u in die mantel. Zoek in Christus gevonden te worden, niet hebbende eigen gerechtigheid, die uit de Wet is.
Wederstaat den H. Geest dan niet, die u als in de kleedkamer Gods wil ontkleeden en overkleeden. De oude mensch moet sterven en dé nieuwe mensch opstaan. De.zonde moet worden weggedaan en de borggerechtigheid toegerekend in een genadige schenking. Uit de garderobe Gods zal u het kleed der bedekking geschonken moeten worden.
Wat zal het vreeselijk zijn, straks in de eeuwige kou van de gramschap Gods, buiten Zijn beschutting, onder de hitte Zijns toorns, in de eeuwige schande onzer ongerechtigheden. Een eeuwige kwelling der ziel, waar weening is en knersing der tanden. Tracht nog te ontvlieden den toekomenden toorn.
Zalig echter dat volk, dat 't weten mag, wat hun geschonken is. In de ontblooting alles verloren — en in het geloof Christus verkoren. Ja, toen pas hadt ge Hem noodig, toen gij alles kwijt waart. Een arme zondaar — en een rijke Christus. Een naakte ziel — en een allesbedekkende Zaligmaker, die alles meebrengt, „'t Is niet uit ons, maar al uit Hem". O, roem dan alleen in gegeven goed, ontvangen weldra­ den onverdiende zaligheden door Hem, door Hem alleen, om 't eeuwig welbehagen. En gij, mijn lezer, die meent zoo graag overkleed te worden, maar steeds nog hebt te klagen over uw ongeredde, naakte ziel — wilt gij wel alles missen ? O, God laat nooit een ontbloote zondaar staan. Dan komt direct de overkleeding. De Heere ontneme u, wat gij nog moet missen, en schenke u Zijn eeuwig heil, de mantel Zijner gerechtigheid, de gerechtigheid, die uit het geloof van .Jezus is. Amen.

J. Lekkerkerker

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's