KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE VRIJZINNIGE HERVORMDEN EN DE REORGANISATIE.
Aan het slot van zijn artikelenreeks gekomen, schrijft ds. D. Bakker, van Drachten, als conclusie in „Kerk en Wereld" (13 Jan. 1939) :
„Ik ben er vast van overtuigd, dat, zoo de nieuwe Reorganisatie-Commissie met haar werk geen slag in de lucht wil doen, zij rekening zal hebben te houden met wat ik" („ik" is hier ds. Bakker) „nu in de volgende punten resumeer als richtlijnen voor onze Vrijzinnig-Hervormde houding ten opzichte van de reorganisatie :
1. Wij zijn bereid mede te werken aan een reorganisatie onzer Kerk, voor- en in zooverre daardoor de Zendingstaak der Kerk (hier wordt heel iets anders bedoeld met „de Zending" ; men zie daarvoor het eerste artikel van ds. B., waarover wij onlangs schreven !) beter tot zijn recht kan komen.
2. Wij gaan daarbij uit van onze beginselen, zooals die uitgedrukt zijn in ons nieuwe beginsel-program, maar houden rekening met de mogelijkheden van dit oogenblik, zoodat wij partieele reorganisatie voorstaan.
3. Wij willen eerst de Kerkorde wijzigen, opdat daarna de Kerk zich beter kan uitspreken in haar geheel, en beter haar taak in de wereld vervullen.
4. Wij willen daarom wijzigen de samenstelling en dei wijze van verkiezing der Classicale, Provinciale en Synodale instanties.
5. Wij willen, wat de leer betreft, ons voorloopig stellen op de status quo van geest , en hoofdzaak der belijdenisvragen en van de proponentsformule.
6. Wij willen de vrijheid van gelooven en belijden garandeeren door een regeling van eenheid en verscheidenheid door middel van gemeentelijke werkverbanden, die tevens de Kerk activeeren zullen op allerlei gebied.
7. Wij willen aan het groote stads-probleem meewerken door invoering van het parochiestelsel te bevorderen".
„Het zijn slechts richtlijnen", aldus ds. Bakker, „meer niet. Ik verwacht geen éénstemmigheid daaromtrent in onze Kerk, niet eens in eigen kring. Maar ik hoop toch, dat een en ander mede de grondslag kan worden voor een uitgewerkt plan, waarop een meerderheid, bestaande uit menschen van verschillende richtingen, zich vereenigen kan, tot opbouw hunner gemeenschappelijke Kerk, die hen allen even lief is, en allen — van welke „partij" dan ook — gedreven door één-en-dezelfde heilige begeerte : de wederopbouw van Christus' Kerk in deze bezeten wereld !"
Spreekt Gods Woord! niet ergens van een fundament, dat door God Zelf gelegd is, waarbij de menschen altijd weer een ander fundament zullen willen leggen ?
DE NEGUS EN DE BIJBEL.
Ds. Winckel neemt in „De Heraut" over, wat de vroegere Negus van Abessynië, Haile Selassie, op een vergadering in Londen gesproken heeft in betrekking tot den Bijbel. Het was een vergadering van de Vereeniging tot handhaving van Gods Woord in de Albert Hall te Londen. Het luidt als volgt :
„Wat mij zelven betreft, kan ik zeggen, dat ik van kinds af geleerd heb den Bijbel naar waarde te schatten en mijn liefde voor Gods Woord is in den loop van den tijd toegenomen. Ik heb daarin, bij den zwaren weg, dien ik te bewandelen had, onuitsprekelijken troost gevonden. Daarin staat geschreven : „Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven". Wie kan een noodiging, die zoozeer getuigt van medelijden, wederstaan ?
Ten gevolge van deze persoonlijke ervaring van de waardij van den Bijbel, dacht ik dat al mijn landslieden ook moesten deelen in den grooten zegen, dien Gods Woord biedt. Daarom liet ik een nieuwe vertaling van den Bijbel drukken in een taal, die ouden en jongen verstaan en spreken. Deze vertaling vond geen ingang bij het volk. Men moet echter niet meenen, dat de weerzin tegen de nieuwe vertaling voortsproot uit enghartig conservatisme. Onze Kerk had in haar lange historie ondervonden, dal er van buitenaf pogingen in het werk waren gesteld om het geloof te veranderen, dat haar vele eeuwen geleden was geschonken. En daaruit leidde men af, dat de nieuwe vertaling haar oorsprong had in dezelfde buitenlandsche invloeden", wat echter volstrekt niet waar was".
De Negus besloot zijn rede — waarin de onttroonde vorst geen enkel bitter woord zich heeft laten ontvallen ! — met deze woorden :
„Men ziet in deze dagen alle verwachtingen en aspiraties vervliegen, 't Is onbekend, waarheen men gedreven wordt. Maar het moet werkelijkheid worden, dat de Bijbel onze toevlucht is, het vereenigingspunt van de geheele menschheid. Daarin is de oplossing van de hedendaagsche moeilijkheden, een leiddraad voor de toekomst. Als niet met klare bewustheid de Bijbel en zijn blijdschap aanvaard wordt, kan men niet op redding hopen. Wat mij aangaat, ïk verlustig mij in den Bijbel".
Mocht die stem in de vergaderingen van politieke heeren en diplomaten meer en meer gehoord worden : de Bijbel, het vereenigingspunt van de geheele menschheid — de oplossing van de hedendaagsche moeilijkheden — een leiddraad voor de toekomst !
DE ZILVEREN KOORDE
Hervormd Nederland heeft onlangs een paar artikelen gegeven over de Kerk en de Rijksfinantiën of de finantieele verhouding van Staat en Kerk in Nederland. Wij
ontleenen er het volgende aan :
„Er bestaat veel misverstand inzake de financieele relaties tusschen Staat en Kerk in ons land.
Men zou inderdaad zeer ver terug moeten gaan in de geschiedenis van ons lieve vaderland, om op dat moment te komen, waarvan men zou kunnen zeggen : hier zien wij voor het eerst, dat overheidsgeld wordt besteed voor kerkelijke doeleinden. Maar van dat oogenblik gaat het geregeld door tot nu. Nu nog bevat de Staatsbegrooting van het Koninkrijk der Nederlanden ieder jaar een hoofdstuk onder „Financiën", dat tot titel heeft : „Afdeeling VIII. Eerediensten".
Omtrent het bedrag, dat de Staat bij de Grondwet garandeert aan die kerken, die bij de vestiging van het Koninkrijk der Nederlanden in 1815 bestonden, kunnen vrijelijk allerlei geruchten de ronde doen. Men hoort gewagen van bepaalde zijde, dat de Nederiandsche Hervormde Kerk eigenlijk zoo'n beetje bij de gratie van den Staat leeft. Men vergeet, dat het bij de uitkeering van bepaalde bedragen gaat om zeer oude rechten en dat, wanneer de Staat met de kerken toteen vergelijk zou willen komen, een bedrag van vele millioenen gemoeid zou wezen. Wijlen minister M. W. F. Treub — de man, die — dit is minder bekend — in de dagen van den wereldoorlog feitelijk den Bond van Nederlandsche Predikanten deed oprichten, was een voorstander van de financieele scheiding van Kerk en Staat. Toen hij echter kennis, genomen had van alles „was d'rum und daran ist", veranderde hij van meening en achtte het beter om de zaak op den ouden voet voort te zetten. Totaal : f 2.586.050.
Het geheele bedrag dan, dat de Staat voor de Eerediensten uitreikt, is ƒ 2.586.050. Daarvan krijgen de Prot. Kerkgenootschappen ƒ 1.800.504 ; het Roomsch-Katholieke Kerkgenootschap ƒ 750.786; het kerkgenootschap der Oud-Bisschoppelijke Cleresie (Oud-Katholieke kerk) ƒ , 18.835, en de beide Israëlietische kerkgenootsch. ƒ 15.925.
De Protestantsche kerkgenootschappen, die uitkeeringen vari den Staat ontvangen, zijn het Ned. Hervormde, het Evangelische Luthersche, het Remonstrantsche en het Doopsgezinde.
Gelijk men ziet, zijn het alleen kerken van ouden datum, met wie de Staat financieele relaties onderhoudt.
De verschillende onderdeelen van dit begrootingshoofdstuk, dus de bestemming, waarvoor deze gelden uitgekeerd worden, zijn : kosten van kerkbestuur ; tractementen ; bezoldiging van candidaten voor hulppredikdienst ; kinder-, school- en academiegelden ; toelagen en gratificaties voor kerkelijke bedienden, gemeenten, leeraren, emeriti predikanten, weduwen en toelagen van anderen aard ; subsidiën voor bouw en herstel van kerken en pastorieën ; kerkelijke pensioenen en verzending van dienststukken.
De Ned. Hervormde Kerk : ƒ 1.360.036. Wat ontvangt nu de Nederlandsche Hervormde Kerk en waarvoor ontvangt zij die bedragen ?
Voor kosten van kerkbestuur ƒ 46.100 ; voor tractementen ƒ 1.196.502 (voor nieuwe tractementen en verhoogingen werd op de begrooting 1939 een bedrag uitgetrokken van ƒ 3.Ö83) ; voor bezoldiging meest van candidaten voor hulp-predikdienst ƒ 700.—; voor kinder-, school- en Academiegelden ƒ 68.300 ; voor toelagen voor kerkelijke bedienden, gemeenten, leeraren, emeriti predikanten, weduwen, mitsgaders andere toelagen van verschillenden aard ƒ 14.801.
Het bedrag van de pensioenen van Nederlandsche Hervormde predikanten kunnen wij niet precies opgeven, omdat onder het bedrag van ƒ 380.057 ook opgenomen zijn de pensioenen der predikanten der andere kerkgenootschappen ; doch men kan gerust aannemen, dat ongeveer drie-vierde van dit bedrag „Hervormde" pensioenen zijn. Bovendien ontvangt het Prov. Kerkbestuur van Friesland, waarmede een speciale regeling bestaat inzake weduw-pensioen, een bedrag van ƒ 6550. Wat wij schreven omtrent de predikantspensioenen, geldt ook van de verzending van dienststukken, waarvoor met de andere kerkgenootschappen een bedrag gevoteerd wordt van ƒ 2000.—.
Onder het behoud, dat wij maakten inzake de twee niet juist weer te geven posten, meenen wij het bedrag, dat de Staat aan de Ned. Hervormde Kerk uitkeert, te mogen stellen in totaal op ƒ 1.360.036.
Er zijn in den lande 37 Ned. Herv. predikanten, die een rijkstractement hebben beneden, en 7, die meer dan ƒ 2300 rijkstractement hebben. Dit zijn de twee polen. In totaal wordt aan 1529 predikanten in de Ned. Hervormde Kerk rijkstractement uitbetaald en daar er 1683 predikantsplaatsen zijn, volgt daaruit, dat aan 154 predikantsplaatsen in de Ned. Hervormde Kerk geen rijkstractement is verbonden".
HET MOEILIJKE VAN ONS OORDEEL.
Vele menschen zijn dikwijls in een oogenlik klaar met hun oordeel, en dan is dit „verschrikkelijk" en dat „prachtig", enz. Maar daarom is het nog niet altijd in werkelijkheid aóó. Dan blijkt wel eens, dat het „verschrikkelijke" niet zoo vreeselijk is, en dat het prachtige" niet zoo mooi is !
Vooral over de buitenlandsche kerkelijke toestanden een recht oordeel te hebben, valt niet mee. Zoo lezen we, dat vooral in Schotand het oordeel is : dat de regeering van sjecho-Slowakije zoo uitnemend haar taak en opzichte van den godsdienst en de Kerk eeft verricht, en dat het nu zoo vreeselij k is, dat een groot deel bij Hongarije nu hoort. „Exceedingly wel", d.i. bijzonder goed, heeft de regeering gezorgd ! en zij heeft „alle natiën een goed voorbeeld gegeven van verdraagzaamheid en eerbied voor gewetensvrijheid". De Evangelische Kerk in Tsjecho-Slowakije had het o ! zoo goed.
Maar... Gereformeerde Hongaren oordeelen daarover anders ! En prof. dr. A. M. Brouwer te Utrecht, blijkens zijn toespraak tot de studenten, waarbij hij de Hongaren in de collegezaal bijzonder toesprak, oordeelt óók anders !
De Gereformeerde Hongaren getuigen, dat nu op grond van het pact van München en als gevolg van de besluiten van het Weensche Scheidsgerecht, 12.400 vierkante kilometer met 1.060.000 inwoners, teruggekeerd zijn tot het duizendjarige Hongarije — van welke inwoners er 220.000 Gereformeerd zijn en 40.000 Evangelisch, 't Getal Hongaarsche Protestanten is daardoor geklommen tot 2.700.000. „Door dit besluit" — zoo lezen we — „keerden broeders terug tot het oude Vaderland, tot hun ras, geloof en beschaving : broeders werden vrij, die in de laatste twintig jaar, als gevolg van een misleidende propaganda, te lijden hadden onder het juk van een onderdrukking, waarmede minderheden onderdrukt worden ; een onderdrukking, die spotte met alle goddelijke en menschelijke wetten". Zóó oordeelt de Ungarisch-protestantischer pressedienst (van 1 Dec. 1938). En dus dan blijft er van het „exceedingly wel", van dat buitengewoon verdienstelijke van de Tsjechische regeering, die zoo verdraagzaam was en zoo groote eerbied voor gewetensvrijheid had („een goed voorbeeld voor alle natiën) niet veel over.
„De blijdschap der Hongaren" — lezen we verder — „over deze terugkeer is groot. In Hongaarsche Gereformeerde kringen is het oordeel over de gedragslijn van de regeering te Praag geheel verschillend van die der Schotsche Vrije Kerk. De Prager regeering heeft, om slechts één ding te noemen, de goedkeuring aan de bepalingen van de Synode van de Hongaarsche Geref. Kerk vijftien jaar uitgesteld. De leden dezer Kerk stichtten met ongemeene krachtsinspanning een Theologische Hoogeschool in Losone ; in Komaron een Kweekschool voor onderwijzers, en droegen zorg, soms in samenwerking met de Evangelischen, voor middelbare en voor volksscholen, voor het kerkelijk onderricht van het jonger geslacht. Dit geschiedde, omdat de Tsjechische regeering er naar streefde, bij de kinderen de godsdienst uit het hart uit te roeien, met de hulp van communistische onderwijzers"
„Een heldendicht zou kunnen worden gedicht op de moed en de trouw, waarmede predikanten en andere kerkelijke ambtsdragers, en niet minder de eenvoudige kerkleden, deze materialistische en godloochenende pogingen hebben wederstaan, mede doordat zij een kerkelijke pers onderhielden".
Dat prof Brouwer er óók zoo over denkt, memoreert de Ungarisch Protestantischer pressedienst dankbaar ; want we lezen : „een zeer goeden indruk heeft gemaakt het hartelijk doen van den Utrechtschen hoogleeraar dr Brouwer, die „de gedeeltelijk weer goed gemaakte ongerechtigheid", die de Hongaren was aangedaan, van de katheder der oude eerwaardige Universiteit bekend maakte, waarbij hij zich met hartelijke woorden richtte tot die Hongaarsche theologen, die zich onder zijn gehoor bevonden, zich richtende (gelijk de hoogleer aar zich uitdrukte) „tot de zonen van die natie, welke men na den wereldoorlog zoo onrechtvaardig had behandeld".
Zoo ziet men, hoe de oordeelen kunnen verschillen.
En men proeft tegelijk, hoe op allerlei wijze het Communisme overal tusschen zit om bovengronds, maar dikwijls nog méér onder-gronds te woelen en te werken. Men staat telkens verbaasd, als men weer „onthullingen" krijgt, hoe wijd vertakt de Russisch-godlooze-beweging is en hoe groot overal de invloed is.
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending: (5)
De Judaïstische „partij" (een Farizeesche partij, Hand. 15 : 5), is in haar eischen beslist afgewezen op de eerste „Synode" te Jeruzalem gehouden (Hand. 15). Maar... helaas ! heeft die „partij" onder de Christenen zich daaraan niet gestoord on ze zijn voortgegaan in hun sectarische richting en hebben Paulus voortdurend in schier alle gemeenten, in Galatië, Corinthe, Rome enz., achtervolgd en tegengewerkt. Zij konden zich daarbij niet beroepen op het gezag der Apostelen ; maar zij stempelden zichzelven tot valsche profeten, ingeslopen broederen, kwade arbeiders, die de waarheid en de vrijheid des Evangelies aanrandden. (Gal. 2 vers 4 ; 2 Cor. 11 vers 13, enz. Filipp. 3 vers 2 enz.). Wat heeft Paulus een last gehad van deze menschen ! Wat is het werk Gods bemoeilijkt door deze menschen. En wat waren er altijd weer velen, ook in de. gemeenten, die deze menschen zoo „echt" vonden. Paulus moet aan de gemeenten in Galatië zelfs schrijven : „Jullie lijken wel van je verstand beroofd, dat je zulke menschen gehoor geeft". „O, gij uitzinnige Galatiërs ! wie heeft u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn ; denwelken Jezus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geworden, onder u gekruist zijnde ? " (Gal. 3 vers 1).
Het is niet onwaarschijnlijk, dat vooral in den eersten tijd de Christenen uit de Joden (althans een deel, misschien wel een groot gedeelte van hen) nog op Joodsche wijze bleven leven (Hand. 16 vers 3 ; 18 vers 21 ; 21 vers 20, 24). Ten opzichte van de Christenen uit de Joden is ook op het convent van Jeruzalem (Hand. 15) niets naders bepaald. Het ging daar alleen over de kwestie belangende de Christenen, die niet „uit de besnijdenis" waren, dus de Heidenen. Hun werd slechts een geringe, lichte last opgelegd, bestaande in : onthouding van enkele dingen, welke in de Joodsche kringen grooten aanstoot gaven. (Hand. 15 vers 29).
We kunnen de besluiten van de Kerkvergadering te Jeruzalem (Hand. 15) dus typeeren als de poging : om de éénheid des geloofs te laten uitkomen bij verschillende inzichten en gevoelens en levensgewoonten. Men wilde zoo (gaarne dat de éénheid der gemeenten ook bij verschillend type zou openbaar' worden en zou bestendigd blijven. Met de verschillende herkomst en opvoeding der Christenen moest rekening worden gehouden, en in ondergeschikte, schoon volstrekt niet onbelangrijke punten, moest de verscheidenheid en de vrijheid geëerbiedigd worden.
Nog in een ander opzicht is het Convent van Jeruzalem (Hand. 15) merkwaardig. De Judaïsten eischten niet alleen van alle Christenen onderhouding der Mozaïsche wet, maar zij vielen den Apostel Paulus (die altijd weer door degenen, die zich bij uitstek „echt" noemden en zich zelf als zoodanig overal aanprezen, lastig gevallen werd, als „niet zuiver op de graat" zijnde) ook persoonlijk aan. Zij zeiden n.L, dat hij niet zelf rechtstreeks door Christus tot apostel geroepen was, maar dat hij bet Evangelie van de apostelen te Jeruzalem ontvangen had en het daarna vervalscht en bedorven had. (Gal. 1 en 2). Vandaar dat Paulus, als afgevaardigde van de gemeente te Antiochië naar het convent te Jeruzalem gaande, aan de gansche gemeente aldaar het Evangelie voorstelde, hetwelk hij predikte onder de Heidenen. En dit deed hij bovendien in: een bijzondere, in een private bijeenkomst, ook aan degenen, die „in achting waren", dat is : aan de apostelen Petrus en Johannes, benevens aan Jacobus, den broeder des Heeren (Gal. 2:2). Deze broederlijke samenspreking had ten gevolge, dat de apostelen te Jeruzalem hem niets oplegden ; dat is : hoegenaamd geene aanmerking maakten op zijne prediking, maar er hunne volkomene instemming mede betuigden en hem „de rechterhand der gemeenschap" gaven. (Gal. 2 vers 6, 9). Maar met onderling goedvinden, kwam men wel tot verdeeling van het arbeidsterrein, in dien zin, dat Petrus en de apostelen in Jeruzalem zouden werken onder de Joden, en dat Paulus tot de Heidenen zou gaan. (Gal. 2 vers 7—9). Die verdeeling van het arbeidsveld moet goed worden verstaan: en daarover mag geen misverstand ontstaan. Want zij kwam niet, gelijk soms beweerd is, voort uit een gewichtig verschil tusschen het Evangelie, dat Paulus veracht en het Evangelie, dat de apostelen predikten ; alsof het eerste meer voor de Heidenen en het tweede meen voor de Joden geschikt ware geweest. Dat kan natuurlijk niet het geval zijn ; want er is geen tweeërlei Evangelie 1 Trouwens de treffende overeenstemming, die tusschen de apostelen en Paulus na de uiteenzetting van zijn Evangelie aan het licht kwam en door de broederband der gemeenschap bezegeld werd, stelt het ongerijmde van zulk een tweeërlei Evangelie in, het volle licht !
Oók is de verdeeling niet strikt als een nationale bedoeld. Want we lezen immers overal, dat Paulus, wien de verharding van Israël een groote droefheid en zijn hart een voortdurende smart was, — en die wel wenschte verbannen te zijn van Christus voor zijne broederen naar het vleesch (Rom. 9 vs. 2, 3) — zich op zijne Zendingsreizen in den regel eerst tot de Joden wendde en daarna (na de verwerping van zijn volksgenooten) tot de Heidenen (Hand. 13 vs. 5, 14 ; 14 vs. 1 ; 16 vs. 13 ; 17 vs. 17 ; 18 vs. 4, 19 ; 19 vs. 8 ; Rom. 1 vs. 16 ; 2 vs. 9 ; 1 Cor. 1 vs. 22, enz. ; 9 vs. 20, enz.).
En de apostelen in Jeruzalem hebben anderzijds hun werkzaamheden niet tot de Joden beperkt, maar ze langzamerhand óók tot de Heidenen uitgebreid.
De verdeeling van het arbeidsveld had een andere beteekenis.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's