UIT DE HISTORIE
Luther's verklaring van Paulus' brief aan de Galaten.
Schrijver ; lezers ; groet; hfdst. 1 vers 1—5. (Hl.)
Deze verhandeling over de zekerheid der roeping is hoogst noodzakelijk met opzicht tot de verderfelijke en duivelsche geesten, die buitensporig roemen op den Geest en hun hemelsche roeping, en onder deze voorwendselen velen bedriegen. Want zij liegen onbeschaamd Dat ik het Woord verkondig, doop en de sacramenten bedien, doe ik daarom, omdat ik daartoe een bevel heb en geroepen ben.
Wanneer één.of meer gewone burgers mij verzoeken zouden, om te prediken, dan zou ik aan een dergelijke willekeurige roeping geen gevolg geven, omdat daardoor den trawanten van den duivel de deur zou geopend worden ; later toch zouden zij op dit voorbeeld teruggrijpen en (der Kerk) schade berokkenen, gelijk wij reeds hebben uiteengezet. Word ik echter geroepen door menschen, die een officieel ambt bekleeden, dan moet ik gehoorzamen.
Daar nu Paulus zich noemt : „een apostel, niet geroepen van menschen, noch door een mensch", beschaamt en beteugelt hij door deze woorden de valsche apostelen, alsof hij zeggen wil : hoe hoog die serpenten ook van zichzelf mogen opgeven, — wat kunnen ze méér zeggen, dan dat zij er zijn door menschen (d.w.z. door zichzelf, wijl niemand hen geroepen heeft) of door een mensch (d.w.z. gezonden door een ander) ?
Ik daarentegen, zoo wil de apostel zeggen, ben niet geroepen en: gezonden door menschen, noch door een mensch, maar onmiddellijk door Jezus Christus, en mijn roeping verschilt in niets van die der andere apostelen, zoodat ook ik wel degelijk een apostel ben !
Over de roeping der apostelen handelt Paulus elders zeer omstandig, en hij maakt daar onderscheid tusschen het apostelambt en de andere bedieningen (1 Kor. 12 en Efeze 4 vers 11).
Zoo is ook Matthias rechtstreeks door God geroepen, hetgeen blijkt uit het feit, dat de apostelen twee mannen stelden, waaruit zij geen keus durfden doen ; zij wierpen echter het lot, en baden, dat God een man aanwijzen zou, die zij dan als door Hem gekozen zouden beschouwen.
In dit eerste vers van Galaten 1 is sprake van den eersten stoot, dien Paulus den valschen apostelen toebrengt. Hoewel zij door niemand gezonden waren, liepen zij toch alles af.
Men mag de roeping dus niet verachten. Want het is niet voldoende, dat men hel Woord en de zuivere leer heeft, maar ook moet men van zijn roeping zeker zijn. Wie zonder roeping te hebben, binnendringt, die komt om te slachten en te verderven. (Joh. 10 vers 10) ; want God maakt den arbeid van dezulken nooit voorspoedig. Hoewel zij soms iets heilzaams naar voren vermogen te brengen, - - tóch bouwen zij niets op !
Ook heden ten dage nemen dwaalzieke geesten de woorden des geloofs in den mond, maar zij brengen geen vrucht voort. Veeleer zijn zij er op uit, om den menschen hun dwalingen op te dringen.
Degenen, die van hun heilige roeping verzekerd zijn, moeten aan velerlei zeer zware bestrijdingen het hoofd bieden. Evenzoo moeten zij, wier leer zuiver en gezond is, in hun heilzame bediening pal blijven staan, wanneer de duivel voortdurend tallooze aanvallen op hen doet, en de wereld woedt. Wat zou iemand, wiens roeping onzeker, en wiens leer onzuiver is, in dergelijke omstandigheden kunnen uitrichten ?
De troost van ons, die in de bediening des Woords staan, is deze; dat wij een heiligen en hemelschen post bekleeden, waartoe wij wettig geroepen zijn ; wij roemen derhalve tegen alle poorten der hel !
Gij ziet dus, hoe goed en noodzakelijk deze roem voor ons ambt is. Eertijds, toen ik nog maar een aankomend theoloog en een jong doctor was, kwam het mij voor, dat Paulus zich aan beuzelarijen overgaf, wanneer hij in al zijn brieven zoo dikwijls hoog opgaf van zijn roeping. Ik begreep namelijk niet, wat de apostel daarmede voor had, daar ik er geen notie van had, dat de dienst des Woords zulk een belangrijke zaak is. Van de leer des geloofs wist ik niets, en evenmin besefte ik, wat een rein gemoed was. Dat kwam, omdat er hieromtrent niets positiefs in de scholen of kerken geleerd werd. Alles was gehuld in een spitsvondig gewirrewar, en de leeraren van het pausdom hielden slechts een praatje, dat geen nut afwierp. Daarom kon niemand de waarde, de beteekenis van des apostels heilig en geestelijk roemen over zijn roeping verstaan.
In de eerste plaats strekt dit roemen tot Gods eer ; vervolgens tot prijs van ons ambt ; en ten slotte tot zaligheid van ons en diegenen, die aan onze hoede toebetrouwd zijn. Want door onzen roem streven wij er niet naar, in de wereld iets te beteekenen ; wij zoeken geen eer van menschen, geen geld, geen prettig leventje, en ook niet de gunst der wereld. Maar wij zijn op onze roeping trotsch omdat wij in een Goddelijk ambt staan, en Zijn werk verrichten, en omdat wij de zekerheid onzer roeping dringend noodig hebben, om den menschen te doen verstaan, dat ons woord Gods woord is. Derhalve is ons roemen geen ijdele waan, maar heilige trots tegenover den duivel en de wereld ; voor God is het echter ware deemoed.
Paulus is geroepen door Jezus Christus, en God den Vader, die Hem uit de dooden opgewekt heeft.
De apostel brandt zoozeer van ijver, dat hij niet wachten kan, totdat hij aan de zaak zelf komt ; maar reeds in het opschrift van den brief openbaart hij, wat er in zijn hart leeft. Hij heeft het e» namelijk op gezet, om in dezen brief te handelen over „De rechtvaardigheid door het geloof" ; deze leer wil hij verdedigen, en de wet en de „rechtvaardigheid uit de werken" bestrijden. Met de gedachten daaraan is hij volkomen vervuld, en uit deze wondervolle en onuitputtelijke volheid van de heerlijke wijsheid en kennis van Christus spreekt zijn mond. Deze vlam, deze brand in zijn binnenste kan niet verborgen blijven, en hij kan er niet van zwijgen. Derhalve volstaat hij niet met te zeggen, dat hij een apostel is, gezonden door Jezus Christus, maar hij voegt er aan toe : „door God den Vader, die Hem uit de dooden heeft opgewekt".
Het schijnt wel, of deze toevoeging niet noodig is, maar Paulus spreekt, gelijk ik gezegd heb, uit den overvloed zijns harten, en zijn mond loopt er van over. Hij brandt van verlangen, en zijn gemoed zet hem er toe aan, om, al dadelijk in het opschrift van den brief, de onnaspeurlijke rijkdom van Christus in het licht te stellen, en de gerechtigheid Gods te verkondigen, die genoemd wordt : „de opstanding uit de dooden". De levende en uit de dooden opgewekte Christus spreekt door den apostel, en Deze zet hem aan. Daarom is het niet zonder reden, dat hij er aan toevoegt, dat hij ook apostel is door God den Vader, die Jezus Christus uit de dooden opgewekt heeft. Het is, als wil Paulus zeggen : ik heb te doen -met den Satan en zijn trawanten, die z'n werktuigen zijn ; zij willen mij de gerechtigheid van Christus, dien God de Vader uit de dooden opgewekt heeft, afhandig maken ; door Zijne gerechtigheid worden wij echter alleen gerechtvaardigd, en door haar zullen wij op den jongsten dag uit de dooden opgewekt worden tot het eeuwige leven. Wanneer men dus de gerechtigheid van Christus wil te niet doen, dan wederstaal men den Vader en den Zoon, en Beider werk.
Bij deze eerste woorden ontschiet den apostel reeds aanstonds het geheele onderwerp, waarover de brief handelt.
Christus' overwinning is de zege over de wet, over de zonde, over vleesch, wereld, duivel, dood en hel, en over alles, wat kwaad en schadelijk is. En van deze overwinning maakt Hij ons deelgenoot.
Hoezeer tirannen en vijanden, die ons bestrijden, ons ook aanklagen en verschrikken mogen, — zij zullen ons niet tot wanhoop kunnen brengen, of ons verdoemen ; want Christus, dien God de Vader uit de dooden heeft opgewekt, is onze gerechtigheid en onze zegepraal. Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus. Amen.
Neem wel in aanmerking, hoe duidelijk Paulus spreekt. Hij zegt niet : door God, die hemel en aarde geschapen heeft, die een Heer is der engelen, die Abraham geboden heeft, om uit zijn land te gaan, die Mozes tot Farao zond, die Israël uit Egypte heeft uitgeleid. Zoo spraken de valsche apostelen, die er zich op beroemden, dat Hij de God hunner vaderen was, die alles geschapen heeft, onderhoudt en werkt, en die wonderen deed onder Israël. Paulus bedoelde iets anders. Hij had namelijk de gerechtigheid van Christus op het oog, die hij leerde als Zijn apostel. Paulus spreekt hier woorden, die ter zake dienen, als hij zegt: „Ik ben een apostel, niet gezonden door menschen, noch door een mensch, maar door Jezus Christus en God den Vader, die Hem uit de dooden opgewekt heeft".
Gij ziet dus wel, met welk een drang en ijver des Geestes hij bezield is, wat betreft de zaak, die hij planten en beschermen moet tegenover het gansche rijk der hel, tegenover alle machten en wijzen der geheele wereld, en tegenover den duivel en zijn trawanten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's