MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„Zoo zie ik het nog niet, wel als blijk van hoogeren zieleadel en prediking voor ons, om eveneens het aardsche kruis in navolging van Jezus te dragen in onderworpenheid aan 's Vaders wil".
„'t Zal alleen maar mogelijk zijn, dominé, wanneer wij „het Kruis" van Christus in zijn volle beteekenis leeren kennen en het woord van Paulus onderschrijven : „Overgeleverd om onze zonden, opgewekt tot onze rechtvaardigmaking". Een juridische daad van Gods wege in de vrijwillige overgave en ontlediging van Zichzelven, om zóó een verloren wereld te redden en zondaars te behouden".
Met verbazing keek ds. Lauwers zijn ouderling aan. Waar had deze al die geleerdheid vandaan ? Nog nooit had hij dit in hem gevonden, nog minder gezocht, omdat hij immers vrijzinnig was. Maar hij kende zijn gemeente ook niet, omdat hij veel te ver van haar af leefde.
Hoe kwam hij hier te staan voor groote levensvragen, zooals zij zich nog nimmer aan hem hadden opgedrongen. Immers, als Bouma en Keimpe en Murk, en zooveel als er dan meer van deze richting waren, gelijk hadden, dan was hij op een vreeselijk dwaalspoor, maar tevens óok oorzaak, dat anderen dit volgden en eens verkeerd zouden uitkomen. Juist die gedachte was het, welke hem de laatste dagen zoo verontrustte. Hoe merkte hij aan Murk, zoodra zijn verstand in hem terug kwam, een wonderlijk berusten in den wil Gods, maar óok een verzekerd zijn, dat hij door het geloof in het offerwerk van Christus, gelijk hij het noemde, met God was verzoend en daardoor in al de rechten van het kindschap mocht deelen. Dat was, hij voelde het meer dan ooit, de zaak, waar het om ging. Christus alles of niets, en Zijn Kruis een vloekhout, dat de zonde der wereld wegnam, zooals ook de oude kerk altijd beleden had, of een gewoon martelhout, maar dan zonder verder eenige waarde en kracht. Zonder 't zichzelf bewust te zijn, zuchtte hij.
„Wien het om de Waarheid te doen is, komt tot het licht, dominé, maar in den weg van worsteling" — zei Keimpe.
„God weet, dat ik de Waarheid wil", klonk het oprecht.
„Dan zal de Geest des Heeren het verdere onderricht wel geven" — merkte Bouma op.
„Als allen, die hier sluimeren, nog eens konden spreken, wat zouden zij dan zeggen, " — sprak de dominé, terwijl hij opstond, om heen te gaan.
„Ongetwijfeld, dat God rechtvaardig is in Zijn richten en den boetvaardige in genade aanneemt", was het antwoord van Bouma.
Toen verwijderde ds. Lauwers zich. Maar in de wijze, waarop hij beiden de hand had gedrukt, lag iets eigenaardigs, 't Leek wel alsof hij daarin zeggen wilde : „Wij spreken elkander wéér".
En toen hij ver genoeg was, om het niet te hooren, zei Bouma tegen Keimpe : „Deze is niet ver meer van het Koninkrijk Gods".
Achttiende Hoofdstuk.
Eenige maanden waren verloopen. De winter ging voorbij zonder het vermaak te geven, dat ijs en sneeuw gewoonlijk met zich brachten, om de eenvoudige reden, dat ditmaal zoowel van het een als van het ander niets gezien werd.
„'t Wordt hoe langer hoe wonderlijker in de wereld", zei Jurjen, toen hij, de handen diep in de broekzakken verborgen, met nog eenigen een buurpraatje hield. „Vroeger, toen wij nog jongens waren, hadden wij vast eiken winter sterk ijs en ging heel Friesland er van door op de schaats, maar 't is precies alsof alles anders wordt in de natuur, evenals de menschen ook veranderen".
„'t Komt, omdat wij zoo langzamerhand dichter naar de zon draaien", zei Douwe, en trok zijn pet op één oor.
„Niet te hopen", zei een derde, „want dan zou in de toekomst alles verbranden".
„'t Zal het ook", viel Jurjen in, die zich plotseling iets uit de Schrift herinnerde, waarin ook gesproken werd van een vergaan van het heelal door vuur. Intusschen scheen de lente te willen geven, wat de winter onthouden had. Eiken dag was het bar koud, zoodat het eerste groen slechts huiverig te voorschijn kwam, alsof het opzag tegen die kille nachten, waarin het zoo vroor, en die koude hagelbuien, die de teere blaadjes van de zwakke stengels sloegen. Dagen lang zagen de zieken en zwakken uit naar milder weer, doch het haantje van den toren keek altijd maar het Noorden in, en Douwe zei, dat uit het Noorden nooit veel goeds kwam, uitgezonderd dan Klaske, die hij ergens van de hooge klei had gehaald.
Onder al degenen, die met verlangen de zomerwarmte tegemoet zagen, behoorde ook Murk. Gelukkig was hij van zijn krankheid opgericht, maar daarmede waren de oude krachten nog niet terug, 't Duurde geruimen tijd vóór het zoover kwam, dat hij het bed overdag verlaten kon, en ook toen was hij nog lang niet dezelfde van voorheen. Vooral dat manke been scheen niet mee te willen komen en ook de borst waarschuwde geregeld, dat hij zich voor de scherpe kou in acht te nemen had. Een enkele maal had hij neiging getoond verdrietig onder het geval te worden. Vooral wanneer hij dacht aan de klanten, nu in zoovele weken niet bediend, werd de kamer hem te eng. Een paar dagen was het bij wijze van proef geprobeerd om Jurjen voor hem te laten gaan, maar dat lukte niet. „We moeten Murk zelf hebben", zeiden de menschen, en kochten alleen het hoognoodige of gaven reeds van verre met hoofdschudden te kennen, dat hij wel door kon gaan.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's