WAT CALVIJN ONS LEERT
De leer der Wet.
Het einde van het gebod is liefde uit een rein hart, een goede consciëntie, een ongeveinsd geloof.
Consciëntie en geloof, of zooals Calvijn zegt in één woord : de ware Godsvrucht is het hoogst en de liefde daaruit afgeleid.
Met name voegt hij er aan toe, dat in de Wet dus niet het A. B. C. des geloofs, de eerste beginselen der gerechtigheid geleerd worden ials een voorbereiding tot een eerste proefstuk des geloofs, maar door de Wet worden wij tevens op de rechte hoofdzaak der goede werken gewezen. Boven hetgeen hier omtrent het geloof wordt gezegd, kan men toch niet meer eischen tot volmaking der gerechtigheid.
Daarom is die uitlegging der Wet de goede, die in haar geboden voortschrijdt tot alle plichten der Godsvrucht en der Hef de.
De hoofdsom.
Soms spreken Christus en de' Apostelen van de hoofdsom der Wet zonder bepaaldelijk van de eerste tafel te spreken. Calvijn acht het een misvatting, wanneer sommigen deze woorden op de eerste tafel willen betrekken.
Bij Mattheüs zegt Christus, dat de voornaarmste werken der Wet zijn barmhartigheid, oordeel en geloof. (Matth. 23:23). Men wil dus beweren, dat Christus bedoelt de vreeze en eerbied jegens God om Zijn woorden zoo op de geheele Wet te betrekken.
Calvijn neemt dat zoo niet. Het woord geloof in dezen tekst neemt hij als trouw en waarheid jegens de menschen. Christus spreekt hier van de werken, waardoor de mensch moet bewijzen, dat hij rechtvaardig is. Wie daarop let, zal opmerken, waarom Hij den rijken jongeling deze geboden voorhield: Gij zult niet dooden, gij zult geen overspel doen. Gij zult niet stelen. Gij zult geen valsche getuigenis spreken. Eert uwen vader en uwe moeder. Gij zult uwen naaste liefhebben. Matth. 19 vs. 18).
De gehoorzaamheid jegens de eerste tafel is in de genegenheid des harten gelegen of in de ceremoniën. De gezindheid des harten kan niet gezien worden. Wat de ceremoniën aangaat, daarmede is de geveinsde gewoonlijk druk genoeg in de weer, maar de ware gerechtigheid bewijst men door de werken der liefde.
Een ieder, die in de Heilige Schrift thuis is, weet, dat de profeten, wanneer zij tot getrouwheid vermanen, opwekken tot gehoorzaamheid, oordeel, barmhartigheid en rechtvaardigheid, terwijl zij aan de eerste tafel voorbijgaan.
Dat beteekent niet, dat zij de vreeze Gods aan den kant stellen, maar zij willen, dat het volk zijn vreeze Gods zal betoonen door uitwendige teekenen.
Is het dan van grooter gewicht in betrekking tot de hoofdsom der gerechtigheid, dat men onder de menschen onstraffelijk leeft, dan dat men God dient in onstraffelijkhekl ? Geenszins. Maar, omdat men de liefde in alle dingen niet lichtelijk zal brengen, tenzij men God vreest, zoo wordt het bewijs der godsvrucht genomen uit de liefde, die men jegens den naaste betracht. Daar komt nog wat bij. Geenerlei menschelijke weldadigheid reikt tot God. Daarom eischt God haar niet voor zichzelf, maar Hij oefent ons, als Hij goede werken vordert jegens den naaste. (Psalm 16 vers 2).
Daarom is het niet zonder oorzaak, dat de apostel de geheele volmaaktheid der heiligen stelt in de liefde. (Éfeze 3 vs. 19. De liefde is de vervulling der Wet. (Rom. 13 vers 8). Die de Wet heeft volbracht, heeft zijn naaste lief. (Gal. 5 vers 14). De apostel leert geen andere leer dan Christus, die zegt: Alle dingen dus, die gij wilt, dat u de menschen zullen doen, doet ook gijlieden alzoo, want dat is de Wet en de Profeten. (Matth. 7 vers 12).
Zonder twijfel staat het geloof en alles wat tot de wettige religie behoort, in de Wet en de Profeten op het eerste plan en komt de liefde daaruit voort, maar de Heere wil zeggen, dat ons in de Wet alleen voorgeschreven wordt de onderhouding van recht en billijkheid onder de menschen, opdat wij zouden geoefend worden en daardoor oprechte Godsvreeze, voor zoover die gevonden wordt) zouden betuigen.
Ons leven zal naar den Wil Gods en het voorschrift der Wet zijn, indien het in alle opzichten is aangelegd op het voordeel der broederen.
In de geheele Wet is geen half woord, dat een regel stelt om het vleesch te behagen.
Hoe geheel anders is de werkelijkheid. De menschen worden steeds gedreven door de liefde lot zich zelf. Zij mogen van de waarheid en de gerechtigheid afwijken, maar ds eigen liefde behouden zij. Daar is dus geen behoefte aan een wet, die tot eigenliefde opwekt, maar wel aan eene, die vermaant tot naastenliefde.
Niemand leeft boozer en goddeloozer, zoo Calvijn, dan hij, die alleen voor zichzelf leeft en op zijn eigen voordeel uit is. Geen krachtiger maatstaf kan voor den mensch genoemd worden dan de liefde tot zichzelf. Het is daarom wel heel duidelijk, met hoe groote genegenheid wij tot onzen naaste behooren te handelen, als de Heere deze vergelijkt met onze genegenheid voor ons zelf.
Intusschen breekt Calvijn een misverstand van sommige sophisten af, die zouden willen beweren, dat eerst de liefde tot onszelf bevolen wordt, en dan de liefde tot anderen, zij het ook onder den eisch van gelijke kracht en genegenheid.
Doch zoo wil Calvijn het niet verstaan hebben. Veelmeer wordt hier de genegenheid, die wij van nature voor ons zelf hebben, overgeplant op de liefde tot den naaste.
Een iegelijk kan verstaan, hoe sterk dit gebod is, als wij in de eerste plaats jegens onzen naaste hebben te koesteren een genegenheid, alsof het ons zelf en onze eigen belangen gold.
Wie is onze naaste ?
Dat is geen open vraag. De gelijkenis van den barmhartigen Samaritaan leert, dat zelfs een wild vreemde onze naaste kan zijn. (Lucas 10 vers 36).
Het ligt van zelf in de rede, dat de gemeenschappelijke verhoudingen onder de menschen een verschillenden graad van vriendschap kunnen hebben en dat de liefde tot de naasten dienovereenkomstig verschilt.
De werken der liefde worden door deze verhoudingen in het practische leven bepaald. Naarmate men nauwer verwant is, zal men elkander meer vriendschap bewijzen. Dat gaat ook niet tegen het gebod in. Doch wij kunnen daarvan geen grond maken om ons van het beginsel in zijn breede en diepe strekking af te maken.
Het geheele menschelijke geslacht, zonder uitzondering, moet door de genegenheid der liefde worden omhelsd. Hier is geen onderscheid tusschen de eene natie en de andere, tusschen waardigen en onwaardigen, tusschen vriend en vijand, omdat men de menschen niet op zich zelf moet nemen, maar, omdat men hen in God moet aanzien.
Wanneer wij dit niet in aanmerking nemen, zoo is het geen wonder, dat wij in vele dwalingen worden verstrikt.
Willen wij dit beginsel toepassen, dan moeten wij niet op den mensch zien, want het komt veel vaker voor, dat wij dan tot haat dan tot liefde worden geprikkeld. Wij moeten op God zien, die wil, dat wij de liefde, die wij Hem toedragen, zullen uitbreiden tot de menschen in het algemeen.
Calvijn noemt dit een eeuwigen grondregel, dat wij den mensch, hoedanig hij ook zij, moeten liefhebben, omdat wij God liefhebben.
Dwalingen.
Met kracht treedt Calvijn op tegen enkele scholastieke dwalingen in de waardeering der geboden. Ten eerste tegen de leer, alsof de geboden, die toch tot allen uitgaan met den eisch van gehoorzame betrachting, een soort van adviezen zouden zijn, welke men naar zijn goeddunken zou kunnen opvolgen. Het zou inderdaad wel loffelijk zijn, deze na te komen, maar niet geboden. De monniken, die zich daartoe verbinden, zouden daardoor een hoogeren graad van rechtvaardigheid deelachtig zijn dan de andere menschen, die zulk een gehoorzaamheid niet betrachten.
Hoe men tot zulk een redeneering kwam ?
Omdat de geboden te zwaar en te lastig zouden zijn, inzonderheid voor de Chris^tenen, die onder de Wet der genade staan.
Calvijn noemt dat terecht een verkorting van de Wet. Hij wijst er in het bijzonder op, dat het gebod zeer nadrukkelijk de liefde tot den naaste vordert.
Men zal den hongerigen vijand spijze geven. (Spr. 25 vers 21). Men zal zijn ossen en zijn ezels terecht brengen als ze op een vreemden weg zijn afgedwaald. (Exod. 23 vers 4).
Wat een-gebod of niet, zoo vraagt hij, en kunnen wij de dieren van den naaste terecht brengen zonder den eigenaar goedgunstigheid te bewijzen?
Is het dan niet een eeuwigdurend Woord des Heeren : Mijne is de wrake en de vergelding ? (Deut. 32 vers 35). Gij zult*geen wraak zoeken, en ook het ongelijk, u en uw medeburgers aangedaan, niet gedachtig zijn. (Vgl. Lev. 19 vers 18).
Of men moet deze dingen uit de Wet schrappen, zoo zegt Calvijn, óf men moet bekennen, dat de Heere de Wetgever is en niet maar een Adviseur.
Verder wijst hij op het woord der Heilige Schrift: Hebt uwe vijanden lief, zegent ze, die u vervloeken, doet wèl degenen, die u haten, bidt voor degenen, die u geweld aandoen en die u vervolgen, opdat gij kinderen moogt zijn uws Vaders, die in de hemelen is. (Matth. 5 vs. 44, 45).
Dit zijn geen adviezen, die men in overweging kan nemen om te doen of niet te doen, maar geboden.
Wat blijft er over, zoo vraagt Calvijn, als wij uit hst getal der kinderen. Gods worden uitgeroeid ? Dan zouden de monniken alleen Gods kinderen zijn. Maar wat is dan de kerk ?
Die zal dan een vergadering van heidenen en tollenaars zijn.
Christus zegt; Indien gij liefhebt, die u liefhebben, wat loon hebt gij ? (Matth. 5 VS. 46). Doen niet de tollenaars desgelijks ? Kan het ons welgaan, als men ons den naam van Christenen laat behouden, maar het erfdeel van het Koninkrijk der hemelen ontneemt ?
Zonder twijfel is het zwaar voor ons, zwakke menschen. God lief te hebben met geheel ons hart en met geheel onze ziel en met alle krachten. Wat kan men noemen, dat voor den mensch zwaarder is ?
Gewis is het zwaar, alle wraakgevoel en vijandschap af te leggen. Ja, het geringste deel der Wet is waar voor ons, zwakke menschen.
Het is de Heere. die krachten geeft. Die geeft, wat Hij gebiedt, en gebiedt, wat Hij wil.
De Christenen zijn onder de genade, maar dat beteekent niet, dat zij zonder de Wet zullen leven, maar dat zij Christus ingelijfd zijn, door Wiens genade zij vrij zijn van den vloek der Wet, door Wiens Geest zij de Wet in de harten geschreven hebben.
Paulus spreekt bij vergelijking van de Wet der genade, doch dat neemt de Wet der geboden niet weg.
Een andere dwaling schuilt in de onderscheiding van vergefelijke zonden. Dat zou betreffen de verborgen goddeloosheid tegen de eerste tafel en de zonde tegen het tiende gebod, en wordt als volgt verdedigd : Het geldt hier een booze begeerlijkheid zonder opzettelijke toestemming.
Uit het voorafgaande is duidelijk, dat zulk een uitvlucht geen grond Heeft. Let men alleen op den eisch, den Heere te dienen met de gansche ziel, met het gansche hart en geheel ons verstand, dan behoeft het geen woord meer, dat deze Roomsche onderscheiding verwerpelijk is.
Doch wat houden , wij ons bezig met deze en dergelijke dwalingen, terwijl er onder ons, gereformeerden, zooveel ernstige dwaling is op het stuk van de waardeering der Wet en der geboden des Heeren. Hoe weinig wordt daarbij ernstig stilgestaan, dat de bezoldiging der zonde is de dood. Hier is geen onderscheiding van vergefelijke en doodzonde. Zulk een onderscheiding kent Paulus niet. (Rom. 6 : 23). Zoo is daar geen zonde, die den dood niet verdient.
Niemand onzer zal dit tegenspreken, maar, waar is de vreeze Gods, die ons uitdrijft tot de werken des geloofs en der liefde ? Veeleer vertoont ons leven een beeld, alsof wij eigenlijk alle ongerechtigheid en alle overtreding van Gods geboden voor vergefelijke zonden zouden houden, zoodat er geen oordeel schijnt te bestaan. Dat is een zorgeloosheid en goddeloosheid, welke uit de vreeze Gods niet geboren wordt en waarmede Gods kinderen geen vrede kunnen hebben. Zij weten, dat de zonden vergefelijk zijn, doch niet, omdat de zonden op zich zelf niet veroordeeld en als een oorzaak des doods zouden wezen, doch, omdat zij door de barmhartigheid Gods vergeven worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's