MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Dagen aaneen stond de hit op stal en scheen zijn meester soms vragend aan te kijken, alsof hij zeggen wilde : „Wordt het geen tijd, dat wij samen weer den boer opgaan, om zaken te doen ? " De dokter en vrouw Kalma, maar vooral Pleuntje stonden er op, dat eerst het voorjaar in het land moest zijn en het lentezonnetje heerlijk moest koesteren, vóór hij weer geregeld bij den weg kon komen.
„Je hebt het erg te pakken gehad", zei de dokter, „als je weer zoo'n klap krijgt, geen ik geen duit meer voor je leven. Oppassen is daarom de boodschap".
Toch gingen deze tijden niet nutteloos voorbij. Een werkzame geest als die van Murk, vindt altijd wel iets te doen, waar nog bij kwam, dat in stilte plannen voorbereid werden, van welke slechts enkele ingewijden iets afwisten.
Op een avond, kort na de crisis, welke Murk met Gods hulp boven verwachting doorworsteld had, zaten Siderius en zijn vrouw samen te praten. Pleuntje was met Dirkje van „Bornia-State" uitgegaan, elk voor eigen aangelegenheden, om eerst tegen bedtijd thuis te komen, en Bouke had andere zaken. Als gewoonlijk, ging het gesprek over Murk. Zoowel de boer als de boerin had het gevoel, dat hij zich dien bewusten avond, toen hij hier in dat gure weer gekomen was, ten einde den vrede te herstellen, om hunnentwil had opgeofferd en mede daardoor die ernstige longontsteking had opgedaan. Daarom ook vooral hadden zij zoo'n belangstelling getoond tijdens zijn ziekte, maar waren ook zoo blij, toen hij weer werd opgericht.
„Weet je waf ik al eens gedacht had ? " begon Siderius tegen zijn vrouw, „Nu ? "
„Dat Murk niet meer met den wagen het veld in moet. Dat is niets meer voor hem, en ik vrees, dat hij dan spoedig weer van de been ligt".
„'k Geloof het wel met je. De reizen zijn hem te zwaar en dan in alle weer en wind. Was hij nu een man, die met de omstandigheden wat meer rekening hield, maar hij meent, dat hij er ook altijd dóór moet, al zie je niemand op pad".
„'t Is zijn karakter. Hij wil niemand ongelijk aandoen en meent, dat de menschen het hem vreeselijk kwalijk zullen nemen als hij wel bij de een en niet bij den ander komt. Daarom heb ik al gedacht, dat wij maar eens wijzer moesten wezen".
„Hoe bedoel je dat ? "
„Gisteravond is het winkelhuis van Brandsma in de Hoofdstraat provisioneel verkocht en staat in mijn oog laag beschreven. De strijkgeldschrijvers zitten er mee, en ik verwacht, dat er niets bij komt. Wie moet dat huis hebben ? Gegadigden zijn hier niet. Om het voor een gewoon burgerhuis te vertimmeren, daartoe worden de kosten veel te hoog en bovendien is het daarvoor ook veel te groot. Dat was een mooi pand voor Murk".
Thans legde de boerin de courant neer, welke zij bezig was te lezen.
„En wat wou je dan ? " vroeg zij.
„Eerst Murk eens polsen, hoe hij daarover denkt en als hem dit leek, dan naar den notaris gaan, om onder geheimhouding hem te zeggen, dat wanneer er niet meer opgelegd wordt, dan bijvoorbeeld hoogstens honderd, gulden, het huis voor mij is. 't Kan wel door een ander gekocht worden voor na te noemen lastgever".
Dat werd een punt van overweging. Vrouw Siderius was, als het er aan toe kwam, nog meer aan 't geld gehecht dan de boer. Weliswaar, kregen zij waarde voor hun geld, doch zij hield niet van huizen koopen. Alle jaren of om de twee jaar, een stukje land bij de boerderij, en anders solide papieren aanschaffen, dat was beter. Maar hier werd een plan geopperd in het belang van Murk, wien zij dit wel gunde, altijd aangenomen, dat het zijn eigen begeerte zou zijn en hij 't aandurfde op zoo'n stand een winkelzaak te openen. Evenwel kwam daar nóg wat bij. Als dit doorging, zou er ook méér verandering komen, waar zij tegen opzag.
„Dan raken wij Pleun ook kwijt", sprak zij.
„Die kan je toch niet ten eeuwigen dage bij je houden ; en bovendien gun ik het haar ook, dat zij eigen schoorsteen eens rooken ziet".
„Wat zullen de menschen zeggen, wanneer wij dat pand koopen ? "
„Wat de menschen zeggen zullen ? Dat laat mij onverschillig ! Wij zijn er toch zeker goed voor ? " „'k Zou er toch eerst eens met onze Jans en haar man over spreken".
„Daar heb ik geen bezwaar tegen, als het dan maar niet verder gaat ; doch vóór alle dingen is het noodig, dat wij het hierover eens zijn". Als allen d'r mee accoord gaan, heb ik geen bezwaar ; alleen zie ik er tegen op onze Pleun te moeten missen".
„Dat staat je toch vroeg of laat te wachten, en die stakkerd heeft ook genoeg bij een ander rondgescharreld. Als het wezen zal, dan wordt het tijd, dat zij haar eigen huishouding krijgt".
Hiermede was dit gesprek op „Lucht en Veld" afgeloopen ; doch den volgenden dag werd het in het kamertje van Murk voortgezet. Met verheerlijkt gelaat luisterde deze naar den voorslag van Siderius.
„'t Is al lang mijn wensch geweest", antwoordde hij, toen de boer was uitgesproken, „maar mijn ziekte is oorzaak, dat ik hier in 't geheel niet meer over dacht. Mijn zaken zijn daardoor geheel in de war gestuurd, zoodat ik eigenlijk niet weet, hoe hier weer orde in te brengen".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's