De Heidelbergsche Catechismus
naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (11)
Over de zonde in het algemeen.
Hierbij doet men gewoonlijk deze vragen: I. Bestaat er zonde ; of waardoor is het voor ons duidelijk, dat zij in de wereld en ook in ons bestaat ? II. Wat is zonde ? III. Hoevelerlei zonde is er ? IV. Vanwaar is : zij ; of welke zijn haar oorzaken ? V. Welke gevolgen heeft ze ?
I. Bestaat er zonde in ons ?
Dat de zonde in de wereld en in ons is, daarvan worden we op verschillende wijze overtuigd. Ten eerste : Gods streng oordeel verklaart ons allen voor schuldig aan de zonde. En indien God, die de hartenkenner en de Waarachtige is, het verzekert, moeten wij het gelooven. Gen. 6:5; 28 : 21 ; Jer. 17:9; Rom. 1 : 21 ; 3 : 10 ; 7 : 1 ; Ps. 14 en 53 ; Jes. 59. Ten tweede : Uit de Wet Gods wordt de zonde volkomen gekend. „Door de Wet is de kennis der zonde". Rom. 3 : 20 ; 4 : 15 ; 5 : 20 ; 7 : 7. Ten derde : Het geweten overtuigt van zonde. Want behalve de geschrevene Wet, heeft God ook zeker bekendheid met de natuurlijke wet in ons verstand bewaard, en dat is genoegzaam om ons te beschuldigen en te veroordeelen. Rom. 1 : 19, 20. Zoo betoonen zelfs de heidenen bet werk der wet, geschreven in hunne harten en hun geweten geeft mede getuigenis, en de gedachten onder elkander beschuldigen hen of ontschuldigen hen. Rom. 2 : 14, 15. Ten vierde : De straffen en de dood, waaraan alle menschen onderworpen zijn, bewijzen dat de mensch een zondaar is, want God legt deze dingen niet op, als er geen overtreding en geen schuld is.
„En alzoo de dood tot alle menschcn doorgegaan is, daarom omdat allen gezondigd hadden". Rom. 5 : 12 ; 6 : 23 ; Deut. 27 : 26.
Hel beantwoorden van deze vraag : „Bestaat er zonde en waardoor is het voor ons duidelijk, dat de zonde in de wereld is en ook in ons bestaat" — heeft dit nul : 1. Dat wij reden hebben tot eeuwige vernedering en boete. 2. Dat wij de dwalingen verwerpen der Wederdoopers èn der Vrijzinnigen, die ontkennen dat ibij hen zonde is, daarmee in strijd komend mei het Woord van God : „indien wij zeggen, dat wij geene zonden hebben, zoo misleiden wij onszelven en de waarheid is in ons niet", 1 Joh. 1 : 5. Deze loochening geschiedt dan ook tegen alle ervaring in. Zij leven toch óók in zonden, en heelen; hel te liegen. Zij zijn toch ook onderworpen aan ziekten en aan dood en dal zou in strijd zijn met het recht, want waar geen zonde is, daar heerscht ook de dood niet.
Het Evangelie leert ons altijd, onze gerechtigheid niet bij ons zei ven, maar buiten ons zelven en bij Christus te zoeken, en daarin getuigt het dan, dat wij zondaren zijn. En zoo is er dan ook niet alleen kennis van zonde uit de Wet, maar óók uit het Evangelie. Echter treedt de Wet veel meer in bijzonderheden en als de Wet ons heeft geleerd, dat wij zondaars zijn, neemt het Evangelie dit beginsel over en dringt er op aan, dat wij, omdat wij in ons zelven zondaars zijn, onze gerechtigheid buiten ons zelven en wel bij Christus moeten zoeken, om behouden te worden. Zoo werken Wet en Evangelie saam, om ons te overtuigen van zonde en oordeel en ons te brengen het wondere Evangelie der genade en verlossing.
Op vijf manieren leeren we dan nu, dat de zonde in ons is : 1. Uit het getuigenis Gods. 2. Uit de Wel Gods, die het ons in beginsel en in bijzonderheden wijst. 3. Uit het Evangelie, dat 'het meer in het algemeen ons aantoont. 4. Uit het gevoel van ons geweten. 5. Uit de straffen, die God, omdat Hij rechtvaardig is, slechts wegens de zonden toedient.
II. Wat is zonde?
Zonde is ongerechtigheid (1 Joh. 3 : 4), of iets, dat strijdt met de Wet Gods ; dat is : een gemis van iets of een neiging 6f een handeling, die in strijd is met Gods Wet. Daardoor is de zonde iets, dat God beleedigt en het schepsel den eeuwigen toorn Gods schuldig maakt, tenzij er vergeving geschiede om de wille van den Zoon van God, den Middelaar. De aard of hel inwendige van de zonde is een gemis, een neiging of een handeling. Het uitwendige of de vorm is : het strijden met de Wet Gods, het overtreden van Zijn gebod, wat Johannes ongerechtigheid, wetsovertreding, wetteloosheid noemt. Bij de zonde komt dan als iets noodzakelijks : de schuld van het schepsel, dat zondigt. Daarom is de zonde dubbel : strijd met Gods Wel en schuld of verplichting tot straf.
Nu ligt het niet in den aard van de zonde om vergeving te ontvangen, wel om straf te ontvangen. Daarom is de straf natuurlijk en welverdiend, maar de vergeving is wat er uit gunst en uit genade bij komt. Het is dan ook iets, dat er bij komt : dat wie in Christus gelooft, niet met den eeuwigen dood wordt gestraft, omdat de zonden hem ter wille van Christus, niet worden toegerekend en uit genade vergeven.
Bij den mensch is gemis of gebrek. Gemis aan liefde tot God en den naaste ; gemis aan de vreugde in God en hel vurig verlangen en de begeerte om God naar al Zijn bevelen te gehoorzamen. Gebrek om gehoorzaam te zijn en verkeerde neigingen, om in ons hart en in onzen wil Gods Wet te verachten en niet wel te onderscheiden, tusschen wat eerlijk en oneerlijk is. Ja, de verdorvenheid des harten en de neiging der natuur is bij ons, om te doen wat God verbiedt en na te laten, wat God gebiedt. Er is bij ons de begeerlijkheid naar het kwade.
Dat dit gemis en deze onbehoorlijke neigingen zonden zijn en door God veroordeeld worden, blijkt : Ten eerste uit de Wet Gods, die dit gemis en deze neigingen uitdrukkelijk veroordeelt, daar zij zegt : „Vervloekt, enz." Deut. 27 : 26. , , Gij zult niet begeeren". Ex. 20 : 27.
De Wet vordert het goede van den mensch, met volkomen kennis en liefde tot God en den naaste. Want zij zegt : „Gij zult liefhebben den Heere uwen God met geheel uw hart". Deut. 6 : 5. „Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God". Joh. 17 : 3. Exod. 20 : 3.
Behalve uit de Wet, weten we in de tweede plaats uit tal van getuigenissen der Schrift, dat dit kwaad als zonde moet worden bestraf!. „Want het gedichtsel van 's menschen hart is boos van zijn jeugd aan". Gen. 8 : 21. „Arglistig is het hart, meer dan eenig ding, ja doodelijk is het ; wie zal het kennen ? Jer. 17:9; Rom. 7:7; Joh. 3 : 5 ; 1 Cor. 2 : 14 ; 15 : 50 ; Rom. 1 : 21 ; 8 : 6. En in de derde plaats weten we het uit de straffen en den dood der kleine kinderen die, al doen ze noch kwaad noch goed en al zondigen ze niet in de gelijkheid der overtreding van Adam, toch zonde hebben, omdat de dood heerschappij voert over hen.
Dit alles tesaam genomen, vormt de blindheid en de afkeerigheid onzer natuur van Go.1. Verontschuldiging is nu niet, dat wij niet anders kunnen dan zondigen, want de Schrift leert ons, dat het bedenken des vleesches zich aan de Wet niet kan onderwerpen, maar dat dit aan de vervloeking onderworpen is, naar Gods heilig recht.
En allerminst moet men gaan zeggen : dat onze natuur goed is, want dat we goed geschapen zijn. Want zéér zeker was onze natuur goed vóór den val : „God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet het was zeer goed". Gen. 1 : 26. Maar hoe goed onze natuur ook uit Gods hand is voortgekomen, nu is zij door de zonde geheel, bedorven.
Zoo ligt de mensch onder de straf Gods en onder die straf ligt de menschheid in de zonde, welke zich zelve straft met zonde. De zonde baart zonde, dragende daarin het oordeel Gods.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's