MEDITATIE
En laat ons onze onderlinge bijeenkomsten niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen. Hebreen 10 vers 25a.
ONZE KERKGANG
Alleenlijk, dit heb ik gevonden: dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht. Dit woord van den prediker geldt op ieder terrein. Het geldt zoowel in als na den val. Men staat verbaasd over de vele uitvluchten, die het arglistig hart weet te bedenken om van zich de schuld of de verantwoordelijkheid af te schuiven. De mensch heeft het ver gebracht in dè kunst om zichzelf, zijn geweten te paaien door het aanvoeren van velerlei redenen tot gerustheid, door het afvijlen van de scherpe kanten der Schriftuurlijke waarheden. Die uitvindsels moeten het bestaan van God als dwaas en redeloos in het licht stellen; moeten de ernst van de zonde, de schrikkelijkheid van den dood, de eeuwigheid van het oordeel ondermijnen.
Niet alleen in anti-kerkelijke, anti-christelijke kringen blijkt de waarheid van het woord van den Prediker ; ook onder ons heeft zijn uitspraak kracht. En in het bijzonder zijn wij geneigd zijn conclusie tot de onze te maken, waar het de kerkgang van, velen, zelfs? van .(gedoopte: -en belijdende lidmaten der Kerk betreft. Menig predikant b.v. zal na een dag, een middag huisbezoek, verzuchten : Prediker, wat wordt uw woord, na zoovele eeuwen, nog telkens bewaarheid!
Het is wellicht niet ondienstig nog eens weer te wijzen op de plicht, het recht en het voorrecht van het kerkgaan. Mogelijk komen deze regelen onder de oogen van dezen of genen, die met de gewoonte van kerkgaan geheel of bijna geheel gebroken heeft. Indien door het lezen van deze meditatie, onder Gods zegen, dit bewerkstelligd mocht worden, dat voor het eerst of bij vernieuwing één menschenkind ging leven naar uitwijzen van de apostolische vermaning, dan zou de moeite van het schrijven er van ruimschoots beloond zijn. De apostel dringt er in de Hebreënbrief dan sterk op aan, dat de christenen onderling toch acht op elkander zullen nemen, niet om elkanders fouten te ontdekken, deze te openbaren en zich in verguizing van den naaste te verheugen, maar tot opscherping der liefde en der goede werken. Dit kan niet beter geschieden dan in en door de onderlinge bijeenkomst. Ge moet, zegt de apostel, elkander niet mijden. Ge behoort bij elkaar. Ge zijt leden van één Lichaam. Én zóó sterk moet de band zijn, dat, als één lid lijdt, alle leden mede lijden. Ach, dat in de practijk van het leven eens meer van de verwerkelijking van dit ideaal gezien mocht worden ! Een onheilige fit- en bedilzucht drijft velen er toe op den naaste acht te nemen, doch het is er verre vandaan dat zulks geschieden zou tot opscherping der liefde en der goede werken. Veroorzaakt het ons smart, wanneer één der onzen verachtert in de genade ? Verheugt het ons, wanneer we bespeuren, dat een ziel geniet onder de prediking des Woord en gaat het ons ter harte, indien daarentegen blijkt, dat een ander vervalt tot een toestand van steeds grooter geésteloosheid? Uiteraard kan in een kleine kring, hetzij in een kleine gemeente, hetzij in een gezelschap van ware, eenvoudige, heilbegeerige zielen, dat na de prediking samenkomt om over de dingen van Gods Koninkrijk te spreken, dat acht nemen op elkander beter tot zijn recht komen, maar deze overweging mag er ons nimmer toe leiden de onderlinge bijeenkomst, waar vele honderden aanwezig zijn, na té laten.
Daar, in de onderlinge bijeenkomst, bidden en danken wij. Daar worden de sacramenten bediend; daar wordt bovenal het Woord verkondigd. Het is zoo noodig, dat wij dat Woord thuis lezen, op onze vereenigingen onderzoeken, maar niet het minst in de kerk hooren verkondigen. Op dat levende en krachtige Woord van God, scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, dat doorgaat tot de verdeeling der ziel en des geestes, der samenvoegselen en des mergs, moeten we acht hebben! De prediking mag nooit in een gemoedelijk praatje ontaarden, doch moet altijd zuivere verkondiging van het Woord zijn. En niet dan tot groote schade van onze ziel, zullen wij de onderlinge bijeenkomst verzuimen. Dan houden wij het 4de gebod, indien wij o.a. inzonderheid op den sabbath, tot de gemeente Gods naarstiglijk komen. En nu is het merkwaardig, hoeveel listen de mensch weet te bedenken, om zich aan deze eisch der Schrift, aan de plicht tot kerkgaan, te onttrekken. Ik vraag me wel eens af: is het dan zoo verschrikkelijk om anderhalf uur in de kerk door te brengen ? Sommigen gaan met looden schreden naar het Huis des Heeren, alsof zij ter gerichtsplaats schrijden. Liever verdoet men uren door zich bezig te houden met beuzelingen, ijdelheden dezer wereld; liever verveelt men zich op straat of weg, dan met de gemeente op te gaan naar de voorhoven Gods. Vrouwen zien een boos gezicht van hun mannen, wanneer zij hen 's Zondagsmorgens wekken om tijdig in de kerk te kunnen zijn. Kinderen vergeten zich en grauwen de ouders af, indien tot hen de aansporing komt zich voor de kerkgang in gereedheid te brengen. Nooit schijnt het bed meer te trekken, dan juist 's Zondagsmorgens. Is kerkgaan dan zulk een zware taak ? Waarom is het voor velen een last en geen lust? Afgedacht nog van het eeuwig welzijn, dat een gaarne getrouwe dienstknecht Gods allereerst voor zijn hoorders beoogt, worden toch in de onderlinge bijeenkomst altijd wel eenige dingen gezegd, die stof tot nadenken leveren. Nu eens wordt een opmerking gemaakt over een maatschappelijke vraag, dan weer wordt iets uit de kerkgeschiedenis aangehaald. Een preek behelst over 't algemeen iets voor hart èn hoofd.
Waarom toch is er bij velen vaak zoo weinig begeerte om op te gaan? De beantwoording van deze vraag laat ik maar aan uzelf over.
Wat is het een kostelijk gezicht, heele gezinnen te zien opgaan! Alles is 's Zaterdagsavonds in gereedheid gebracht en in een gezegende rust gaan „de stammen op, tot Sions Godgewijde top". Welgelukzalig de mensch, die 't zeggen kan: ik ben verblijd, wanneer men mij, godvruchtig opwekt. Zie, wij staan gereed om naar Gods Huis te gaan. Hij zal zijn medereiziger naar de eeuwigheid gaarne opwekken : Kom, ga met ons, en doe als wij!
Gelukkig, er worden er nog altijd gevonden, die iets verstaan van des dichters woord : Mijn ziel is begeerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren; mijn hart en mijn vleesch roepen uit tot den levenden God.
Evenwel: de gezochte vonden zijn vele ! Inplaats hiervan dat men dankbaar iedere gelegenheid aangrijpt om het Woord te hooren verkondigen — hoe spoedig kan wegens ziekte, overplaatsing naar een ontkerkelijkte streek, enz. enz., het aan gelegenheid ontbreken — bedenkt de mensch uitvluchten om zich aan den eisch der Schrift te onttrekken. Nu eens is het te koud, dan weer te warm. Soms verbeeldt men zich, geen gevoegelijke kleeding te hebben of kan men niet opgaan, omdat een bepaald persoon eveneens aanwezig zal zijn. Als geen reden ontleend wordt aan de persoon, , het karakter van den voorganger, beweert men zich aan 's mans leer te ergeren. Of, simpeler nog : 't kerkgebouw, de banken maken het bezoeken van de onderlinge bijeenkomst onmogelijk. En onder degenen, die dan nog komen, worden er gevonden, die zich een oordeel kerken, omdat zij slechts komen om te zien en om gezien te worden, om koopmanschap te bedrijven, om — en dit geldt voornamelijk het jongere geslacht — te giebelen en te wauwelen. Niemand zal het een man of vrouw van buiten, in de drukste tijd van het jaar, wanneer voor een landbouwer de nachten zoo heel kort zijn, kwalijk mogen nemen, indien, hoezeer er ook tegen gevochten wordt, de slaap de oververmoeide overvalt. Maar sommigen komen met de vooropgezette bedoeling, om te slapen in de kerk, en het is ook met het oog op hen, dat ik - zeg : zij kerken zich een oordeel, een oordeel van steeds dieper verharding, een verharding die, als God het niet verhoedt, tenslotte op een eeuwige dood uitloopt.
Het Woord eischt niet het onmogelijke. Het is uitgesloten, dat ieder tweemaal naar de kerk gaan kan. Ik denk aan zwakken en ouden, moeders van groote gezinnen, bepaalde groepen van arbeiders. Er zijn wettige redenen van verhindering. Er zijn gestellen, die een vertoeven in een onverwarmd kerkgebouw niet verduren; er zijn menschen, die onmogelijk in een samenkomst van eenige honderden personen kunnen verblijven. Er kunnen perioden in ons leven zijnen, waarin een kerkgang te veel van onze zenuwen vergt.
Doch over het algemeen zijn het vonden, die de mensch zoekt om zich te onttrekken aan het bevel van den Heere der Heeren, aan 't hoog gebod, 't recht van Jacobs God.
„Onderlinge bijeenkomst" kan ook vertaald worden als onze eigen godsdienstige samenkomst, en dan is dit de bedoeling, dat wij ons houden zullen daar, waar wij behooren. Vooral onder ons. Hervormden, zijn er velen, die zoo bitter weinig kerkelijk besef hebben. Zij gaan maar, waar hun ziel voedsel vindt! Voor een enghartig kerkisme moeten we ons wachten. De ééne, heilige, algemeene christelijke Kerk, is over de verschillende kerkelijke groepen en schakeeringen verdeeld. Doch het is ergerlijk en onschriftuurlijk, wanneer men vergeet, dat men eens belijdenis des geloofs in de Hervormde Kerk aflegde en beloofde te ijveren voor de bloei van het Godsrijk in het algemeen en voor de Hervormde Kerk in het bijzonder. Het zijn niet de leden, aan wie men het meest heeft, die van hier naar ginds zwerven. Eenigen tijd wordt met een voorganger gedweept; dan verrijst in een andere kerk een nieuwe ster, bij welke het licht van de eerste verbleekt. En hij, die tot de hemel verhoogd werd, wordt nu tot de hel nedergestooten. Ik heb nog niet veel anders dan narigheid van deze kerkelijke levenshouding gezien, en ik geloof, dat dergelijke zwervers zichzelf met vele smarten doorsteken. Beter is het, zich bij eigen kerk en eigen gemeente en eigen voorganger te houden, al spreekt het vanzelf, dat het onmogelijk is de beginselen te streng en te strak door te voeren.
Het nalaten van de onderlinge bijeenkomst is een oud kwaad. Als we er in de kerk voor waarschuwen, hooren vaak juist zij het niet, die het zich het meest moesten aantrekken. Mogelijk treft de geschreven vermaning doel! Ik ontmoet zoo vaak menschen, die niet uitgesproken vijandig staan tegenover de kerk, maar ze hebben zich de kwade gewoonte aangewend om 's Zondags thuis te blijven. De slof is er in gekomen. Welnu, breek met deze kwade gewoonte ! „Het zit 'm niet in het naar de kerk gaan". Zit 't 'm dan wel in het niet naar de kerk gaan ? Kerkgaan moet méér zijn dan een gewoonte: een lust, een begeerte. De gewoonte zij geen sleur, maar oefene een gezegende invloed. De Heere Jezus ging naar Zijn gewoonte op den dag des Sabbaths naar de synagoge. De gewoonte zij een heilige gewoonte. De trouwste kerkganger is en gaat zonder hartvernieuwende genade verloren.
Dit nu wordt in de onderlinge bijeenkomst gepredikt. Stel u in den weg der middelen. De Heere werkt altijd middellijk. Onder de hamerslagen van het woord mocht uw hart versplinterd worden. De zon maakt wel het leem hard, doch doet sneeuw en was smelten. De prediking is wel sommigen een reuke des doods ten doode, maar anderen een reuke des levens ten leven. Nog bezitten wij het recht, het maatschappelijk, burgerlijke recht om kerk waarts te gaan. Eens was dat anders. Denk aan de eerste eeuwen van het bestaan van de Christelijke Kerk, denk aan den tijd der Kerkhervorming. We mogen nu nog God dienen naar onze consciëntie. We mogen nog zeggen, wat wij achten de waarheid te zijn. We behoeven geen blad voor de mond te nemen. Er is in ons land vrijheid van godsdienst. Hoe lang nog ? Wat zal ook in dit opzicht de toekomst baren ? We kunnen thans nog langs de openbare wegen de kerken bereiken. Er is geen noodzaak zich te verzamelen in afgelegen, verborgen plaatsen. Waardeer het toch, dat ge het recht om de onderlinge bijeenkomst te bezoeken nog hebt! Door onze zonden hebben wij het oordeel Gods verdiend. Indien ook hier andere toestanden kwamen, zouden wij den Heere niet van onrecht kunnen betichten. De zonde van land en volk, maar ook die van de Kerk schreit ten hemel. Het is slechts aan Gods lankmoedigheid te danken, dat wij het recht nog bezitten de onderlinge bijeenkomst te bezoeken op klaarlichten dag, in het openbaar!
Maar besef toch bovenal het voorrecht, dat ge daarin bezit. Waar heeft een levendgemaakt mensch het beter dan juist in Gods woning ? Wat blijdschap smaakt mijn ziel, wanneer ik voor U kniel, in 't Huis dat Gij U hebt gesticht, jubelt de psalmist. En David spreekt dit als zijn hoogst, zijn eenig verlangen uit: al de dagen zijns levens te mogen wonen in het Huis des Heeren, om de lieflijkheid des Heeren te aanschouwen en te onderzoeken in Zijn tempel. Daar, in de onderlinge bijeenkomst wordt het gepredikt, dat er heil is voor alles verbeurdhebbende, doemwaardige zondaren. Heil in Christus ! God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende. De Heiland is gekomen om te zoeken en te zaligen, wat verloren is.
Daar, in de onderlinge bijeenkomst, slaat het Woord wonden, maar heelt ze tevens.
Dat is kerken, indien 's Heeren redenen de ziel zoo zoet mogen zijn, dat geen honing of honingzeem ,,'t gehemelt" beter zouden kunnen smaken en het „Amen" niet met een ,,gelukkig" maar: „nu al" wordt begroet. En Gode zij dank — we moesten klagen over veel onverschilligheid en sleur en gewoonte-godsdienst —er worden er toch hier en daar en overal nog wel gevonden voor wie heerlijke werkelijkheid werd en is : Hoe lieflijk, hoe vol heilgenot, o Heer der legerscharen God, zijn mij Uw huis en tempelzangen ! Hoe branden mijn genegenheên. Om 's Heeren voorhof in te treên, Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen, Mijn hart roept uit tot God, die leeft. En aan mijn ziel het leven geeft. Eén dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders !
Mogen velen van hen, die deze regelen gelezen hebben, bij ervaring iets kennen van dit rein geestelijk genot en behage het den Almachtige nog meerderen in de onderlinge bijeenkomst der gemeente een voorsmaak te geven van de lieflijkheên van 't zalig hemelleven, die Gods rechterhand eeuwiglijk al Zijn gunstgenooten schenken zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's