De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

8 minuten leestijd

Luthers verklaring van Paulus' brief aan de Galaten.
Schrijver ; lezers : qroet ; hoofdstuk 1 vers 1—5 (IV).
En al de broeders, die met mij zijn, aan de gemeenten in Galatië, vers 2. Ook de woorden : „en al de broeders, die met mij zijn" dienen er toe, om de valsche leeraars terug te dringen. Want heel Paulus' beloog is er op gericht, om zijn ambt te prijzen, en er hoogelijk. van op te geven. De valsche leeraars daarentegen wil hij verdacht maken, wanneer hij als het ware zegt : hoewel het duidelijk genoeg is, dat ik door een Goddelijke roeping als apostel gezonden ben door Jezus Christus, als ook door God den Vader enz., — zoo voeg ik er ten overvloede nog aan toe, opdat gij zien zult, dat ik niet alleen sta : „en al de broeders, die met mij zijn". Weliswaar zijn zij geen apostelen, maar toch zijn ze mijn mede-arbeiders, die met mij dezen brief schrijven, en betuigen, dat hetgeen ik leer waarachtig en Goddelijk is. Daarom weten wij heel zeker, dal Christus bij ons is, en dat Hij in onze Kerk spreekt en onderricht geeft.
En wat de valsche apostelen betreft : wanneer zij nog iets zijn, dan zijn ze toch maar door menschen gezonden.
Ik echter ben door God den Vader en door Christus gezonden, Die het Leven en de Opstanding is.
En mijn broeders hebben van Godswege een roeping door een mensch : namelijk door mij. Opdat zij echter niet zullen zeggen, dat ik mij als eenling hoven velen verhef, — daarom wijs ik op mijn broeders, die met mij eens geestes zijn. Ook zijn ze trouwe getuigen, die eenzelfde gevoelen toegedaan zijn als ik, terwijl zij eveneens hetzelfde schrijven en leeren.
Tot hiertoe ging het over den aanhef van den brief.
Nu volgt, aan wie hij geadresseerd is.
Aan de gemeenten in Galatië.
Door heel Galatië heen had Paulus hel Evangelie verkondigd. Hoewel hij niet het heele gebied tot Christus bekeerd had, — toch waren er daar vele gemeenten ; doch in alle waren de dienaren van Satan, de valsche apostelen, binnengeslopen.
Zoo komen ook heden ten dage de dwaalgeesten niet ter plaatse, waar de tegenstanders van het Evangelie heerschappij voeren, maar waar christenen en weldenkende lieden wonen, die het Evangelie liefhebben. Waarom begeven zij zich niet liever naar steden, landen en vorstendommen van papisten, om daar, evenals wij gedaan hebben met ónze leer, de hunne te belijden en te verdedigen ten over­ staan van goddelooze vorsten, bisschoppen en leeraren aan hoogescholen ? Maar die weeke martelaars willen zich niet in gevaar begeven, maar gaan daarheen, waar het Evangelie vasten voet heeft verkregen, en waar zij dus rustig en vredig kunnen vertoeven.
Evenzoo kwamen de valsche apostelen niet op eigen gevaar tot Kajaphasi te Jeruzalem, tot den keizer te Rome, of naar andere plaatsen, waar te voren niemand gepredikt had, gelijk Paulus en de andere apostelen hebben gedaan, maar zij togen naar Galatië, dat door Paulus' arbeid, die niet zonder gevaar verricht was, reeds voor Christus bewerkt en gewonnen was. Naar Azië, Korinthe en andere plaatsen gingen zij, waar voortreffelijke christenen woonden, die niemand vervolgden, doch in lijdzaamheid zelf vervolgingen doorstonden. Daar konden de vijanden van Christus' kruis onder de rustigste omstandigheden, zonder vervolging, hun spel spelen.
Leer dus hier, dat dit het lot van vrome predikanten is, dat zij niet alleen vervolgingen hebben te lijden van de zijde der goddelooze en ondankbare wereld, en slechts, met veel inspanning en groot gevaar gemeenten kunnen stichten, maar dat zij ook moeten aanzien, dat hetgeen zij na langen tijd door middel der zuivere leer hebben opgebouwd, in een oogenblik door dwaalgeesten, onder den voet geloopen wordt. Deze tegenslag berokkent den vromen dienaren des Woords méér leed, dan een vervolging, die hun door tirannen wordt aangedaan.
Wie dus niet in verachting wil staan, en geen kwalijke bejegeningen wenscht te verdragen, — laat die geen dienaar van hel Evangelie worden. En als hij het soms reeds is, — laat hij dan zijn ambt aan een ander overdoen.
Hetzelfde ervaren wij in dezen tijd. Maar ; het is ons tot troost, en wij beroemen er ons op, dat wij, als zijnde door God geroepen, de belofte des eeuwigen levens hebben, en het loon mogen verwachten, dat geen oog gezien, en geen oor gehoord heeft, en dat in geen menschenhart is opgeklommen. Want wanneer Hijzelf, als de opperste Herder der schapen verschijnen zal, namelijk de Heere Jezus Christus, — dan zullen wij de onverwelkelijke eer kroon ontvangen ; doch ook hier zal Hij ons niet van honger en dorst laten omkomen.

Over de Kerk.
De heilige Hierongmus werpt hier een belangrijke vraag op, namelijk deze : waarom schrijft Paulus aan de gemeenten in Galatië, terwijl zij toch eigenlijk geen gemeenten in den waren zin van het woord zijn ? Want, zoo zegt hij, Paulus schrijft aan de Galaten, die afgevallen zijn, en die zich van Christus en Zijn genade hebben afgewend, om weer terug te keeren tot Mozes en de Wet.
Hierop antwoord ik : Paulus noemt ze : „gemeenten in Galatië". Hij neemt hier een gedeelte voor het geheel, hetwelk in de Heilige Schrift wel meer geschiedt. Bijvoorbeeld, wanneer Paulus aan de Korinthiërs schrijft, en zegt : „Ik dank mijnen God allen tijd over u, wegens de genade Gods, die u gegeven is in Christus Jezus ; dat gij in alles rijk zijt geworden in Hem, in alle rede en alle kennis". (1 Kor. 1 vers 4 en 5). Toch waren velen van hen door valsche apostelen verleid, en er waren zelfs lieden, die niet geloofden in de opstanding der dooden.
Derhalve is een gemeente een „gemeente", ook al wordt zij gevonden onder een krom en verdraaid geslacht, gelijk Paulus in zijn brief aan de Filippensen zegt (hoofdstuk 2 vs. 15).
Hoewel de stad Rome er erger aan toe is, dan Sodom en Gomorra, — toch blijven ook daar doop en avondmaal, het Woord en de inhoud des Evangelies, de Heilige Schrift en het predikambt, de Naam van Christus en die van 'God bestaan. Wie aan deze dingen deel heeft, die heeft er deel aan ; en wie er géén deel aan heeft, die is niet te verontschuldigen, want de schat is aanwezig.
Daarom is ook de Roomsche Kerk heilig ; want zij heeft Gods heiligen Naam, het Evangelie, den Doop, enz. Wanneer een volk deze dingen bezit, dan wordt het heilig genoemd. Zoo zijn ook onze stad Wittenberg en wij heilig, aangezien wij gedoopt, door God geleerd en geroepen zijn, en omdat wij deel hebben aan de tafel des Heeren.
Ik zeg dit alles daarom, omdat wij de christelijke heiligheid wèl van de niet-christelijke hebben te onderscheiden. De monniken hebben hun orden heilig genoemd (van zichzelf durfden zij dat niet zeggen, omdat zij het niet zijn). Want de christelijke heiligheid is niet een feitelijke, maar een lijdelijke heiligheid. Laat daarom niemand zich op grond van zijn levenswijze heilig noemen, evenmin om zijn werken, wanneer hij vast, bidt, zijn lichaam geweld aandoet, den armen aalmoezen geeft, enz. Want als zoo iemand heilig is, dan zou de Parizeer bij Lucas 't ook geweest zijn (hfdst. 11 vers 18). Weliswaar zijn de werken, die God ons bevolen heeft, goed, en Hij eischt ze van ons op het strengst, maar zij maken ons voor Gods aangezicht niet heilig. Ik en gij, de gemeente, de stad en het volk zijn heilig ; doch niet krachtens zichzelf, maar door de heiligheid van een ander. Er bestaan onder ons namelijk Goddelijke en heilige zaken, te weten : de roeping tot het predikambt, het Evangelie, de doop, enz. Hierdoor worden wij geheiligd.
Al waren de Galaten afgevallen, — toch bleef onder hen de doop, : het Woord en de Naam van Christus bestaan. Ook bleven er lieden, die aan de leer van Paulus vasthielden. Deze hadden van het Woord en de sacramenten het rechte begrip, en zij maakten er een juist gebruik van. Want de doop, het Evangelie enz., zijn niet onheilig, omdat velen ze bezoedelen en onheilig maken, en er goddelooze gevoelens over hebben, maar ze blijven heilig en onveranderd, hetzij ze onder vrome, dan wel onder goddelooze lieden worden aangetroffen. Geen mensch kan ze namelijk ontheiligen of heilig maken.
Derhalve is ook de kerk heilig : zelfs daar, waar dwaalzieke geesten regeeren, mits maar Gods Woord en de sacramenten niet geloochend worden. Is dit wèl het geval, dan kan er geen kerk zijn. De kerk is dus overal, waar het Woord en de sacramenten wezenlijk bestaan, heilig : ook al heerscht de anti-christ daar. Want volgens de Heilige Schrift woont deze niet in een duivelen-stal, ook niet in een zwijnen-kot of te midden van een troep ongeloovigen, maar men treft hem aan op de edelste en heiligste plaats : in den tempel Gods. (2 Thess. 2 vers 4).
Er moet dus een tempel Gods zijn ter plaatse, waar geestelijke tirannen regeeren, en die tempel moet zelfs onder hen in stand gehouden worden.
Daarom antwoorden wij op deze kwestie zeer kort, en zeggen, dat de kerk overal is, waar het Evangelie en de sacramenten gevonden worden. De Joden, Turken en dwaalzieke geesten zijn niet van de kerk, omdat zij haar bestrijden en miskennen. Nu volgt Paulus' groet.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 januari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's