WAT CALVIJN ONS LEERT
Christus onder de Wet bekend geweest.
God heeft onder de Wet door reinigingen en offeranden betuigd, dat Hij een Vader is. Hij heeft het uitverkoren volk in den ouden tijd geheiligd.
Daaruit besluit Calvijn, dat Hij onder hetzelfde beeld ook den vaderen is bekend geweest, in het welk Hij ons in vollen glans verschijnt, m.a.w. in het beeld van den Zoon en Middelaar.
Daarom wil Maleachi, dat de Joden acht geven op de Wet van Mozes en betuigt: dat de Zonne der gerechtigheid zal opgaan. (Mal. 4:2).
De Wet diende tot onderhouding van de verwachting van den Christus, die komen zou.
Petrus zegt; dat de Profeten de dingen bediend hebben, die door het Evangelie verkondigd worden. Hun leer is voor het volk Israels dan ook niet zonder nut geweest, maar zij hebben den vollen schat niet verkregen, dien God ons door hun hand heeft doen toekomen.
Zij hebben getuigd van de genade, die ons voor oogen wordt gesteld, terwijl zij zelf slechts een weinig hebben gesmaakt van wat ons overvloediger wordt aangeboden.
Ook de Christus zelf verklaart, dat Mozes van Hem heeft getuigd, maar Hij zegt tevens, dat de mate der genade, waarmede de Joden werden bezocht grooter is. (Joh. 5 : 46). Zoo ook in Matth. 13 : 16 ; Doch uw oogen zijn zalig, omdat zij zien en uw ooren, omdat zij hooren. En in Lukas 10 : 24 : Want Ik zeg u, dat vele profeten en koningen hebben begeerd te zien, hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren, hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.
Het lijdt dus geen twijfel, dat de openbaring des Evangelies overtreft hetgeen de heilige vaderen, die door een bijzondere godzaligheid boven anderen uitsteken, ten deel is gevallen.
Men zie dan ook geen tegenstrijdigheid in hetgeen van Abraham wordt gezegd, n.l. dat hij met verheuging heeft verlangd naar Christus' dag en dat hij dien dag gezien heeft en is verblijd geweest (Joh. 8 : 56).
Abraham is daardoor versterkt geworden in de hope zijner ziel, hoewel bet nog een duister gezicht is geweest en van verre vergeleken bij het aanschouwen der discipelen.
Nog meer voert Calvijn aan tot verklaring, dat de heiligen van den ouden dag hebben aanschouwd, want zegt hij, dat wordt ook niet te niet gedaan door de uitspraak van Johannes den Dooper, die zegt: Niemand heeft ooit God gezien, de eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard. (Joh. 1 : 18).
Men zou daaruit kunnen nemen, dat Abraham en de andere profeten Hem dus niet hebben gezien, doch hierdoor wordt geenszins weggenomen, dat de ouden in de gemeenschap der kennis van het licht hebben gedeeld.
Heel klaar wordt dit opgehelderd door Hebr. 1:1. God voormaals vele malen en op velerlei wijze tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon.
Zoo is dan Christus ook de Overste Leidsman des geloofs voor degenen, die eertijds in Hem gestorven zijn, en Hij is den Joden bekend geweest, maar dat neemt niet weg, dat er een onderscheid in klaarheid is.
Want toen Christus in Zijn beeld verscheen, heeft Hij zich zienlijk gemaakt in vergelijking met de schaduwen, waarmede Hij tevoren bedekt was.
Het blijkt ook uit Paulus' woord, als hij spreekt van de heerlijkheid van Christus, die zonder eenig bedeksel in het Evangelie blinkt.
Het Evangelie de klare openbaring van Christus.
Ik versta onder het Evangelie de klare openbaring van Christus, zoo schrijft Calvijn.
Ik geef toe, dat Paulus het Evangelie noemt de leer des geloofs, en dat dit begrepen wordt van alle beloften, die in de Wet worden gevonden betreffende de genadige kwijtschelding der zonden, waardoor God de menschen met zich zelf verzoent.
Paulus stelt het geloof tegenover de benauwdheid der consciëntie, indien de zaligheid uit de werken zou moeten worden verkregen.
Daaruit blijkt dus, dat onder Evangelie ook begrepen moeten worden alle beloften, die tot de vaderen zijn uitgegaan.
Calvijn wil echter een bijzondere beteekenis zien in het Evangelie n.l. de verkondiging der genade in Christus. Deze opvatting steunt niet alleen op het algemeen gebruik, maar heeft ook den steun van het gezag van Christus en de apostelen.
Immers Christus heeft het Evangelie des Koninkrijks gepredikt. (Matth. 4:17 en 9 : 35). Markus vangt zijn Evangelie aldus aan : Het begin des Evangelies van Jezus Christus.
Het leven en de onverderfelijkheid zijn door het Evangelie aan het licht gebracht. Het Evangelie is wat nieuws en brengt een ongewone boodschap : De Heere heeft volbracht, wat Hij beloofd heeft, opdat de beloften in den Persoon van den Zoon zouden openbaar worden.
Christus heeft alle stukken der genade in het vleesch volbracht. Daarom zijn alle beloften Gods in Hem ja en amen. (2 Cor. 1 : 20). Hij is de levende vertooning dezer dingen. In Hem is ook alles verschenen en verwezenlijkt. Christus stelt zich voor als degene, die de poort des hemels geopend heeft. Immers : Hij zegt: van nu aan zult gij den hemel geopend zien, en de engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen. Hij heeft hierbij klaarblijkelijk het oog op het visioen van Jacob, waarin hij den ladder aanschouwde.
Nu moet dit echter niet verkeerd verstaan, zooals S.v. Servet deed. Hij wilde beweren, dat de beloften met de Wet een einde namen, terwijl de vervulling van alle beloften ons door het geloof in het Evangelie toekomt. Dat klinkt niet zoo vreemd, zal iemand zeggen. Het gaat echter om het juiste accent. De beloften met de Wet een einde, wordt in de beschouwing van Servet dus zoo bedoeld, dat men onder de Wet uit de verwachting leefde, maar onder het Evangelie zou geen plaats meer zijn voor verwachting, omdat men alles in het geloof zou bezitten. Daar zou niets meer te verwachten of te hopen zijn, omdat door het geloof de volheid der vervulling werd omvat.
Zooals in Christus alles vervuld en werkelijkheid is, zoo zou het ook in den geloovige zijn. Er bleef dus niets meer te hopen over, omdat men alles had. Daarom voegt Calvijn daaraan toe : „alsof er geen onderscheid ware tusschen ons en Christus". In Christus is alles vervuld, dat is juist, maar daarom is het in den christen nog niet alles in vervulling gegaan.
Christus heeft alles volbracht en er is niets te doen overig gebleven, wat tot onze zaligheid dienen kan, maar dat zegt nog^ niet, dat wij reeds alle weldaden genieten, die door Hem verkregen zijn. Paulus zegt toch : dat onze zaligheid in hope verborgen is, zoo brengt Calvijn in het midden.
En Johannes zegt: Hoewel wij weten, dat wij kinderen Gods zijn, dat het nog niet is geopenbaard, wat wij zijn zullen. Maar wij weten, dat als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem zullen gelijk wezen, want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. En een iegelijk, die deze hope op Hem heeft, die reinigt zichzelven gelijk Hij rein is. (1 Joh. 3 : 2).
Hier spreekt Johannes duidelijk over een hope, dat is dus een verwachting van wat aan den christen nog niet is vervuld, terwijl het in Christus wel is vervuld. Want — wij zullen Hem gelijk wezen. Zoo gebiedt ook de Heilige Geest, dat wij op de beloften zullen rusten. (1 Tim. 4 : 8). Paulus noemt zich een apostel van Christus naar de beloften des levens, hetwelk in Hem is (2 Tim. 1 : 1) en hij spreekt van den Heiligen Geest der beloften. (2 Cor. 7 : 1).
Het geloof is een gezicht op de dingen, die men niet ziet. Christus woont wel in onze harten, maar wij wonen uit van Hem, want wij wandelen door het geloof en niet door het aanschouwen. Wat de beloften der Wet onder figuren of symbolen afmaait, wordt door het Evangelie als met den vinger aangewezen.
Het evangelie geen andere weg der zaligheid.
Sommigen dwalen daarin, dat zij een vergelijking maken tusschen Wet en Evangelie, welke niet juist is. Zij stellen de verdiensten der werken en de genadige toerekening tegenover elkander. Op zich zelf is deze tegenstelling niet verwerpelijk. Paulus verstaat onder de wet dikwijls den regel om rechtvaardig te leven, waardoor God van ons eischt, wat wij schuldig zijn. Deze geeft alleen hope des levens, indien wij in alle deelen aan haar gehoorzaam zijn. Aan den anderen . kant voegt hij daarbij den vloek der Wet voor de geringste afwijking. Daartegenover stelt, hij de rechtvaardiging om niet, terwijl bij niemand de gehoorzaamheid wordt gevonden. Door Paulus wordt dus de gerechtigheid der Wet en die van het Evangelie tegenover elkander gezet.
Het Evangelie is echter niet in de plaats van de gansche Wet gekomen, dat het een ander middel ter zaligheid zou medebrengen, maar veeleer tot bevestiging van de beloften der Wet, de werkelijkheid toevoegende aan de schaduwen.
Als Christus zegt, dat de Wet en de Profeten zijn geweest tot op Johannes, zet Hij de vaderen niet onder den vloek der Wet. Hij zegt alleen, dat zij slechts de eerste beginselen der leer hebben gehad. Paulus noemt het Evangelie een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk, die gelooft, maar wijst ons ook telkens op het getuigenis van Wet en profeten. Reeds onmiddellijk noemt hij een woord van Habakuk: de rechtvaardige zal uit het geloof leven. (Rom. 1 : 17).
* Johannes de Dooper. Johannes staat tusschen Wet en Evangelie in, terwijl hij met beide gemeenschap heeft. Hij noemt Christus het Lam Gods en de offerande der verzoening. Zoo heeft hij dus de hoofdsom des Evangelies voortgebracht. De heerlijkheid van Christus, die eerst in de opstanding aan den dag is gekomen, heeft hij echter niet verklaard. Daarom zegt Christus, dat hij minder is dan de apostelen. (Matth. H : U). Calvijn verstaat dit uit de uitdrukking : de minste in het koninkrijk der hemelen. De minste in het koninkrijk der hemelen bedoelt geen waardeering van de personen der menschen. Christus verheft de prediking des Evangelies tot den hoogsten graad, welke met het Koninkrijk der hemelen wordt aangegeven.
Zoo wordt Johannes boven de profeten verheven, maar tot deze hooge predicatie des Evangelies is hij niet gekomen, terwijl de apostelen daartoe geroepen waren. Dit vindt Calvijn ook bevestigd in het ambt van, Johannes den Dooper. Hij is een stem des roependen, die geen bijzondere boodschap heeft dan een heraut en voorlooper te zijn. Ziet Ik zende u den profeet Elia eer dat die groote en vreeselijke dag des Heeren komen zal.
Hij heeft ook niet anders gedaan dan discipelen bereid voor Christus. Christus noemt hem een lichtende kaars, omdat het volle licht nog niet was opgegaan. (Joh. 5 : 35).
Anderzijds, zegt Calvijn, moet hij toch onder de verkondigers des Evangelies worden geteld, daar hij ook denzelfden doop heeft gebruikt, die den apostelen later is bevolen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's