De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

EEN KONINKLIJK WOORD
Als een Moeder, een Landsvrouwe bij de gratie Gods, heeft onze geëerbiedigde en zeer geliefde Koningin, deze week, met diep bewogen stem, tot aller ontroering, een boodschap door de radio overgebracht aan héél het volk, gaande vér over land en over zee, doorklinkend in Oost en West, waar Nederland zich uitstrekt onder de Merediaan ; om nieuw vertrouwen te wekken ; om troost te brengen bij zorg en leed ; maar vooral om op te roepen tot eensgezindheid en menschelijkheid ; tot verdraagzaamheid en liefdebetoon, helpende elkander als kinderen van één gezin, waar Zij zich Moeder weet. Het was Moeders' stem „vermanend, vriendelijk, zacht, ons wijzend op de daad, die van ons wordt verwacht".
Zelf heeft Zij in herinnering gebracht : „Christ avant tous", Christus gaat vóór alles ; en in Hem haar krachtbron en haar levenslicht vindend, begeerde zij Haar volk op te roepen, om van deze moeilijke tijden te maken wat er van te maken is, gedachtig aan Gods Woord : dient elkander in de liefde.
Gezegend is het land, met zulk een Koningin.
Gezegend is het volk, dat naar Haar stemme hoort en Haar oproep. Haar boodschap, ter harte neemt.
Zooals de lucht en de zon zoeken door te dringen tot in de nauwste en donkerste spleten, zóó dringe door tot in de donkerste hoeken van onze samenleving, wat onze liefde vermag.
Wanneer wij belijden, dat God de wereld zóó lief heeft gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe, en wanneer Hij Zijn zon doet opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, zullen wij dan niet voor elkander het goede zoeken, waar dat mogelijk is ?
Als dan het lijden zoo groot is en de nood zoo hoog gestegen, laat ons dan afleggen alle oneerlijkheid, alle haat en vijandschap, alle liegen en lasteren, en laat ons voor elkander het goede zoeken, bedenkende, dat we elkanders leden zijn.
De zonde is de schandvlek der natie ; gerechtigheid verhoogt een volk. Dat wij onze kracht mogen putten uit Hem, Die gezegd heeft : Ik ben het licht der wereld. En dat wij onze roeping mogen verstaan, die begrepen is in het woord van den Heiland : gij zijt het licht der wereld — gij zijt het zout der aarde.
Dat het zout niet smakeloos bevonden worde !
Christus vóór alles — en onze sterkte zij uit Hem.

SAMENWONEN VAN VERSCHILLENDE RICHTINGEN?
Het is goed, dat ds. C. A. Lingbeek in De Gereformeerde Kerk er nog eens op wijst, dat de zoete dooptoespraakjes van de dominees tot de ouders dikwijls de verkeerde kant uitgaan, 't Gaat dan alles in de richting van den mensch, van vader en moeder, en men vergeet soms heelemaal, dat het bij onzen Doop gaat om wat God Drieëenig doet en wat de Heere, de God des eeds en des Verbonds, belooft. En waar we met den mensch altijd aan de verkeerde kant terecht komen, daar is het zoo noodzakelijk, dat we oog krijgen voor hetgeen God doet. Den God van onzen Doop zullen we moeten leeren kennen — eer en meer dan de mensch, die bij onze Doop tegenwoordig was. Die drievoudige belofte Gods bij onzen Doop bestaat hierin :
„En als wij gedoopt worden in den Naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijne kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed verzorgen en alle kwaad van ons weren of ons ten beste keer en wil. En als wij gedoopt worden in den Naam des Zoons, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding inlijvende, alzoó, dat wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den Naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de Heilige Geest door dit heilig Sacrament, dat Hij bij ons wonen, en ons tot lid- .maten van Christus heiligen wil, ons toeeigenende hetgeen wij in Christus hebben, namelijk de afwassching onzer zonden, en de dagelijksche vernieuwing onzes levens ; totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden".
Ds. Lingbeek, die aan deze drievoudige belofte Gods herinnert, onderstreept dah nog eens de rijkdom daarvan, waarbij hij fel tekeer gaat tegen het alle waarde hechten aan wat menschen doen en menschen zeggen en menschen beloven bij den Doop. Hij schrijft aldus :
„Ziet, in die drievoudige belofte van een Drieëenig God, daarin en daarin alléén ligt al de waarde van onzen Doop. Wanneer ik alles kwijt ben en in mij zelf niets vind, waarom God mij niet rechtvaardiglijk zou moeten verwerpen, dan is mijn Doop mij een pleitgrond om God te houden aan wat Hij zelf daarin aan ons heeft willen beloven, n.l. dat Hij als Vader mijn genadige Vader zou zijn, dat Hij als Zoon mij zou wasschen in Zijn dierbaar bloed; dat Hij als Heilige Geest bij mij zou komen inwonen, om mij te verrijken en versieren met wat ik zelf niet bezit en ook niet kan voortbrengen, maar wat Christus voor mij aan schatten eens nieuwen levens verworven heeft. „En ik ben er van verzekerd" — zoo gaat ds. Lingbeek verder - „dat, wie, arm in zich zelf, God den Heere komt manen om de genadige vervulling van Zijne beloften, die klopt aan geen doovemansdeur. Waar een oprecht gebed is om deze dingen, daar zal God ze niet alleen geven, neen, daar geeft Hij ze nu reeds".
Weg dus — aldus besluit ds. Lingbeek — met die zotternij, alsof de waarde van onzen Doop lag in 't geen de menschen beloven en zich voornemen en doen. Het gaat om Gods belofte — opdat we daar in geloove onze troost en sterkte zullen zoeken en vinden. Niet bij onze moeder of onzen vader, of wie ook, maar bij den God van onzen Doop, Die Zich met een drievoudige belofte over ons heeft neergebogen. „En dus : wie de waarde van den Doop ziet in de belofte des ouders, die verstaat van den heelen Doop niets, en die ziet bij den Doop den Drieëenigen God (alsof dit een kleinigheid ware !) over het hoofd, om zich blind te staren op een paar ouders, die voor God asch en hooi zijn". (De Geref. Kerk, 26 Jan. '39 ; Vragenbus).

SAMENWONEN VAN VERSCHILLENDE RICHTINGEN?
De Vrijzinnige Hervormden (die van de Hervormde leer willen maken wat zij. Vrijzinnigen, goed vinden !) willen 't altijd voorstellen, dat de Ned. Hervormde Kerk ingericht is op het samenwonen van verschillende richtingen. En er zijn, helaas ! ook niet- Vrijzinnigen, die dat napraten en zelfs beweren, dat onze Ned. Hervormde Kerk geen Kerk meer is, maar een Genootschap !
Dat men zich hierin radicaal vergist, zal voor ieder duidelijk zijn, die de geschiedenis van onze Nederlandsch Hervormde Kerk van de laatste eeuwen nagaat en die de Reglementen opslaat. Altijd en overal zal men dan vinden, dat men 'bedoeld heeft op den grondslag van de belijdenis, binnen de grens van aard en wezen, geest en hoofdzaak van die kerkelijke belijdenis, bij de formulieren van Doop en Avondmaal, allen te vereenigen, die daarin overeenstemmen, eerlijk en oprecht. Men stelde zich voor, niet aan een woord te binden, maar onder verzekering dat geest en hoofdzaak niet geloochend mocht worden, dat aard en wezen van de kerkelijke leer niet mocht worden losgelaten en verwaarloosd. Zeg nu, dat dit een ideaal geweest is, dat verkeerd is gesteld en dat ook niet kon verwerkelijkt worden in de practijk — goed. Maar nooit is de uitgesproken bedoeling geweest, om degenen, die geest en hoofdzaak van de kerkelijke leer en van de liturgische formulieren loochenen, op één lijn te stellen met degenen, die met de belijdenis overeenstemmen en het recht te geven aan „ieder wat wils".
En dat moeten we vasthouden. Onze Hervormde Kerk is geen Genootschap. Dat zij, die buiten onze Hervormde Kerk leven, dat zeggen — dat moeten zij weten. De waarheid is het niet. En wij, die onze Hervormde Kerk liefhebben en haar vasthouden, in weerwil van haar zonde in deze (zijn het niet onze Vaderen, die gezondigd hebben en zijn niet wij, hunne kinderen, mede schuldig in deze ? ) blijven niet alleen spreken van de Nederlandsche Hervormde Kerk ; en spreken het tegelijk uit, dat onze Ned. Hervormde Kerk, met haar belijdenis, geenszins een Genootschap is om zich als een Vereeniging van elk wat wils te openbaren. In onze Hervormde Kerk is niet plaats voor ieder, die zelfs de hoofdzaak van de belijdenis loochent : Jezus Christus en die gekruisigd, Jezus Christus en die verheerlijkt !
In de bediening des Woords, in de bediening der Sacramenten moet dat meer en meer uitkomen voor een ieder, die in haar midden leeft. En in heel het kerkelijk leven moet bel openbaar worden : wat wij samen met het hart gelooven en wat wij samen met den mond belijden !
Gods eer is er mee gemoeid. De nood der tijden, de nood der wereld, de nood van land en volk vraagt, roept er om, dat óók, ja, dat vooral de Nederlandsche Hervormde Kerk haar Heere en Heiland zal belijden en volgen in geloof en liefde, naar Gods Woord en naar luid van onze Kerkelijke belijdenis, die van Gods Waarheid vol is. Honderden, ook buiten die Kerk nu levend, verlangen er naar, dat het daartoe meer en meer komen mag.

AFGOD DE STAAT
Macchiavelli, een Italiaansch staatsrechtleeraar, die van 1469 tot 1527 leefde, heeft de vergoddelijking van den totalen Staat ingeluid. De laatste dagen hebben weer bij vernieuwing de aandacht op hem gevestigd. De Standaard wijst daarop (23 Jan. '39) en zegt : „Macchiavelli stond de meening voor, dat het gebruik van geweld en bedrog in dienst van den Staat gerechtvaardigd is, omdat hij overtuigd was, dat het welzijn van den Staat voor de ontwikkeling der menschheid onmisbaar is".
De vergoddelijking van den totalen Staat is door Macchiavelli ingeluid.
Voor Macchiavelli is de Staat alleen en uitsluitend macht en de leiders van den Staat hebben de plicht die macht met alle middelen, geoorloofde en ongeoorloofde, te vergrooten. De religie heeft bestaansrecht, maar alleen voorzover zij een geschikt middel is tot uitbreiding van de macht van den Staat.
Macchiavelli, die in de 16de eeuw zijn beruchte en practisch door zoovelen gehuldigde Staatstheorie ontwikkelde, is de schutsheer van Mussolini en Hitler beiden. Bij Macchiavelli, die de norm van hetgeen goed en kwaad is, verlegde van Gods wil naar het Staatsbelang, die het schrikkelijk woord sprak : „het vaderland is belangrijker dan de ziel", is Mussolini van der jeugd af opgevoed. Zijn vader, een dorpssmid, revolutionair vrijdenker, las hem in de smidse het hoofdwerk van Macchiavelli voor.
Aan Macchiavelli, den gids voor den Staatsman, was Mussolini 's proefschrift gewijd. Naar Macchiavelli verwijst hij in zijn redevoeringen herhaaldelijk met voorliefde.
Ook bij Hitler treft men gelijke vereering van den Italiaanschen Staatsaanbidder.
De Staat, de totale Staat, die op alle levensuiting beslag legt, is begin en eind van zijn nationaal-socialistische wijsheid.
Dit zijn de eigen stellingen van Hitler : „Niets buiten, niets tegen, alles voor den Staat". De Staat moet niet, hij wil. En wat hij wil, dat mag". „De Staat eischt plicht en recht".
„Heeft de 18de eeuw het individu van den Staat bevrijd, de 20ste eeuw zal den Staat van h, et individu bevrijden". Macchiavelli herleefd !

De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (7)
Bij Paulus stond van de ure zijner bekeering af voor den geest, dat hij het Evangelie moest gaan verkondigen aan Joden èn Heidenen. Zijn bekeering èn zijn roeping tot apostel der Heidenen vielen samen. Daartoe behaagde het Gode, Zijn Zoon in hem te openbaren, opdat hij Dien door het Evangelie onder de Heidenen zou verkondigen. (Gal. 1 vs. 16 ; 2 Cor. 5 vs. 18 ; Hand. 9 vs. 15, 16 ; 22 vs. 15, 21 ; 26 vs. 16—21). Op zijn Zendingsreizen drong hij dan ook steeds verder naar het Westen door ; eerst wendde hij zich naar de „barbaren" in het Zuid-Oosten van Klein-Azië ; op de tweede Zendingsreis stak hij naar Europa over en ving hij zijn arbeid onder de Grieken aan. Maar ook hiermede was hij nog niet tevreê ; hij nam zich voor, om nog verder Westwaarts te gaan en ook aan de Latijnen het Evangelie te verkondigen. Reeds langen tijd toch brandde hij van begeerte, om Rome te zien, waar al sedert verscheidene jaren een gemeente bestond en waar hij ook reeds vele kennissen had (Rom. 1 VS. 13 ; 15 VS. 22, 23 ; Hand. 19 vs. 21). En hij kwam er ook, maar anders dan hij eerst gedacht en verwacht had : als een gevangene. In zijne, eigene gehuurde woning mocht hij echter allen ontvangen, die tot hem kwamen, en hij predikte hun het Koninkrijk Gods en leerde hen van den Heere Jezus Christus, met alle vrijmoedigheid en onverhinderd. (Hand. 28 vs. 31).
Met dit merkwaardige getuigenis sluit het boek van de Handelingen der Apostelen. Als het Evangelie in Rome vasten voet heeft verkregen, als het doorgedrongen is tot die stad, welke de zetel des keizers, het hart van het wereldrijk en het centrum der beschaving was, dan is Paulus' arbeid ten einde en een allergewichtigst moment in de ontwikkeling van het Godsrijk is bereikt. Van Jeruzalem uit, heeft Christus Zijn triumftocht over Antiochië en Efeze naar Rome voortgezet, om daar, als in het hart der vesting zelve, bet Romeinsche wereldrijk te bestrijden en eene nieuwe orde van zaken te stichten.
Of Paulus uit deze gevangenschap te Rome nog weder ontslagen is en de gelegenheid ontvangen heeft om naar den wensch van zijn hart ook Spanje te bezoeken (Rom. 15 vs. 24, 28) is niet onwaarschijnlijk, maar we weten het niet met zekerheid. Het is trouwens van ondergeschikte beteekenis, vergeleken bij den voortgang, dien het Evangelie in de toenmalige beschaafde wereld, met name in de groote steden, gemaakt had. Daarop ziende, kon de apostel in overdrachtelijken zin getuigen, dat het Evangelie bekend is geworden „in de geheele wereld en gepredikt is onder alle creaturen" (Rom. 10 VS. 18 ; Coll. 1 vs. 6, 23 ; 1 Tim. 3 VS. 26 ; zie ook Rom. 1 vs. 8 ; 15 VS. 19 ; Hand. 17 vs. 6 ; 21 vs. 20).
Later werd er zelfs uit afgeleid, dat bet Evangelie metterdaad reeds in de eerste eeuw aan alle volken verkondigd was, en dat de apostelen zelven het Zendingswerk in de verschillende landen ter hand hadden genomen. Zoo zou Filippus naar Frygië, Thaddaeüs naar Syrië en Mesopothamië, Mattheüs naar Ethiopië, Thomas naar Indië gegaan zijn enz., om er de banier van bet Kruis te planten. Wat er in deze berichten betrouwbaar is, valt niet meer uit te maken, maar zij zijn toch in zooverre belangrijk, als zij het besef der oudste Christelijke Kerk vertolken, dat het Evangelie van den aanvang af voor héél de menschheid bestemd was.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's