FINANCIËN
Als tusschen een veld van drijvende mijnen bevindt zich de wereld onzer dagen. Ieder oogenblik kan er iets gebeuren, waardoor alle landen van ons werelddeel, ja, ook wat zich daarbuiten bevindt, opeens in lichte laaie worden gezet. In onze herinnering is het zoo vlak bij, wat reeds enkele maanden achter ons ligt, en toen dreigend den kop ophief, dat het ons schijnt alsof het nog hetzelfde onheil is, dat de wereld bedreigt.
Zou het soms zoo niet wezen ? Inderdaad is dat gevaar nooit geweken. Alleen werd de blinddoek iets strakker voor de oogen gebonden. Men zag het niet meer, of, nog juister weergegeven : nieuwe drogbeelden schoven er voor het oog, zoodat de werkelijkheid niet werd opgemerkt.
Thans zijn de gevaren voor een wereldbrand minstens zoo groot. Met eene overhaasting, waaruit niet anders afgelezen kan worden dan de bangste vreeze, worden de toerustingen voor den meest gevaarlijken krijg getroffen. Alle landen vertoonen 't zelfde beeld, niet éen uitgezonderd.
Geen enkele dam schijnt het tegen te kunnen houden.
Is het daarom zoo'n wonder, dat uit het oppermachtig wereldrijk Engeland, dat tot nu een leidende positie bekleedde, een kring van vooraanstaande mannen zich .als geroepen gevoelde een schrijven te richten tot den man, wiens naam sedert het laatste dreigende moment op ieders lippen is, om hem te bezweren alle kracht zijnerzijds in te spannen het onheilswoord niet uit te spreken.
Wanneer ooit gesproken kon worden van critieke dagen, dan zijn deze er nu. Vandaar is de verantwoordelijkheid, die rust op de schouders van de wereldgrooten, thans ongemeen zwaar.
Zou daarom niet hoogelijk mogen worden gewaardeerd, de poging van die mannen om het onheil alsnog te bezweren ? Nu is het niet denkbeeldig, dat bij meer dan éen van u, lezers, de vraag wordt gesteld, of deze mannen zich wel aan het juiste adres hebben vervoegd ?
Is er nog geen machtiger, nog geen grooter dan al die machthebbers tezaam ? Ongetwijfeld.
Als het er op aankomt, is er maar Eén. Het woord van den Heere Christus laat hieromtrent geen twijfel over. Ge herinnert het u toch : Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.
Van Wien Christus het heeft ontvangen, is evenmin twijfelachtig. Spreekt niet de Heere Zelf : door Mij regeeren de vorsten.
Zie, Ik heb den Smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast en die het instrument voortbrengt tot zijn werk ; ook heb Ik den, verderver geschapen om te vernielen.
Zou men tot Dezen zich niet wenden ? Zou een andere plaats mogen worden gezocht om het onheil te zien afgewend ? Wie klemt het in zijn vuist, zoo vast, dat het zich roeren noch bewegen kan, als Hij, Die op den Troon zit ? Geen één.
't Is alsof ge boven het wereldrumoer onzer dagen beluistert deze duidelijke wenk : „Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden, alle gij einden der aarde".
Zou hiertegen een van ons, zelfs in fluisterklank, iets weten in te brengen ? Niet één.
Alleen mag worden bedacht het even wijze woord : „Gij zult het eene doen en het andere niet nalaten".
Het woord ter waarschuwing tot hen, die het geweld ontketenen, mag niet worden ingehouden, doch boven alles moet de bede opklimmen tot den Troon der genade in dezelfde klanken, waarin de Psalmdichter zijn bange hart ontlastte :
Ik hef tot U, die in den hemel zit, Mijn oogen op en bid. Gelijk een knecht ziet op de hand zijns heeren Om nooddruft te begeeren. En 't oog der maagd is op haar vrouw geslagen.
Om hulp of gunst te vragen, Zoo slaan wij 't oog op onzen Tot Hij ook ons genadig zij. Heer'
Dat dit in werkelijkheid door menigeen onzer mag worden gedaan, smeekende om ontferming, pleitende alleen op het volbrachte werk van Christus.
Die op den troon zit, wil er om gebeden zijn. Van Hem zingt ook de Dichter : God, Die helpt in nood. Is in Sion groot.
Mogen wij na deze inleiding u het overzicht van deze dagen voorleggen. 1. Wie ditmaal de poort opende, was collega v.d. D. te M. Hij droeg mij n.l. de contributie af voorl939, zijnde ƒ 1.50
Voor de tijdige voldoening, dat als een navolgenswaardig voorbeeld mag worden gesteld, betuigen wij onze dank.
2. Van den Kerkeraad te Hilversum kreeg ik een gift van 10 gld., gelijk als vorige jaren, voor onze fondsen „ 10.— Ook voor dezen post blijf ik erkentelijk.
3. Uit de gemeente van Zegveld kreeg ik onder tweerlei hoofd een post te verantwoorden, n.l. in de 1ste plaats werd mij afgedragen de contributie van de afdeeling aldaar, zijnde „28.50
4. Om daaraan te verbinden de opbrengst van een collecte, aldaar gehouden, waarbij als spreker was opgetreden ds. Kleijne, van Oud-Beijerland. De collecte bedroeg ,, 33.13
Mogen wij onze welgemeende dank betuigen voor beide posten. 5. Hierop volgden nog enkele spreekbeurten.
Op de te Zegveld gehouden spreekbeurt volgde wat de tijd betreft dat het ons bekend werd gemaakt, die te Ermelo. Hier trad op ds. Poot, van Bunschoten. De collecte was niet minder dan 51 gulden „51.—
Trouwens plaatsen als Ermelo en omgeving geven ons telkens blijken van hartelijk meeleven. 6. Collega Van Amstel, van Lage Vuursche, heeft een spreekbeurt gehouden op Bilthoven. De collecte bedroeg hier ƒ 25.25, wat niet tegenviel, ook al wordt door de kosten deze ietwat besnoeid „15.25
7. Collega Meijers, van hier, heeft in zijn voormalige gemeente, n.l. te Hoogeveen, een spreekbeurt gehouden, waarbij de collecte bedroeg „14.26
Voor het willen houden van al de spreekbeurten spreek ik mijn dank uit aan de sprekers en Kerkeraden. 8. Door ds. Van Hof te Delfshaven kreeg ik een gift van den heer v. K. van 10 gulden „10.—
Hij wil den gever wel onzen vriendelijken dank overbrengen.
9. Te Alphen a. d. Rijn was onze vriend G. zoo goed, bij den aanvang van het pas begonnen jaar een gift aan ons af te dragen, om zijn dank te uiten aan den Gever van zooveel goeds, dat ook hem weer in het afgeloopen jaar mocht geworden.
Deze gift bedroeg 20 gld. Tien gulden mocht ik hiervan boeken voor het Studiefonds 10.—
En ook tien gulden voor den arbeid voor de melaatschen op Midden-Celebes. Dat ook deze laatste gift mij niet weinig heeft getroffen, behoeft nauwelijks te worden vermeld, 'k Hoop, dat Gods zegen op beide giften rijkelijk ruste.
10. Van mej. B., alhier, ontving ik een rijksdaalder, waarvan ƒ 1.50 was bestemd voor den Medischen Dienst en 1 gld. voor het Studiefonds. „ 1. - Zij heeft mij door dit dubbele blijk ^an medeleven ten zeerste verblijd.
11. Te 's Gravenmoer hebben wij een vriend wonen, die, hoewel ik zijn naam niet weet, mij telkens verrast door zijn giften. Hij zond mij weer „ 2.-—
12. De sluitpost kwam ditmaal uit Vlaardingen. De penningmeester van de afdeeling zond mij de afrekening van de contributies, zijnde ƒ 97.50, vermeerderd met de inhoud van het busje van den heer v. d. W., zijnde 3 gld., tezamen alzoo de niet onbelangrijke som van „ 100.50
Mag ik hem en de Vlaardingsche vrienden mijn oprechten dank betuigen voor de moeite en zorgen voor dezen arbeid. Hij verlicht ons werk op deze manier niet weinig.
Ook maak ik van deze gelegenheid gebruik een kleine aanvulling aan een vorige mededeeling toe te voegen. Ds. Monster, van Aalburg, en de heer W. Kok, van VI.-Ambacht, voorzitter van de afdeeling aldaar, waren in hun midden als sprekers voorgegaan.
D.v. hoop ik zelf in de volgende maand bij u een spreekbeurt te vervullen.
Wij hebben voor al deze blijken van liefde tot onzen arbeid Gode onzen dank te betuigen. De gezamenlijke bijdragen bedroegen
f 277.14
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's