WAT CALVIJN ONS LEERT
Vergelijking van het Oude en Testament of Nieuwe Verbond.
Calvijn glijdt niet lichtvaardig over de dingen heen, dat doet hij op geen enkel voornaam stuk van de leer, en daarom zeker niet op het stuk des Verbonds.
Nog eens legt hij er den nadruk op, dat alle menschen, die God sedert het begin der wereld tot de Zijnen heeft aangenomen, door eenzelfde Wet en door eenzelfde leer aan Hem verbonden zijn geweest.
De oud-vaders zijn eenzelfde erfdeel deelachtig geweest. Zij hebben door de genade van eenzelfden Middelaar de gemeenschappelijke zaligheid in hope omhelsd, ondanks het verschil in conditie, hetwelk daar mag zijn geweest. Er is derhalve nooit een andere regel der religie of godzaligheid geweest.
Er zijn echter ten allen tijde kettersche meeningen omtrent het onderscheid tusschen het Oude en het Nieuwe Testament verkondigd. Calvijn richt zich bepaaldelijk tegen Servet en tegen de Dooperschen.
Wat is het gelijke en wat het ongelijke in het Verbond, dat de Heere in voortijden vóór de komst van Christus met de Israëlieten en dat Hij na Zijn komst met ons heeft gemaakt ?
Zoo zijn er dus toch twee Verbonden, zal men zeggen.
Naar aard en wezen stellig niet, zegt Calvijn, want die twee zijn in wezen één en hetzelfde Verbond.
Het verschil ligt alleen in de bediening des Verbonds. Het wezen is één, de bediening is verschillend.
De gelijkheid of liever de eenheid des Verbonds wordt in drie stukken aangewezen, t.w.: De vleeschelijke rijkdom en gelukzaligheid der Joden wordt niet voorgesteld als het eigenlijke doel, waarnaar de Joden zouden streven, maar, opdat zij werden aangenomen tot een hope der onsterfelijkheid, werd de vastigheid en trouw hun door Wet en Profeten bevestigd.
Ten tweede: het Verbond, waardoor zij met God verzoend werden, was niet gegrond op verdiensten, maar op de barmhartigheid Gods, die hen riep.
Ten derde: zij hebben den Middelaar gekend en gehad, door Wien zij met God vereenigd en Zijne liefde deelachtig geworden zijn.
Deze drie stukken zijn vast en zeker: zooals reeds is gebleken in de voorafgaande behandeling, aangezien het Evangelie van Christus getuigenis geeft van God en de profeten. Het Evangelie houdt de harten der menschen niet op met de vreugde van het tegenwoordige leven, maar voert hen op tot de hope der onsterfelijkheid.
Veeltijds wordt dit door den apostel betuigd : vgl. Ef. 1 : 13, Coloss. 1 : 4 en 2 Thess. 2 : 14. Duidelijk wordt in deze plaatsen gewezen op de geestelijke kracht dés Evangelies, op de hope der onsterfelijkheid, de zaligheid van het Koninkrijk der hemelen, gelijk ook het Evangelie wordt genoemd een kracht Gods tot zaligheid en het Koninkrijk der hemelen.
Daarom kan men niet aannemen, dat de geroepenen tot het Evangelie de zorg der zielen hebben veronachtzaamd en hun lusten hebben nagejaagd.
Niemand meene ook aan dezen uitleg te ontkomen door te zeggen, dat de beloften van het Evangelie in Wet en Profeten voor het volk van het Nieuwe Testament waren geordineerd.
Dat is ook een uitvlucht om de Joden te berooven van de geestelijke kennis, t.w. degenen, die een waarachtige hope op God hebben gehad, alsof alleen Nieuw-Testamentische menschen de zaligheid zouden gekend hebben, maar die van het Oude Verbond niet.
Men kan dat ook niet volhouden. Paulus merkt in Rom. 3 : 19 op, dat de dingen, die in de Wet zijn, zonder twijfel worden toegeschikt aan degenen, die onder de Wet zijn.
Oude en Nieuwe Testament zien op het eeuwige leven en niemand heeft recht te meenen, dat het doel van het Oude Verbond een zeker uitwendig geloof, een uitwendige gehoorzaamheid en een uitwendige welstand des levens was, terwijl het geestelijk Verbond eerst door het Nieuwe Testament zou zijn geopenbaard.
Als daarmede het eerste stuk is aangetoond, volgt er uit, dat ook het tweede stuk niet onduidelijk kan zijn. Want daar het Evangelie op de eeuwige zaligheid is gericht, kan men geen anderen grond aanwijzen dan Gods barmhartigheid in den Heere Jezus Christus. Gods barmhartigheid, door de komst van Christus bevestigd. De gansche inhoud des Evangelies loopt op Christus uit.
ZoO' is met de Joden het „Evangelisch Verbond" gemaakt. Wie zou nu beweren, dat zij geen deel aan Christus hebben gehad, die toch de eenige grondslag van het Verbond is.
Denk nu nog eens aan het woord van Christus over Abraham : Hij heeft met verheuging verlangd, dat hij Mijn dag zien zou en Hij heeft hem gezien en is verblijd geweest. (Joh. 8 : 56).
Dat geldt niet alleen van Abraham, maar ook voor al Gods volk gemeenschappelijk. Immers Christus is gisteren en heden Dezelfde en in der eeuwigheid. (Hebr. 13 : 8). De Apostel heeft niet alleen het oog op de Godheid van Christus, die altijd dezelfde blijft, maar ook op Zijn kracht, welke de geloovigen van alle tijden bekend is geweest.
Daarom spreken Maria en Zacharias daarvan in hun lofzangen. De zaligheid, in Christus geopenbaard is de vervulling der beloften aan de Vaderen geschied. God heeft in Christus Zijn ouden eed betaald. Het ligt daarin dus klaar en duidelijk besloten, dat de bedoeling van dien eed altijd op Christus en het eeuwige leven was gericht.
Met Israël één in Verbond en één in de beteekenis der sacrarmenten.
Calvijn wijst op Paulus' woord in 1 Cor. 10, met name op de inleidende rede, dat er geen grond is om ons eenig voordeel toe te meten, hetwelk ons zou bevrijden van de wrake Gods, die Israël heeft ervaren. De Heere toch heeft aan Israël niet alleen dezelfde weldaden bewezen, maar deze ook bevestigd met dezelfde teekenen en zegelen.
De sacramenten van den Heiligen Doop en het Heilig Avondmaal bevatten heerlijke beloften, doch — zoo vertolkt Calvijn Paulus' woorden, gij moogt daarvan geen valschen grond van betrouwen maken, alsof gij nu buiten schot waart, en met verachting van Gods goedheid een ongebonden leven leiden. Ook de Joden hebben zoodanige teekenen en panden gehad, maar nochtans heeft de Heere Zijn. oordeelen uitgevoerd. Immers zij zijn gedoopt in den doorgang der zee en in de wolk, waardoor zij bedekt werden voor de hitte der zon.
Deze rede van den apostel zou buiten de zaak omgaan, indien de genoemde teekenen van den doorgang door de Roode Zee en in de wolk slechts uitwendige teekenen zonder geestelijken zin zouden zijn.
Hoezeer de apostel vasthoudt aan den geestelijken zin, blijkt trouwens uit het volgende : Zij hebben dezelfde geestelijke spijze gegeten en denzelfden geestelijken drank genoten, welke drank volgens Paulus' uitlegging Christus zelf is geweest.
Uit deze leer van Paulus volgt dus onbetwistbaar, dat ook den Joden een geestelijke religie is geopenbaard geweest, en dat zij mistasten, die den Joden slechts een uitwendigen godsdienst willen toeschrijven.
Wij mogen daaraan wel toevoegen, dat niet allen in den geestelijken zin der dingen werden ingeleid. Dat echter is ook niet het geval met de Christenen. De kennis van de geestelijke zaken is een gave Gods, die is weggelegd voor de Zijnen. Doch, als niet allen tot geestelijk verstand zijn gekomen, geeft dat niemand het recht om de geestelijke werkelijkheid te ontkennen, welke daaraan door het Woord Gods wordt geschonken.
De tegensprekers zijn echter nog niet tevreden. Zij gaan verder en zoeken nieuwe argumenten. Zij willen Paulus' woorden afbreken door de uitspraak van den Heere Jezus Christus : Uwe vaders hebben het Manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven. En dan verder: Wie Mijn vleesch eet, die zal niet sterven in der eeuwigheid. (Joh. 6 : 49).
Calvijn laat zich niet uit het veld slaan 'door deze tegenwerping. Zeker, zegt hij, maar bedenk toch, dat de Heere Jezus spreekt tot degenen, die de spijze des broods zochten, maar naar de spijze der ziele niet vraagden.
De Heere Jezus Christus komt hen tegemoet. Hij spreekt naar hun zwakke verstand en maakt een vergelijking tusschen het manna en Zijn Lichaam.
Zij vroegen om een wonderteeken, zooals Mozes gedaan had, toen hij het manna bracht. Zij hebben in dat manna niet anders gezien dan een middel tot verzadiging van den honger, waardoor het volk werd gekweld. De geestelijke zin, waarop Paulus wijst, bleef voor hen verborgen.
Groot was het wonder Gods in de gave van het manna gegeven, opdat het volk voor een tijd in het leven werd behouden. Zooveel treffender nu is de spijze, waardoor de Heere de onsterfelijkheid wil toebrengen. De Heere Jezus spreekt in dit verband over die geestelijke dingen in tegenstelling tot de lichamelijke verwachtingen der Joden. Hij zegt, dat Hij een Bedienaar is van een zooveel hoogere genade en weldaad Gods. Daarom spreekt Hij van de spijze Zijns lichaams.
Dit kan toch de waarheid der verborgenheid van de wonderen Gods in de woestijn niet wegnemen, waarop Paulus wijst.
Men zal dit Calvijn moeilijk kunnen betwisten. De Heere, die het manna laat regenen tot onderhouding des lichaams, betoont zich daarin als de almachtige Schepper, de God van alle leven. En heeft Hij zijn wonderen aan Israël bewezen om dat volk alleen in den tijd te onderhouden, of om Zijn machtigen arm en eeuwig welbehagen te openbaren, waarop de Vaderen hebben gehoopt?
Zonder twijfel zijn de Joden de beloften des eeuwigen levens deelachtig geweest, of, zooals Calvijn het uitdrukt, zij hebben aan het geestelijk Verbond deel gehad. Gods Woord is een levendmakende kracht dengenen, wien God daarvan deelgenoot wil maken.
Petrus' woord is altijd waarachtig geweest, zoo gaat hij verder, dat het een onverderfelijk zaad is, hetwelk tot in eeuwigheid blijft. Petrus neemt dat uit het woord van Jesaja. (1 Petr. 1 : 23—25. Jesaja 40 : 6—8).
Nog eens, deze waarheid wordt niet verkleind door het feit, dat zoovelen dat niet hebben verstaan en nog altoos niet verstaan.
Calvijn zegt dat een weinig anders en niet minder duidelijk. Als ik zeg, dat de Joden het Woord hebben aangenomen, dat hen nader met God vereenigde, dan spreek ik niet over de algemeene religie, de algemeene gemeenschap, die door hemel en aarde en door alle deelen der wereld wordt uitgestrekt, de welke nochtans niet bevrijdt van 't verderf. Neen, dan spreekt Calvijn van die bijzondere gemeenschap, waardoor de geloovigen worden verlicht tot kennis van God en aan Hem worden verknocht. Hij noemt: Adam, Abel, Noach, Abraham en de andere Vaderen, die zulk een verlichting des Woords hebben gekend en zonder twijfel toegang hebben tot het onsterfelijk Koninkrijk Gods.
Wij zien uit deze woorden van Calvijn, dat de onderscheiding van een algemeene en een bijzondere gemeenschap of religie, waarop hij reeds in het eerste boek gewezen heeft, een groote betéekenis heeft.
De algemeene gemeenschap komt voort uit een levensbetrekking, welke over alle vleesch gaat, maar de bijzondere genade is een gave Gods, welke in het Verbond der genade is besloten, hetwelk de Heere met Zijn volk heeft opgericht.
Klaar en duidelijk spreekt Calvijn zich uit over dat Verbond der eeuwige zaligheid, hetwelk de Heere met Zijn dienstknechten heeft opgericht: Ik zal u tot een God zijn en gij zult Mij tot een volk zijn. Levit. 26 : 12.
Volgens de gewone verklaring der profeten is daarin het eeuwige leven der zaligheid vervat. Zalig is het volk, hetwelk Hij verkoren heeft tot Zijn erfdeel, en dat geldt niet alleen van aardsche zaligheden, maar van de eeuwige zaligheid dergenen, die Hij tot Zijn volk heeft aangenomen. (Ps. 33 : 12; 144 : 15).
Gij zijt onze God, wij zullen niet sterven. Hab. 1 : 12. Want de Heere is mijn Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning. Hij zal ons behouden. Jes. 33 : 22. Gelukkig zijt gij, Israël, want gij wordt in God den Heere zalig. (Deut. 33 : 29).
De Heere woont in het midden van Zijn volk, hoe zou het dan vreemd kunnen blijven aan Zijn goederen en het eeuwig leven ? (Lev. 26 . 11). Reeds het woord: Ik ben uw God, acht Calvijn genoegzaam bewijs, want de zielen blijven in den dood van God vervreemd.
Bovendien belooft de Heere, dat Hij altijd hun God zal zijn. Daarom spreekt de Heere ook voor de toekomst: „, Uw God en de God uws zaads".
God neemt Zijn barmhartigheid ook in den dood niet weg, welke Hij uitstrekt over duizend geslachten, en Hij noemt zich de God van Abraham, Izaak en Jacob, reeds lang nadat zij gestorven zijn. Dat kan niet beteekenen : „Ik ben een God van degenen, die niet meer zijn, maar van de levenden", gelijk ook Christus ons geleerd heeft, toen de Sadduceën Hem ondervraagd hebben over de opstanding.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's