KERKELIJIKE RONDSCHOUW
ZULLEN WIJ HET BELIJDENIS- DOEN MAAR NALATEN ?
Dikwijls hooren we de opmerking : „laten we maar liever geen belijdenis doen, want een mensch is toch dikwijls ontrouw aan wat hij beloofd heeft en dan is 't maar beter om heelemaal geen belijdenis te doen".
Men zou natuurlijk diezelfde redeneering kunnen houden ten opzichte van het laten doopen van z'n kind. Ook dan kan men gemakkelijk zeggen : „er komt dikwijls zoo weinig terecht van de doopbelofte, we zijn dikwijls zoo ontrouw in het nakomen er van, en dus is het maar beter om heelemaal niet te laten doopen".
Maar het zou toch wel allervreeselijkst zijn als men op grond van die redeneering er toe kwam, om in het midden van Christus' Kerk geheel te breken met het belijdenis-doen, met den Doop, en natuurlijk dan ook met het Avondmaal. Zouden we dan maar niet heelemaal breken met de Kerk ? Of zijn we daar zoo trouw en zonder nalatigheid en ongehoorzaamheid ? En zouden we dan ook maar niet breken met het, huwelijk ? Want komen we daar alles na wat we beloofd hebben ? Waar, waar is onze trouw in héél het leven ? Zullen we dan maar zeggen : laten; er toch vooral geen kinderen meer geboren worden, want 't leven is toch niets gedaan voor den mensch " Zullen we dan maar geen afscheid nemen van God en van ons leven, om liever maar te sterven dan te leven ?
Ds, Lingbeek spreekt over deze dingen met een jeugdigen vriend in „De Vragenbus" (in „de Geref. Kerk", 29 Jan. '39) en doet het op vaderlijke wijze aldus :
„Onze jeugdige vrager imoet beginnen om niet alleen de splinter in eens anders oog te zien. Iaten we maar liever acht geven op wat aan ons zelf mankeert. Heeft onze jeugdige vriend zelf ooit een belofte afgelegd, die hij volkomen en in alles stiptelijk heeft vervuld ? De man en de vrouw voor het echtaltaar beloven elkaar altoos te zullen liefhebben, niet hard jegens elkaar te zijn, enz. Hoe dikwijls, als er in huis iets is voorgevallen, en zij voor God zichzelf bezien, zullen zij moeten erkennen : neen, nu ben ik toch niet geweest zooals ik had beloofd te zullen zijn, en ze zullen met schuldbelijdenis weer tot elkaar moeten komen.
Zoo gaat het nu eenmaal in het leven van zondige menschen. Zelfs David moet zijn 110den psalm besluiten met een : „gelijk een schaal heb ik gedwaald in 't rond."
Zal onze jeugdige vrager nu ook zeggen : dan heeft die geheele belofte van trouw, die het jeugdige echtpaar aan elkander geeft, niet de minste waarde en dan is het maar het beste, dat ze ongetrouwd vrij bij elkaar wonen ?
Al zal elke belofte door ons, menschen, maar gebrekkig worden vervuld, ze is toch beter dan in het geheel geen belofte, want ze verbindt ons toch, ze laat ons niet los, en ze is zoo doende als een koord, dat, wanneer wij van den rechten weg zijn afgedwaald, ons bij het been vasthoudt en trekt en het middel kan zijn om ons in den rechten weg terug te leiden.
En — wat spreken wij van de waarde van iemands openbare belijdenis, alsof wij die waarde zouden kunnen uitmaken !
Neem nu Petrus, zeker een van de voornaamste Apostelen van 's Heeren Kerk. Die had eens een zoo heerlijke openbare belijdenis afgelegd ; ook wèl gemeend : „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods !"
Maar kort daarna, toen vervolging dreigde, sprak diezelfde mond : „ik ken dien mensch niet".
Die verloochening, na zoo'n openbare belijdenis, heeft Petrus wat 'n tranen gekost ! Maar heeft toen de Heere Jezus Petrus èn zijn belijdenis óók verworpen en gezegd : nu is die geheele belijdenis niets waard geweest ?
Neen, de Heiland wist wat maaksel wij zijn en Hij was tegenover Zijne discipelen barmhartiger dan zij plegen te zijn tegenover elkander ; want bet eerste na Zijn opstanding was een boodschap voor Petrus : „zeg het aan Petrus".
Het gekrookte riet verbreekt Hij niet, de rookende vlaswiek bluscht Hij niet uit en den benauwden van geest geeft Hij een gewaad des lofs.
DE KERK MET HAAR GELOOF EN HAAR BELIJDENIS.
Prof. Gunning zei eens : het dogma is het geloofslied der Kerk.
Dat is natuurlijk geen wetenschappelijke definitie, maar het heeft vóór, dat we daardoor de geestelijke diepte en hoogte van het dogma, als geloofs-getuigenis der Kerk, beter voelen, dan bij een of andere wèl-geformuleerde begripsbepaling.
„Het dogma is een harte-roepvan de Kerk", schrijft prof. Hepp aan het begin van zijn artikelenreeks: „, Populaire Dogmatiek" (Credo, 27 Jan. '39). Ook daar een omschrijving en aanduiding, die niet streng wetenschappelijk is, maar óók bedoelt het diep geestelijke van een levend geloofs-getuigenis der Kerk in het dogma te laten voelen.
Onze Ned. Geloofsbelijdenis begint dan ook met de bekende woorden : „Wij gelooven allen met het hart en belijden met den mond", „'k Heb geloofd, en daarom zing ik mijn geloofslied" — zegt de Kerk. Het gelooven gaat voorop en komt eerst ; is de wortel en de bron. Maar dan kan het belijden niet uitblijven. Die gelooft, wil er van getuigen, wil er belijdenis van doen, wil er uiting aan geven ; kan en mag niet zwijgen.
Prof. Hepp zegt in bedoelde artikelenreeks eerst : „Onze Confessie vangt zoo prachtig aan : „wij gelooven allen". Dat wil zeggen : één voor één, zonder uitzondering, maar daarom ook allen tezamen. In het dogma wordt de gemeenschap der heiligen gevoeld. Daarom zit er ook zulk een groote bewogenheid in. Zoodra de bewogenheid echter er uit is, dan wordt het dogma een omhulsel zonder inhoud. Dan wordt het droog als stroo. Dan gaat men het voelen als een rammelende keten, waarmee men aan de Kerk is geklonken. Dan ontstaat er een weerzin tegen de Kerk, die haar leden schijnt te knechten".
„Maar aan wien de schuld ? Aan wien anders dan aan hem, die niet gelooft met het hart ?
Voor wien niet gegrepen is door het Woord des Heeren voor wien het hart niet is geopend door den Heiligen Geest om daarop acht te geven, voor wien niet in de eenzaamheid heeft gesmeekt : versterk, o Heere, het geloof, dat Gij in mij hebt gewrocht — heeft het dogma niets smakelijks of begeerlijks.
Ook de Kerk, waarin de kandelaar van het Evangelie niet meer helder brandt, waaruit de bewogenheid des geloofs is geweken, waarin de levende Christus niet als de Koning der eeuwen en de Koning der Kerk wordt geëerd, waar den Heiligen Geest officieel smarten worden aangedaan, wordt het dogma tot een relikwie van de slechtste soort, tot een valschen teen van een heilige, die nooit heeft bestaan.
Het eerste bij het dogma is dus een hartelijk gemeenschappelijk geloof".
En daarbij blijft het dan niet.
„Dat gemeenschappelijk geloof kan niet in het hart besloten blijven. Indien dat zoo was, zou het benauwd worden in den geloovige en in de Kerk. Zwijgen zou een geweldige pijn veroorzaken. Want het geloof vult hart en Kerk zóó, dat als er geen uitlaat voor wordt gevonden, het tot een explosie zou komen. Maar God heeft aan persoon en Kerk een mond geschonken, om dat innerlijke geloof te belijden. En die belijdenis maakt de band der gemeenschap ook openbaar. De Kerk wordt daardoor aaneengesmeed".
Zoo is dan het dogma een geloofsuiting van de geheele Kerk.
PROFETEN DIE BROOD ETEN
Dezer dagen circuleerde in de pers een bericht met het opschrift : Wat zal 1939 brengen ? Wij zullen dat hier niet overschrijven. Alleen willen we zeggen, dat het voorspellingen bevatte van een Franschen astroloog — iemand, die den loop der sterren naspeurt — Maurice Privat, die vroeger zich ook al gewaagd heeft aan allerlei profetieën. Zijn voorspellingen, die gedaan zijn „met de neus in de sterren gestoken", klinken niet erg opwekkend. „Onze planeet zal heel wat te verduren hebben dit jaar". Data worden genoemd : 17 Juni, 17 Sept. en 17 Dec, wanneer er „groote verwarring zal komen", hoewel een wereldoorlog zal uitblijven. 17 Dec. '39 zal fataal worden voor Italië's staatshoofd ; een troon zal vallen, door den dood, enz. In Duitschland zal een tragische periode beginnen. Hitler zal vanaf 17 Sept. aan een ernstige griep lijden. Göring's positie zal ernstig bedreigd worden, in den strijd om de macht met Göbbels. In Engeland zal groote zorg zijn over den gezondheidstoestand van den koning ; 7 en 12 Mei zal dat het ergste zijn. De Chineezen zullen 2 Juni een groote overwinning behalen. In de Vereenigde Staten zal Roosevelt, die als president herkozen zal worden, een groote rol spelen. In Frankrijk zal herstel van het crediet en van den socialen vrede plaats vinden en Laval zal in de regeering terugkeeren. 21 Mei en 21 Nov. zullen angstige dagen zijn. Een nieuwe Paus zal omstreeks 20 Nov. gekozen worden, maar hij zal z'n toevlucht buiten Rome moeten zoeken door binnenlandsche strijd in Italië. Enz. enz.
Wij weten van den man, die, „met de neus in de sterren gestoken", dit alles voorspelt, verder niets. Maar wij zouden zoo zeggen : doen dergelijke profeten niet beter, hun mond te houden ? Een „, boodschap" hebben ze niet, zooals de profeten Gods hadden. Ze kakelen alleen van dingen, die onrust, angst, benauwenis kunnen geven, zonder dat er een „boodschap" komt in 's Heeren Naam. Ze wekken vertrouwen, zonder, eenigen grond, dan alleen dat ze zelf zeggen, dat ze het „van de sterren hebben gehoord".
Dat zulke menschen zichzelf bezig houden met zulke liefhebberijen, moeten ze tenslotte zelf weten, maar ze moesten dat niet voor de ooren des volks verkondigen. Daartoe hebben ze niet 't minste recht.
Stel eens, dat er in Nederland ook zulke planeet-kundigen, waarzeggers en toovenaars opstonden (en ze zijn er in menigte), die publiek zulke fraaiïgheden gingen verkondigen aangaande onze Koningin, of ons Prinsesje, of onzen Minister-President, of wie ook. Zou er dan niet zelfs oorzaak zijn, om zulke menschen het zwijgen op te leggen ?
Dat ze het voor zichzelf gelooven en dat ze „werkende .met een ei of met koffiedik" het voor een paar kwartjes of een gulden aan hun clientele, met gesloten oogen, gewichtig profeteeren, is al erg. Maar dat ze het publiekelijk zeggen of schrijven, gaat de perken te buiten.
Jammer, dat zulke „helder-zienden" bij duizenden, die aan alle hooger licht vreemd zijn, en aan de waarheid Gods ontzonken, in hooge eere zijn.
Wie zal ze tellen die aan zulke dwaasheden gelooven ?
Het is een „nieuwe religie" geworden, vol van „occulte verschijnselen". Lezenswaardig is in deze wat onlangs prof. dr. G. van der Leeuw hierover gezegd heeft en niet minder wat ds. A. B. te Winkel schrijft in „de Kroniek" in „Onder eigen Vaandel" (driemaandelijksch tijdschrift, Jan. '39. Uitgave : H. Veenman & Zonen).
Verschrikkelijke practijken — en dat in onze „verlichte twintigste eeuw".
Ze hebben Mijn Woord verworpen — klaagt de Heere. En Hij bewijst, dat Hij de wijzen nu vangt in hun dwaasheid.
En duizenden worden er de dupe van ! Omdat men .mee God en Zijn Woord veracht en verwerpt.
Men leze : Deut. 18 vers 10—14, waar we in het 13de vers lezen : „Oprecht zult gij zijn met den Heere, uwen God".
DE BELIJDENIS EN DE KERK
In een artikel over de Ned. Geloofsbelijdenis, voorkomend in „De Geref. Kerk", staat :
„Het opschrift der Ned. Geloofsbelijdenis vermeldt, dat zij is „ghemaekt met een ghemeyn accoort door de gheloovighe, die in de Nederlanden overal verstroyt zijn, dewelcke na de suyverheyt des Heyligen Evangeliums ons Heeren Jesu Christi begheeren te leven".
Het is dus hier een „gemeenschap", die haar geloof uitspreekt en haar belijdenis neerlegt. „Het belijden is niet het werk van enkelen of van een groep maar van allen tezamen, van de Kerk in haar geheel. De Gereformeerde Christelijke Kerk in Nederland, de van Roomsche dwaling en bijgeloof gezuiverde, de tol het Evangelie bekeerde Kerk, spreekt in deze 37 artikelen uit, wat zij gelooft. Elk lid van deze Kerk wordt dus als vanzelf getrokken binnen den kring van deze belijdenis. De opvoeding, het leven, het gelooven en belijden van elk lid dezer Kerk staat onder het voorteeken van deze belijdenis".
„Hiermee is niet te rijmen een subjectivisme en individualisme, dat eenerzijds een ander gelooven en belijden in deze Kerk duldt, anderzijds de belijdenis beschouwt als een accoord, welks aanvaarding ten grondslag ligt aan aansluiting bij die Kerk".
„Dit gelooven en belijden houdt in een crisis, een oordeel, een beslissing, een verwerping van andere opvattingen. Door deze verwerping scheidt de Kerk zich af van, trekt zij éen grens tusschen zichzelf en de dwaling, de afgoderij, de wereld en degenen, die niet van de Kerk zijn. Terwijl zij tevens èn door die verwerping en door haar positief belijden zichzelf openbaart in haar eigen aard en karakter als Gereformeerde Christelijke Kerk".
„Waar deze belijdenis is, is deze Kerk. De eenige in Nederland. Er is maar één gemeenschap van geloovigen, die deze belijdenis heeft, in ons land. Deze overweging plaatst ons op een zuiver kerkelijk standpunt en verlost ons van onkerkelijk sectarisme, zoowel als van een onkerkelijke ruimhartigheid, die, in wezen door en door sectarisch, zich opgewerkt heeft tot het „verheven" standpunt van „over de Kerkmuren heen elkaar de hand kunnen reiken".
Gód geve meer en meer aan onze Hervormde Kerk als Kerk het gelooven en den moed om te belijden !
KENNIS VAN DE SYMBOLISCHE EN LITURGISCHE GESCHRIFTEN
Het is een billijke eisch, dat ieder, die predikant wenscht te worden in de Nederlandsch Hervormde Kerk, bekend is met de symbolische- en liturgische geschriften onzer Kerk. En niet alleen iedere a.s. dominé, maar ieder lidmaat van de Hervormde Kerk dient kennis te dragen van die kerkelijke geschriften ; met name dus van : de Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 Artikelen, den Heidelbergschen Catechismus in 52 Zondagsafdeelingen en dé Vijf Leerregels van Dordt ter bestrijding en verwerping van de leer der Remonstranten (de Drie Formulieren van Eenigheid of de symbolische geschriften), maar óók van de formulieren voor Doop en Avondmaal, bevestiging van dienaren des Woords, enz. enz. (de liturgische geschriften).
De Ned. Hervormde Kerk heeft bepaalde symbolische geschriften (belijdenisschriften) en bepaalde liturgische geschriften (voor de eeredienst). Dat zijn geen onbestemde en onbekende geschriften ; neen, ieder weet (moet althans weten) wat er mee bedoeld wordt, als in het Reglement op het Examen tot toelating van de Evangeliebediening in de Ned. Hervormde Kerk, art. 21c, gesproken wordt van „Kennis van de symbolische- en liturgischegeschriften van onze Kerk".
Oorspronkelijk was de Apostolische Geloofsbelijdenis het symbolische geschrift der Christelijke Kerk, waaruit men kon weten, wat de Kerk. van Christus geloofde en beleed. En de liturgische handelingen waren : de Doopsbediening en de viering van des Heeren Heilig Avondmaal, welke beide sacramenten van den beginne als middelpunt hadden: : Jezus Christus en die gekruisigd. Wiens bloed reinigt van alle zonden. Wiens leven ons leven moet zijn.
Maar in de dagen van de Hervorming zijn uit den strijd geboren de tegenwoordige symbolische geschriften, waarin de belijdenis vervat is. En ook is de liturgie of eeredienst der Hervormde Kerk nader geregeld en hebben we de liturgische geschriften gekregen, die we nu nog hebben.
De Reformatie beleed, dat de symbolische geschriften uit de Heilige Schrift geput waren en met Gods Woord overeenstemden. Ware dat laatste niet het geval, dan zouden ze voor het Gereformeerd Protestantisme geen waarde hebben, want alleen Gods Woord is waarachtig, terwijl ieder mensch van nature leugenachtig is. Hoe dichter de Kerk dan ook hij Gods Woord leeft, als de bron voor leer en leven, hoe beter dat het is !
De belijdenisschriften zijn dus voor ons, Hervormden, de Drie Formulieren van Eenigheid : 1. de Ned. Geloofsbelijdenis; 2. de Heidelbergsche Catechismus en 3. de Dordtsche Leerregels. Hierover mag geen twijfel bestaan. ledere a.s. dominé moet dat op het Examen weten en ieder lidmaat moet bet voelen. Want de Kerk spreekt maar niet in 't wilde weg, maar heeft haar bepaalde belijdenis, óók in onderscheiding van andere Kerken, als de Roomsche-, de Luthersche-, de Remonstrantsche Kerk, enz.
En de liturgische geschriften zijn óók bekend in onze Ned. Hervormde Kerk, zijnde de geschriften die noodig zijn voor de ordelijke gang van de godsdienstoefening en de uitoefening van de eeredienst. (leitourgia is het Grieksche woord, waarvan ons woord liturgie is afgeleid : eeredienst, gang van de openbare godsdienstoefening). De liturgische geschriften bevatten dus „de stof der liturgie", met de publieke gebeden, formulieren voor de Sacramentsbediening, bevestiging van ouderlingen en diakenen, voor de ban of uitsluiting uit de gemeente, enz. enz.
De Synodale verordening, die 11 Juli 1817 gegeven is, inzake de openbare eeredienst, verklaarde nadrukkelijk, de bestaande liturgie-formulieren niet te willen wijzigen of vervangen (C. Hooyer : Kerkelijke wetten 1846, folz. 360). En zoo zeggen we, evenals bij de symbolische geschriften (of de belijdenisgeschriften), dat de liturgische geschriften onzer Kerk alleen die zijn, welke als zoodanig in 1618—'19 zijn vastgesteld.
We onderscheiden de symbolische- en de liturgische geschriften, omdat ze uit een verschillende behoefte zijn ontstaan en voor een onderscheiden doel zijn ingesteld, maar hoezeer het noodig is, om ze te onderscheiden, ze hangen toch, als getuigenis en regeling van de Kerk, ten nauwste met elkaar samen. Het zijn de leer- en dienstgeschriften, die uit één bron voortkomen en van éénerlei inhoud zijn. Het zijn de „publieke geschriften", die het karakter, het leven der Kerk, in belijdenis en eeredienst typeeren en naar buiten en naar binnen getuigen : wat de Kerk heeft te gelooven en hoe zij heeft te leven. De belijdenis der Kerk kan immers niet los staan van de bediening des Woords en der Sacramenten, van de liederen der gemeente en de kerkelijke gebeden voor de openbare eeredienst ? Gebed, sacramenten en andere kerkelijke plechtigheden moeten met de belijdenis der Kerk overeenstemmen. En dan is de volgorde, dat eerst de symbolische- en dan in dé tweede plaats de liturgische geschriften komen ; eerst de belijdenis en dan de eeredienst. Het liturgisch element moet staan onder vigeur van het symbolisch of belijdend karakter der Kerk. Het is dezelfde belijdenis, die beurtelings wordt uitgedrukt in Woord en Sacrament, in Confessie en Catechismus, in prediking, lied en gebed !
En nu moeten wij vertrouwd zijn met den inhoud van die symbolische- en van die liturgische geschriften. We moeten weten wat er in staat, wat ze hevatten, wat ze getuigen en wat ze voorschrijven voor héél de Kerk, voor haar belijdenis en voor haar leven. En die de Kerk als predikant dienen wil, moet met hetgeen de Kerk voorschrijft, niet alleen bekend en vertrouwd zijn, maar moet er ook van ganscher harte mee instemmen, daar hij anders, uit den aard der zaak, moet uitspreken : ik behoor in die Kerk, met die belijdenis en met die liturgie, niet thuis l Dat zou althans eerlijk zijn.
Het is verblijdend, dat in onze dagen èn door predikanten èn door gemeenteleden meer dan vroeger belangstelling getoond wordt voor de liturgie, voor de openbare eeredienst en de gang voor de bediening des Woords, der Sacramenten en der gebeden. En we mogen ook niet over 't hoofd zien, dat daarbij meer dan vroeger aandacht geschonken wordt aan de belijdenis der Kerk en de symbolische geschriften, die wij in de Drie Formulieren van Eenigheid bezitten. De Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 37 Artikelen wordt weer méér ter hand .genomen en de Heidelbergsche Catechismus in 52 Zondagsafdeelingen staat weer meer in het centrum der belangstelling. En zoowel het ééne als het andere kan meewerken tot meer bewust meeleven met de Kerk en tot bevordering van den goeden gang der dingen, in 't midden van de gemeente.
Geen predikant mag onbekend zijn. met de symbolische- of belijdenisschriften der Kerk. Een hartelijke instemming daarmee is eisch.
Geen predikant mag slordig en onverschillig zijn ten opzichte van de liturgische geschriften, die den gang van de openbare godsdienstoefening, voor de gemeenschappelijke Godsvereering, regelen. De kerkelijke orde moet door de dienaren der Kerk gekend en onderhouden worden, tot eere Gods en tot stichting der gemeente.
Och, dat alle slordige en onverschillige dominees spoedig tot het verleden mochten bchooren !
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (8)
Voor de methode der Zending worden in het Nieuwe Testament eenige belangrijke wenken gegeven. Bij de uitzending der Apostelen, in Matth. 10, en bij de opdracht aan de zeventigen gegeven, in Lukas 10 ons beschreven, moet men in het oog houden, dat zij alleen 'bedoelde de vele steden en dorpen in Galilea bekend te maken met het Evangelie van Christus. Jezus had reeds geruimen tijd in dit land gewerkt, maar Zijn dag was kort en de arbeid omvangrijk. Zoo gaf Hij dus aan Zijne apostelen en later ook nog aan de zeventigen last, om heen te gaan naar de verloren schapen van het huis Israels en in hun midden Zijn werk voort te zetten. Daarmede staat in verband, dat Hij hun niet alleen opdroeg, om het Evangelie van het Koninkrijk te verkondigen, maar ook de macht gaf, om kranken te genezen, melaatschen te reinigen en zelfs dooden op te wekken, opdat de kracht van het Evangelie en des geloofs zou openbaar Avordpn in het midden des volks tot bevordering van de komst van Gods Koninkrijk. Want dat komt niet met kracht en met geweld des menschen, maar de kracht en sterkte Godes ontbrak niet.
Hierbij is op te merken, dat de Heiland hen uitzond op zoodanige wijze, dat zij onder hun eigen volk, waar de gastvrijheid in eere was, alles zouden ontvangen wat hun. als arbeiders in Gods Koninkrijk toekwam. Zij moesten zich met opzet van alle uitrusting onthouden, zij mochten geen geld, geen reistasch, geen kleederen en sandalen boven die, welke zij droegen, meenemen, maar moesten, waar de arbeider zijn voedsel waardig is, leven van de gastvrijheid van dat huis, , waar zij, na zorgvuldig onderzoek, hun intrek namen, om dan van daaruit, de geheele plaats te bearbeiden. Elke poging, om van de bediening des Woords en vooral van de gave der gezondmaking, eene geldwinning te maken, wordt hier door den Heiland in sterke woorden verboden. Zijne dienaren hebben wel recht op onderhoud, maar wat zij ontvingen om niet, moeten zij ook geven om niet. En bij hun arbeid hebben zij vooral ook menschenkennis van noode ; zij moeten verstandig zijn als de slangen, maar tegelijk, met vermijding van alle listigheid en bedrog, ook oprecht zijn als de duiven.
Het is de aandacht waard, hoe eng de apostel Paulus in zijn Zendingsarbeid bij deze methode aansloot.
Natuurlijk is er allerlei onderscheid, daaruit voortvloeiende, dat de Apostelen onder hun eigen volk arbeidden, terwijl Paulus uitgezonden werd tot de Heidenen. Maar evenals de Apostelen niet lang in ééne plaats zich ophielden, doch spoedig een andere stad of dorp gingen bezoeken, zoo trok Paulus snel van de eene plaats naar de andere, en stelde hij de evangelisatie van heel de wereld zich ten doel. Langzamerhand en onder de leiding des Geestes ontwierp hij zich een program, waarnaar hij meer en meer naar het Westen doordrong, vooral in die steden ging arbeiden, waar Joden woonden, en die het middelpunt van een landstreek vormden, om dan de door hem gestichte gemeente over te laten aan zijn medearbeiders, om het Evangelie te bevestigen en van het centrum uit te breiden.
Evenals Jezus de zeventigen twee aan twee uitzond (Lukas 10 : 1) zóó voorzag de apostel Paulus zich voortdurend van jeugdige medearbeiders, die hem in zij.n dienstwerk terzijde stonden of ook na zijn vertrek op den door hem gelegden grondslag voortbouwden (Barnabas, Marcus, Lucas, Silias, Timotheüs, Titus, enz.) Leerzaam is het daarbij op te merken, dat Paulus van deze medearbeiders niet altijd de aangenaamste ervaringen opdeed (Hand. 15 : 37—39) en dat hij aan het einde van zijn leven over zijn verlatenheid klagen moest (2 Tim. 4 : 10—16).
In den regel weigerde de Apostel, om van de gemeenten, die bij diende (hij, de ongehuwde, rondtrekkende prediker) ondersteuning te ontvangen ; maar deze weigering sproot uit bijzondere omstandigheden en uit l^ersoonlijke overwegingen, niet uit een beginsel voort (1 Cor. 9 : 15--23). Nadrukkelijk immers handhaafde hij, met beroep op Jezus' woord, voor de dienaren des Evangelies het recht, om van het Evangelie te leven. En hij liet de andere Apostelen in de gebruikmaking van dit recht volkomen vrij en ook zelf nam hij soms eenige ondersteuning van de gemeente te Filippi aan. (Hand. 18 : 3 ; 20 : 33, 34 ; 1 Cor.' 4 : 12 ; 9 : 4—16 ; 2 Cor. 11 : 9 ; 12 : 13 ; Filipp. 4 : 10, 15, 16 ; 1 Thess. 2 : 9 ; 2 Thess. 3 : 8 ; 1 Tim. 5:8).
(Wordt voortgezet.)
slaan, zoo gaat ze óók door schuld op de nakomelingen over. Wat Paulus zegt is zoo waar : „Door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch zijn velen tot zondaars gesteld" Rom. 5 : 19.
Dat de mensch de oorspronkelijke rechtheid mist is rechtvaardige straf Gods voor de ongehoorzaamheid van Adam en ons ; een straf, die met de natuur en de wet Gods overeenstemt.
En wanneer men zou tegenwerpen en zeggen : God had toch de zonde van Adam niet met zoo'n zware straf moeten straffen, wetende dat het den ondergang van het geheele menschdom zou na zich slepen, dan moet ons antwoord zijn : de gerechtigheid moet plaats hebben, al verga de wereld ook. God moest de weerspannigheid van den mensch op) deze wijze straffen van wege Zijn vlekkelooze rechtvaardigheid en waarheid ; daar de beleediging van den hoogst Goede ook de grootste straf n.l. de eeuwige vernietiging van het schepsel verdiende, en God gezegd had : ,,GIJ zult den dood sterven". Een blijk van Zijn barmhartigheid is het, dat Hij naar Zijn welbehagen in Christus de uitverkorenen tot zaligheid, redt en behoudt.
Nu moet men niet tegenwerpen, dat de neiging naar een of ander voorwerp zeer natuurlijk is en geen zonde is te achten. Want zeker is het natuurlijk, dat ons verlangen uitgaat naar die dingen, die God voor ons geschapen heeft, zooals de hongerige begeert de Spijze te eten, die God voor hem beschikt heeft. Maar de begeerte naar datgene wat in strijd is met Gods heilige wet, is zonde.
Ook moet men niet zeggen, dat bij de heiligen, aan wie de zonden vergeven zijn, de erfzonde zich dan niet kan overplaatsen op hun kinderen. Want men moet wèl onderscheiden hier. Wat de schuld en de verdoemenis aangaat is aan de kinderen Gods hun zonde, in Christus, vergeven, maar het beginsel, de verdorvenheid, die in strijd is met de wet, blijft. Want wel is het waar, dat zij door den Heiligen Geest worden wedergeboren en de nieuwe mensch opstaat, maar deze vernieuwing wordt in dit leven nooit ten einde toe volbracht. De verdorvene natuur, die zij zelven bezitten, plaatsen zij derhalve o]) hun nakomelingen over. De ouders planten niet over wat zij door genade in Christus hebben ontvangen, maar planten over hun natuur, die hun eigen is. Want de gerechtigheid is hun toegerekend, maar de ongerechtigheid bezitten zij van nature, uit welke, natuur hunne kinderen geboren worden ; aan welke natuur de verdoemenis verbonden is, omdat zij zondaar zijn. De kinderen worden niet naar de genade uit hen geboren, maar naar de natuur. En wie zal een reine voortbrengen uit een onreine ? Zijn we niet allen in zonde ontvangen en geboren ? En niet aan de natuurlijke voortplanting, maar aan de zeer vrije verkiezing Gods zijn de genade en de gerechtigheid verbonden.
Augustinus zegt : een vader die besneden is, brengt voort een onbesneden jongske. En het graan dat gezuiverd is brengt voort graan met omhulsel, kaf, halm, aar enz. Wat uit vleesch geboren wordt, is vleesch.
Nog andere tegenwerpingen en vragen zijn er hier in zake de erfzonde, die overgaat van de ouders op de kinderen. Maar daarover een volgend maal. (Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's