KERKELIJKE RONDSCHOUW
ZONDER BELIJDENIS-DOEN toelating tot het Avondmaal ?
Alle goede dingen bestaan in drieën. Daarom nog een klein stukje uit „de Vragenbus" van ds. Lingbeek.
De jeugdige vriend had aan ds. Lingbeek ook deze vraag gesteld, of de Kerk maar niet zonder belijdenis-doen toegang tot des Heeren Heilig Avondmaal moest geven. Als iemand toch begeerte heeft om aan de tafel des Heeren te gaan, dan moest de Kerk hem of haar maar toelaten, ongeacht of men belijdenis des geloofs heeft afgelegd of niet.
Zoo was zoo ongeveer de redeneering van den jeugdigen vrager.
Maar — als men met zulke dingen juist bij ds. Lingbeek te biecht gaat, dan komt er wat ! Want dat is hem toevertrouwd. Vooral als men komt met allerlei „gevoels-praat", waarbij de mensch zoo graag met zichzelf komt aandragen.
Ds. Lingbeek antwoordt dan :
„En nu nog wat betreft de meening : dat de Kerk, ook zonder geloofsbelijdenis, een ieder ten Avondmaal moest toelaten. Wij vragen : waarom ? De gelegenheid om belijdenis te doen en daarmede de Avondmaalstafel staat immers altoos open voor een ieder, die het begeert. Waarom dan die openbare belijdenis alvorens toegelaten te worden, afgeschaft ?
En stel eens, dat de openlijke belijdenis werd afgeschaft, dan werd daarmede ook het Catechisatie-onderwijs afgeschaft. Dan zouden de jongelieden dus niet meer tot het geloof worden opgeleid. Maar de Apostel schrijft niet, dat het geloof een mensch aanwaait, neen, hij zegt : „het geloof is uit het gehoor".
Jonge menschen dus, zullen eerst moeten hooren en luisteren, moeten onderricht en gevormd worden.
Anders „zou men nog veel meer dan nu" aldus de grijze ds. Lingbeek „jongelieden krijgen, die meenden veel wijzer te zijn dan alle leeraren met elkaar ; over alles te mogen meepraten, hoewel ze zelfs de eerste beginselen van hun Doop nog niet verstonden, laat staan wat het in heeft, dat Jezus onze Zaligmaker heet en is.
Velen denken, dat „voor Jezus uitkomen" beteekent, dat zij iets zijn of iets doen voor Hem. Ze verstaan er dan echter niets van. Want het is juist : dat wij het alles dagelijks in Hem zoeken — zooals ook het Doopformulier ons leert.
Wat is een goede catechisatie toch noodiger dan brood !"
Aldus ds. Lingbeek, en wij zeggen het hem na.
Men moet in de kerkelijke belijdenis ingeleid worden. En dan zegt die kerkelijke belijdenis (Cat. Zondag 7), dat een waar, echt, vast geloof, waaraan we als christen wat hebben, in sluit, dat we goed op de hoogte zijn van alles wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft en ons in Zijn Evangelie belooft. Dat geeft een vast vertrouwen der ziel, waarbij we kunnen leven en sterven.
En dat „alles, wat God ons in Zijn Woord geopenbaard heeft en alles wat Hij in het Evangelie ons belooft" is het onderwerp op de catechisatie als geordend Kerkelijk onderwijs.
Menschen die zoo gaarne wat voor Jezus doen willen zien dat wel eens over 't hoofd. Menschen, die uit Christus leven mogen, hebben er telkens behoefte aan om onderwezen te worden uit de Schriften en daarbij te leven.
Zegt onze moderne tijd, dat .alles gaat om het kunnen, de christen blijft zeggen, met den Christus, dat het gaat om het kennen. Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen en waarachtigen God en. Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.
Dus bijven we, ook bij de Kerkelijke regel : eerst komen tot het belijdenis doen en dan de toegang tot des Heeren Heilig Avondmaal.
GEEN BEKEERING Nà DEN DOOD MOGELIJK.
Wijl preekten onlangs over Cat. Zondag 22 ; over de opstanding des vleesches (des lichaams) en liet eeuwige leven, de laatste twee artikelen van onze Apostolische geloofsbelijdenis. Geloofsbelijdenis, herhalen we. Omdat het hier gaat door gelooven en niet door aanschouwen. Door gelooven en niet in de weg van het verstand, van wijsheid of wetenschap. Zeker ook niet in de weg van oudere en nieuwere theosophische of buddhistische godsdiensten — wijsgeerige stelsels.
Bij navraag over enkele dingen, dit onderwerp betreffend — dat door alle eeuwen heen immers de aandacht heeft getrokken van wijsgeeren, denkers, dichters, profeten onder alle volkeren, omdat God de eeuwigheid in ons hart gelegd heeft — kwam ook ter sprake of er nog bekeering mogelijk is na den dood.
Wij willen ook hier deze belangrijke vraag even onder de oogen zien. En liever dan er nu zelf een en ander over te schrijven nemen we hier over wat Prof. Wisse indertijd (het is al lang geleden, want het was in 1918) hierover schreef in zijn nog altijd lezenswaardig boek : „De Dood en het hiernamaals" (Buurman en De Kier, Leiden). We schrijven 4 pagina's uit dat boek af :
„Van een tusschenstaat of loutering der ziel, zooals in den modernen tijd de theosophie weer leert, in navolging van de oud-heidensche voorstellingen, is geen sprake. Dat de mensch na het sterven nog éénmaal de gelegenheid zou ontvangen, om zich tot Christus te wenden, en alzoo toch nog behouden zou kunnen worden, strijdt in alles met hetgeen de Heiland geleerd heeft en God ons in Zijn Woord heeft geopenbaard. Men zegt dan, dat de ziel, die bij het sterven ; niet ten hemel opstijgt, maar in de richting van de rampzaligheid zich zou voortbewegen, nog eenmaal Christus tot zich zal zien komen. Die haar als met uitgebreide armen vol medelijden vragen zal, of ze nu niet bemerkt, hoe vreeselijk het is. Hem in het leven verworpen te hebben, en of ze dan nu nog in Zijn reddende hand wil vallen. Maar voor een dergelijk gevoelen geeft de Heilige Schrift geen recht.
De Heilige Geest weet niets van zulk een voortgaande en voortdurende evangelieprediking in het doodenrijk.
De éénige plaats, welke voor deze leer zou kunnen schijnen een gegeven te zijn, is 1 Petr. 3 : 19—21 en 4 : 6. Wij laten deze teksten hier volgen (Ds. Wisse heeft ze niet uitgeschreven) en wel (met opzet) naar de nieuwe vertaling van Prof. Brouwer. In 1 Petr. 3 : 18— 21 lezen we dan (we beginnen dus met vers 18) : „Want ook Christus is eenmaal voor de zonden gestorven. Hij rechtvaardig voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou leiden. Hij, die gedood werd naar het vleesch, maar levend gemaakt naar den geest. Daarin ging Hij ook heen en predikte den geesten in den Kerker, die eens gehoorzaamheid hadden geweigerd, toen God in Zijn lankmoedigheid bleef wachten, in de dagen van Noach, bij' het bouwen van de ark, waarin weinige, namelijk acht, zielen door het water heen gered werden."
En 1 Petr. 4 : 5 en 6 : „Maar zij die nu in allerlei zonden leven en u, die niet mee wilt doen, lasteren, zullen rekenschap hebben te geven aan Hem, die gereed staat, levenden en dooden te oordeelen. Want met dit doel is ook aan dooden het Evangelie verkondigd, opdat zij, op menschelijke wijze wel geoordeeld naar het vleesch, evenwel op Gods wijze zouden leven naar den Geest."
Ds. Wisse gaat dan voort en zegt :
„Gesteld al eens, dat deze teksten inderdaad leerden (des neen), dat Christus na Zijn opstanding een evangelieprediking had gehouden tot de tijdgenooten van Noach in het doodenrijk, dan zou echter daaruit nog geenszins voortvloeien, dat zulk een evangelieprediking aan alle gestorvenen, die buiten den hemel zijn, geschiedt, en wel voortdurend nu geschiedt. Het Grieksche woord dat hier gebruikt wordt voor „prediken", in den grondtekst, duidt bovendien aan (een dusgenaamde aoristus wordt hier gebruikt), dat de hier bedoelde prediking door Christus slechts éénmaal is geschied.
bovendien ook niet aan te nemen, dat dit een prediking van het evangelie is geweest tot zaligheid ; want het zou zeer ongerijmd zijn, te denken, dat aan het geslacht der menschen tijdens Noach, hetwelk in de H. Schrift ons wordt beschreven als bij uitstek goddeloos, wèl de mogelijkheid tot behoudenis zou zijn gepredikt, doch aan zoovele anderen niet.
Evenwel — en dit zegt nog méér — in 1 Petr. 3 : 18-—21 is geen genoegzame grond voor de gedachte dat Christus aan Noach's tijdgenooten in het doodenrijk het Evangelie zou hebben gepredikt.
Prof. dr. H. Bavinck zegt er van : „Daar wordt alleen gezegd, dat Christus na Zijn opstanding, levendgemaakt zijnde als Geest, naar den hemel is gegaan, en door deze Zijne hemelvaart aan de geesten in de gevangenis gepredikt, en de engelen, machten en krachten aan zich onderdanig gemaakt heeft. Evenmin is er in 1 Petr. 4 : 6 van zulk een prediking des evangelies sprake Die verkondiging van het evangelie had eenmaal plaats, en wel met het doel, dat zij, die haar hoorden, naar der menschen wijze in het vleesch geoordeeld zouden worden, d.i. sterven zouden, maar naar de wijze Gods in den geest leven zouden. De prediking van het evangelie ging dus aan het sterven vooraf ; de „dooden" zijn zij, die nu dood zijn, maar die bij hun leven het evangelie hoorden. De reden, waarom Petrus deze menschen dooden noemt, ligt in het voorgaande vers. Daar werd gezegd, dat Christus gereed staat, om te oordeelen de levenden en de dooden. Welnu, evenals aan de levenden thans, zoo werd vroeger aan hen, die thans dood zijn, het evangelie verkondigd, opdat zij, ja nog wel sterven zouden in het vleesch, maar toch nu reeds in den geest bij God leven zouden". (Bavinck).
Bovendien zijn er nog andere bezwaren, die deze leer van een evangelieprediking aan de dooden beslist onaannemelijk maken. Het is toch niet in te zien, waarom de zondaar, die hier niet verkoos tot Christus te komen, na het sterven uit (eigen beweging) dit wèl zou doen. Want te zeggen, dat de aanvankelijke hellesmart, of althans het verkeeren in den staat des doods, hen nu wèl zouden bewegen tot bekeering, is een ontkenning der leer, dat de mensch van nature in zonden en misdaden dood is. Hij zal alleen door har tv er ander ende genade tot zulk een bekeering komen. Ook. niet de staat des doods, zelfs niet de vlammen der hel zouden een zondaar kunnen bewegen in Christus' armen te zinken. Wel misschien, om te pogen van smart en lijden af te geraken, maar dat mag geen godverheerlijkende bekeering heeten. En evenmin ware dit een daad naar den aard van het oprecht zaligmakend geloof, door hetwelk alleen het eeuwige leven in Christus ons deel wordt ; want zulk geloof is het allereerst om Christus zelf. Zijn persoon en gemeenschap te doen. Van berouw kan dan ook op die manier geen sprake zijn. Berouw moet vrucht zijn van de wedergeboorte, en deze wordt niet door dood of hel verwekt, maar door God den Heiligen Geest. Het zij in allen teederen eerbied bedacht, maar daartoe had de H. Geest dan niet behoeven te wachten tot de ziel het lichaam verlaten had. Spijt zal men bedoelen, niet berouw. En ja gewis, de zondaar zal zich met bittere spijtigheid, knersing der tanden, te laat beklagen, dat hij de roepstemmen Gods verworpen heeft. Maar die spijt is om de gevolgen der zonde, niet om de zonde zelve. En dit toch is noodig tot zaligheid. En dat is alleen bij waar berouw te vinden ; berouw dat men God onteerd heeft, afgedacht van de straf der zonde. De bekeering wordt door deze dwaalleer dan ook feitelijk verlegd van uit Gods wederbarende almacht en vrijmacht, in den mensch. Wat we hier ontmoeten, is niets anders dan een pelagiaansche uitwas. Dan, welke waarde zou er in zulk een bekeering schuilen. Een bekeering uit vrees, angst, of wat het overigens ook mocht zijn, maar zonder dat de liefde Gods in het hart is uitgestort, is geen ware bekeering. Zulk een „bekeerde" moge vreezen voor de straf der zonde, de zonde zelf haat hij nog niet, en nóg minder verlangt hij naar het hemelleven. Hij is er een vijand van. Zulk een „verloste" zou in den hemel een hellesmart voelen daarin, dat hij er niet zondigen kan.
Om al deze redenen dient genoemde ketterij ten allerstelligste te worden verworpen, zijnde het gevaar verre van denkbeeldig, dat de natuurlijke mensch gaarne deze leer omhelzen zal ; aangezien zij hem leert den dag der genade te verachten, weinig ernst te maken met zijn kostelijke ziel, de zonde aan de hand te houden. Gods deugden tot onteering en beleediging ; en alzoo is zij een ware valstrik, om de ziel, nog met een schijn van vroomheid bovendien, naar de eeuwige rampzaligheid te voeren."
(Dr. G. Wisse : „De Dood. en het hiernamaals", blz. 82—85).
DE KERKELIJKE KAART (1)
Bij het begin des jaars, als de jaaroverzichten verschijnen en de jaarboeken weer met nieuwe gegevens komen, is het begrijpelijk, dat meer dan één zich afvraagt : hoe ziet de kerkelijke kaart er nu uit ?
Een van de eerste dingen, die ons weer opvallen is : wat is er onder het protestantisme een hopelooze verwarring en een scheuring en splitsing zonder einde. De lijst van gezindten, genootschappen, vereenigingen, bonden, kerken en vei'gaderingen van protestantsohe christenen is eindeloos. En ook onder degenen, die krachtens hun gelooven en belijden toch eigenlijk bij elkaar hooren, is de splijtzwam zoodanig aan het voortwoekeren, dat ons hart, vooral in deze benauwende tijden, met angst en droefheid vervuld wordt. Waar moet het toch heen met deze dingen ?
Verder bekijkt natuurlijk iedere Kerk haar eigen kaart. En hoe ziet het er dan uit ?
Wat de Gereformeerde Kerken betreft is er eigenlijk maar één stem, die zich doet hooren en overal schrijft men : De Gereformeerde Kerken zijn in zielental niet vooruitgegaan. Dat wil zeggen : de Gereformeerde Kerken zijn in het jaar dat achter ons ligt met een kleine 20.000 in zielental toegenomen.
Maar....... de Heraut merkt op : „maar deze vooruitgang is in verhouding tot de toename der bevolking veeleer een achteruitgang te noemen", wat vooral in sommige dassen en provinciën opvallen moet.
Wat mogen hiervan de oorzaken zijn ?
„De Heraut" zegt : „Sommigen hebben er op gewezen, dat met name de bestaande geschillen en verdeeldheden in ons kerkelijk leven vooral onder de jongeren den band aan onze Kerk losser hebben gemaakt. Een feit, dat juist is, zooals mij uit verschillende gevallen bekend is en waarop ik (aldus prof. dr. H. H. Kuyper) daarom ook zelf in ons Nieuwjaarsartikel wees. Een tweede oorzaak zocht men daarin, dat het geboorte-aantal in onze Kerken slinkt. In dat opzicht staan onze Kerken in ongunstige verhouding tegenover de Roomsche Kerk, waar het geboorte-aantal naar verhouding veel grooter is, zoodat men zelfs berekend heeft, dat méér dan de helft der kinderen, die geboren worden, Roomsch gedoopt worden. Ook in onze Kerken heeft helaas de geboortebeperking ingang gevonden, wat wel in verband staat met de slechte economische toestanden en de werkloosheid, maar daarom nog niet te verontschuldigen is. Dat hiertegen gewaarschuwd wordt, is daarom plicht.
Natuurlijk zijn naast deze beide oorzaken ook nog wel andere te noemen, die evenzeer van dezen relatieven achteruitgang hetzij globaal, hetzij plaatselijk oorzaak kunnen zijn. We noemen hier slechts enkele. Vooreerst de gemengde huwelijken, waardoor leden voor onze Kerken verloren gaan. In de tweede plaats, dat door de strenge bepalingen, die de Amsterdamsche Synode gemaakt heeft ten opzichte van leden onzer kerken, die lid zijn van C.D.U. en N.S.B., een deel dezer leden met onze Kerk gebroken heeft. In de derde plaats de zuigkracht, die er uitgaat van de Ghr. Geref. Kerk, de Kerstianen en de Oud-Gereformeerden.
Bovendien moet men hier rekening houden met de groote verplaatsing van de bevolking uit de dorpen naar de steden, waardoor soms een dorpskerk zoodanig slinkt, dat men voor de vraag gesteld wordt, of zoo'n Kerk nog recht van bestaan heeft, terwijl ha de stad niet alle leden behouden kunnen worden. Enz.
Gewezen mag óók worden op het feit, dat de Geref. Kerken ten minste niet 't meest te lijden heeft van achteruitgang. „Het is daarom goed", aldus „De Heraut", „dat onze kerkelijke doctoren de diagnose stellen en zoeken naar de geneesmiddelen om dit kwaad tegen te gaan ?
„Voor twee uitersten heeft men zich daarbij echter te wachten.
Eenerzijds dat men den geestelijken welstand eener Kerk niet uitsluitend beoordeelt naar de veelheid! harer leden. Met de volkskerk-idee hebben we gebroken ; we doopen niet alles wat in het doophuis. wordt binnen gebracht ; we laten niet ieder zonder keur ten Avondmaal toe ; we gedoogen niet dat wind van allerlei leering van onze kansels wordt gehoord. Een Kerk, die werkelijk trouw is aan haar belijdenis en naar Christus' bevel tucht oefent, kan geen volkskerk zijn en zal het zelfs geduldig moeten dragen, wanneer soms om haar trouw aan de belijdenis en haar tuchtoefening haar ledenaantal tijdelijk slinken zou. Van een Gideonsbende kan ten slotte meer kracht uitgaan dan van een gemengde hoop".
„Maar anderzijds dient men even zeer zich te wachten voor de donatistische en anabaptistische dwaling, dat men om de heiligheid der Kerk te handhaven een keur aanlegt, waardoor de Kerk liefst beperkt wordt tot een klein groepje van gelijkgezinden". „De Kerk heeft te winnen en niet af te stooten. Als trouwe moeder zal ze wat verloren dreigt te gaan opzoeken en met geduld trachten te behouden. Tevreden met wat ze aan ledental bezit, mag ze voorts nooit zijn. In de veelheid der onderdanen ligt des Konings heerlijkheid, geldt ook van Christus. Een Kerk, die dit niet verstaat en niet uitgaat om door propaganda en door evangelisatie onderdanen voor Christus te werven ook buiten haar kring, zou aan haar hooge roeping ontrouw worden. In dat opzicht kan een achteruitgang in ledental wèl een bedenkelijk verschijnsel zijn".
De volgende week willen we graag wat zeggen van de kerkelijke kaart in betrekking tot onze Hervormde Kerk.
(Slot volgt).
MODERN CHRISTENDOM (1)
Het is bekend, dat men in vrijzinnige kringen het woord „modern" meer en meer vermijdt. Men geeft aan „vrijzinnig" de voorkeur.
Men meent, dat men den Christelijken godsdienst niet gebonden mag achten aan de geloofsvoorstellingen der oud-Christenen. Maar men schijnt niet veel behoefte te hebben om zich nieuwe, moderne, te vormen. Men wil dus „vrijzinnig" zijn ten opzichte van het oude, maar men doet geen moeite „modern" te zijn met een nieuwe oriënteering. Men is meer negatief, door „vrijzinnig" het oude los te laten, dan positief, door te zeggen wat men nu in dezen geheel anders georiënteerden tijd', wèl wil.
Het gevolg is, dat ook „vrijzinnigen" veelszins nog allerlei oude geloofsvoorstellingen handhaven, omdat men z'n eigen beginselen niet doordenkt en niet in staat is met wat nieuws te komen, als conclusie van z'n beginselen. Zoo komt er ook een onoprechtheid, doordat men oude uitdrukkingen gebruikt, terwijl men den zin en den inhoud en de beteekenis daarvan, „vrijzinnig" zijnde, heeft losgelaten ; maar het gebrek is, dat men zelf geen „moderne" voorstelling en uiteenzetting heeft. Men praat over „het hoogste goed", „Gods wil", „gerechtigheid" enz. enz., terwijl men er heel. wat anders onder verstaat, dan het woord door 'het gebruik beteekenis en waarde heeft gekregen in de theologie. Er moeten andere voorstellingen komen dan de oude gangbare, die versleten en onwaar zijn, gezien de resultaten der wetenschap. En er moet ook voor de leden der gemeenten meer vrijheid komen, om zich door zelf gekozen voorgangers te laten leiden.
De emeritus-predikant P. Bruining schrijft daarover in zijn brochure „Modern Christendom" (van Holkema en Warendorf, Amsterdam) en hij zegt: ik wil dan een poging doen, om aan te geven hoe, bij aanvaarding van de resultaten van nieuw onderzoek op allerlei gebied, de moderne geloofsvoorstelling moet zijn en de oude gewijzigd moeten worden".
Wij laten uit die brochure hier een en ander volgen :
„Modern Christendom" bestaat uit twee woorden : eerst „Christendom" — maar dan ook „modern". Dit zegt ons, dat we moeten vasthouden aan de grondidee van 't Christendom, maar dan moet men een levenspractijk volgen en voorstellingen (dogmata) huldigen, met inachtneming van de denkbeelden op wetenschappelijk gebied van den nieuwen tijd.
De gelootsvoorstellingen zijn dan secundair en komen dus pas op de tweede plaats wat betreft oorsprong en beteekenis — de levenspracitijk is natuurlijk hoofdzaak bij het godsdienstig leven, toch is ook het huldigen van geloofsvoorstellingen bij het godsdienstig leven een integreerende factor.
Want hoe ontstaat ons geestelijk, in 't bijzonder, ons godsdienstig leven ?
Voorstellingen ontstaan van buiten af, door een wereld buiten ons. Wij ontvangen indrukken via net- en gehoorvlies en die indrukken van zintuigelijken aard worden langs de zenuwen voortgeplant naar de hersenen, waarin zij in voorstellingen worden omgezet. Dat gaat intuïtief, d. w. z. zonder dat de mensch zich bewust is hoe en langs welken weg dat gaat. En dan meent de mensch, terwijl de weg is : „van buiten komend en zoo naar binnen werkend", dat het net andersom is, en dat hij „aangeboren begrippen" heeft „ideae innatae). Maar de mensch krijgt die voorstellingen (dogmata) van buiten en heeft dan innerlijk normen, waarnaar wij in aesthetisclien en zedelijken zin, de waarde afmeten van wat wij zien en waarnemen en in ons opnemen. Dat zijn onze „waardeerings-oordeelen". En omdat die normen in ons zich wijzigen (ontwikkelen) staan wij hoe langer hoe meer naar betere dingen; hoewel onze krachten lang niet toereikend zijn om alles te omvatten ; en zoo staat veel de verwezenlijking van onze idealen in den weg en onze idealen kunnen niet altijd tegelijk verwezenlijkt worden (blz. 7). Dat veroorzaakt dan tweestrijd, disharmonie in den mensch, hetwelk hem veelvuldig zich onbehagelijk doet gevoelen. Het geweten verwekt die disharmonie. Want we weten zoowel hoe we moeten zijn en hoe we in werkelijkheid zijn (dat is het geweten, het weten van het eene, zoo goed als van het andere).
Nu kan de harmonie, de innerlijke vrede, alleen komen als de liefde in ons leeft, welke drijft tot meegevoelen met onze medeschepselen en tot werkzaamheid om hun wélzijn te bevorderen. Liefde, vooral voor medemensehen, geeft den mensch eerst de rechte waarde. En dat staat hooger, dan bedacht te zijn op stoffelijk welzijn en genot, of vervuld te zijn met aesthetische aspiraties.
Zullen wij komen tot volledig geluk, dan mag verwezenlijking van idealen in andere opzichten niet ontbreken, maar vooral moet liefde sterker worden en meer leiding geven. Doet het dit niet, is de altruïstische gezindheid niet voldoende sterk, maar wordt deze door andere begeerten overheerscht, dan spreken wij van , , een toestand van zonde". ,,Zondig" is geen van die begeerten op zich zelf, maar ze worden „zondig", wanneer door toegeven er aan het belang van anderen wordt of zal worden geschaad. Welk gevoel van zondigheid de voorstelling maakt van een gericht, dat over den mensch gaan zal.
De mensch gaat zich voorstellingen maken omtrent machten, die de wereld leiden, omtrent een Wereldbestuur, waardoor onze idealen, die we niet kunnen prijsgeven, gewaarborgd zijn. In ons zijn aandoeningen, die tot idealen leiden, en zoo maken we ons dan voorstellingen, ook van godsdienstigen aard. Dat is het „geloof des harten".
Zoo was er bij Jezus een gevoel, dat hij de menschen rein en liefdevol wilde hebben en hij gevoelde voor allen, zonder onderscheid. Dat gevoelen.werd bij hem omgezet in de voorstelling (dogma) dat „alle menschen kinderen Gods zijn". En die afweken, hield hij liefdevol vast. (blz. 8).
Nu gaat het om de juistheid van de voorstellingen, die in ons ontstaan.
Aan de juistheid van die omtrent een ons omringende „stoffelijke" wereld twijfelen we niet, omdat de indrukken dienaangaande steeds constant zijn en zich onveranderlijk aan ons opdringen. Zonder weifeling, die twijfel zou werken, zeggen we : het gras is groen, het ijzer hard, enz. Die indrukken van de zelfstandigheden („Dinge an sich") zijn altijd vast en dezelfde. Maar anders staat het met de voorstellingen omtrent de niet-zintuigelijk waarneembare orde in de wereld. We hebben „betere oogenblikken", maar ook zijn we dikwijls niet „in conditie". En zoo komt het, dat we dikwijls twijfelen.
Dan moeten we steun ontvangen van betere, van buitengewone menschen.
En er zijn persoonlijkheden in wie, door het werken der Almacht, de aandoeningen vaster zijn en zich krachtiger doen gelden en zij moeten dan „meer gewone" menschen helpen en sterken en leiden. Het zijn de Profeten onder ons ! En onder hen is de Christus de voornaamste ; hij is de „overste Leidsman en Voleinder des geloofs". Van andere Profeten en Godsdienststichters onderscheidt hij zich daar door, dat hij liefde voor alle menschen gevoelde en predikte ; dus : de waarde van lederen mensch erkende.
Het Boeddhisme is hierin anders ; dat erkent geen waarde in den mensch ; want de mensch moet, zal 't goed zijn, geheel opgelost worden in de algemeene Wereldziel ; hij moet opgelost worden in het j, Niet-zijn", het „Nirwana".
De natuurgodsdiensten, alsmede de Joodsche en de Mohammedaansche, kennen alleen waarde toe aan de menschen, die hun voorstellingen huldigen en hun godsdienstige ceremoniën volgen. Die dat niet doen, hebben blijkbaar geen waarde ; ook niet voor God.. En de latere belijders van het Christendom doen net zoo (Roomschen en oud-Protestanten). Maar het Evangelie (de gelijkenis van 't verloren schaap, de verloren penning, enz.) verkondigt, dat de Almachtige lederen mensch terecht zal brengen, d.i. tot ontwikkeling van zijn aanleg. In het beeld van den Stichter van 't Christendom, die uit liefde voor het menschdom zich zelfs kruisigen liet, stelt het ons concreet voor oogen hoe de mensch moet zijn.
De voorstelling „allen kinderen van God", moet ons eigen worden, ons sterker maken. En door de voorstelling van anderen moet de voorstelling ook in ons gaan leven. Zoo hebben we : tweeërlei openbaring, een uit-wendige, die van buiten tot ons komt (phanerosis) èn een inwendige, die ons de dingen, die anders voor ons verborgen zijn, doen zien (apocalypsis). Die laatste volgt niet altijd dadelijk op de eerste, toch moet het in dien weg gaan, dat de uitwendige mededeeling de inwendige voorstelling doet geboren worden ; en zoo moeten we gevoelen, dat „allen kinderen Gods zijn", (blz. 10).
Voor het tot stand komen en in stand blijven van een godsdienstige gemeenschap is het gewenscht en noodig, dat de leden daarvan tezamen gelijke voorstellingen koesteren. En omdat van repristinatie der oude dogmata geen heil te verwachten is, zou het een zegen zijn als er een modern-christelijke voorstelling of „dogmatiek" kwam ; da.irdoor zou de modern-Christelijke richting veel winnen in kracht en óók de Ned. Hervormde Kerk zal tot meerderen bloei komen, wanneer zij weer een belijdenis gaat krijgen, waarmee we kunnen instemmen, met elkander daarop op gelijke wijze „ingesteld" zijnde.
De groote voorstellingen van groote mannen worden zoo licht aangezien als van „goddelijken" oorsprong. Maar ook zij zijn „kinderen huns tij ds". En daarom kan er geen sprake van zijn, dat ze „blijvend" worden geacht en moeten „gehandhaafd" worden. De mensch, die onderlegd is in de kennis van het Heelal, zal niet te brengen zijn tot het wezenlijk aanvaarden van een lichamelijke hemelvaart. We hebben ook een moderne beschouwing van • „stof" en „geest" gekregen (blz. 11). Ze zijn niet van elkander gescheiden ; beide woorden zijn niet anders dan benamingen, onderscheidenlijk gebezigd voor hetzelfde. Een plantenzaad b.v. is stoffelijk en geestelijk tegelijk, want het kan worden getast, maar het kan tegelijk een organisme in 'I aanzijn roepen. En zoo is ook voor „transcendentie" in de plaats getreden „immanentie" ; en bij immanentie lian alleen sprake zijn van „vooruitgang" en „ontwikkeling". Vroeger dacht men aan mechanische openbaring, om te komen tot ontwikkeling in godsdienstige voorstellingen, maar de moderne tijd spreekt van „immanentie" (des geestes) die den weg baant om tot „ontwikkeling" te komen. Wat „ingewikkeld" zat wordt dan „ont-wikkeld" en komt tot „open-baring".
Daarom gelooft de moderne ook niet, dat alles door een van buiten af werkende kracht is te voorschijn geroepen, maar door een inwendige kracht is het tot ontwikkeling gekomen.
Het is daarom noodig, dal nieuwe voorstellingen (dogmata) gevormd worden ; er moeten nieuwe voorstellingen komen oj) godsdienstig gebied, waarbij rekening gehouden moet worden met de opvatting van , , immanentie" (des geestes). De oude voorstellingen van het oud-christendom moeten plaats maken voor de moderne voorstellingen van hel nieuw-christendom ; dan is men niet maar negatief „vrijzinnig", maar positief ,,modern".
Van die nieuwe moderne voorstellingen (dogmata) gaat ds. P. Bruining dan een en ander vertellen — waarover in een volgend artikel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's