De Heidelbergsche Catechismus
naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (14)
Ook deze tegenwerping wordt gehoord in zake de erfzonde : „Zoo de wortel heilig is, zijn ook de takken heilig" (Rom. 11 : 16). En dus zegt men, dan zijn dp kinderen der heiligen óók heilig en vrij van erfzonde. Maar ons antwoord is : Van het woord heilig wordt hier dan een verkeerd gebruik gemaakt. Want heiligheid beteekent op deze plaats niet : vrij van zonde of onbedorven van natuur te zijn. Over een heel andere zaak gaat het hier. Paulus spreekt hier over Abraham als de boom en de wortel en Abrahams zaad als de takken, en zegt dan, dat de kinderen en nakomelingen van Abraham het recht der uitwendige Kerk hebben verkregen, en dat God, om het verbond met Abraham gesloten, altijd sommigen uit Zijn nakomelingen heeft willen bekeeren en met de ware innerlijke heiligheid begiftigen.
Dit geldt ook, als men met een beroep op 1 Cor. 7 : 14 zegt : „Maar nu zijn uwe kinderen heilig". Dat wil dan niet zeggen, dat de kinderen der geloovigen heilig zijn, in den zin van zonder erfzonde. Want het zijn kinderen die door de voortplanting uit de ouders geboren zijn en zijn daarom niet allen wedergeboren en heilig ; want er is geschreven : „Want als zij noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, heb ik Jacob liefgehad en Ezau gehaat". Rom. 9 : 11—13. Maar de kinderen der geloovigen zijn heilig, omdat zij tot de uiterlijke gemeenschap der Kerk behooren ; ja ook voor burgers en leden der gemeente, zelfs voor verkorenen en gerechtvaardigden moeten gehouden worden, tenzij ze als volwassenen door ongeloof en goddeloosheid het tegengestelde van zich betuigen.
Zegt men nu, dat de nakomelingen alle ongerechtigheden der ouders en der voorouders, tot in verre geslachten, moeten dragen naar de leer van de erfzonde, en dat zoo die na ons komen het nog zwaarder zullen hebben te dragen, dan die ons voorgingen, dan zou er volgens de heiligheid en rechtvaardigheid Gods niets tegen te zeggen zijn. Maar al gedoogt God om Zijn rechtvaardigheid, dat de erfzonde als het bederf der natuur en de schuld op alle nakomelingen overgaat, toch stelt Hij ook door Zijn barmhartigheid aan de zonde perken, zoodat de nakomelingen niet altijd boeten voor de dadelijke zonden der voorgangers en de kinderen van slechte ouders niet altijd even slecht of nog minder en ongelukkig zijn.
Dikwijls hoort men ook de tegenwerping, die ontleend is aan Ezech. 18 : 20 : „De zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders". Men zegt dan : het is dus onrecht dat de nakomelingen hoeten voor Adams zonde ! Maar ons antwoord is : De zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, indien hij ze n.l. zelf niet goedkeurt en er in vervalt, maar ze veroordeelt en vermijdt. Wij boeten evenwel rechtvaardig voor Adams schuld : 1. Omdat wij allen zijn schuld goedkeuren en navolgen. 2. De zonde van Adam is zóó, dat ze óók de onze is. Wij waren immers allen in Adam toen hij zondigde. „In welken allen gezondigd hebben", zegt Paulus in Rom. 5 : 12. Ten 3de : Daar geheel zijn natuur schuldig werd en wij zijn voortgeplant uit zijn zelfstandigheid, uit datgene wat zijn wezen uitmaakt, dus als een deel van hem zijn, zoo kan het niet anders of wijzelven zijn óók schuldig. Adam had de gaven Gods ontvangen op die voorwaarde, dat hij ze ook aan óns zou mededeelen, zoo hij ze behield, of ook voor óns zou verliezen, zoo hij ze kwijtraakte. Omdat hij, het hoofd van het verbond, in wien wij allen gerekend worden, ze nu verloren heeft, heeft hij ze niet alleen voor zichzelven, maar óók voor al zijn nakomelingen verloren.
Ten, slotte noemen we nog deze tegenwerping : Alle zonde wordt met den wil bedreven. De kleine kinderen hebben geen wil. Derhalve bedrijven zij ook geen zonde. Het antwoord is : De eerste stelling stemmen we toe ten opzichte van de dadelijke zonde ; ten opzichte van de erfzonde, die een verdorvenheid der natuur is, niet. De 2de stelling ontkennen we. De kleine kinderen missen het vermogen tot willen.niet ; en al doen zij de zonde niet door hun, daad, door hun neiging willen zij ze toch.
Men redeneert ook wel zóó : De gebreken, verdorvenheid en kwalen der natuur verdienen eerder vergeving dan berisping en straf. De erfzonde is een bederf der natuur. Derhalve verdient ze geen straf. Ons antwoord is: Als iemand niet door achteloosheid of kwaadwilligheid gebreken in z'n natuur heeft en b, v. van nature of door ziekte blind is geworden, verdient hij geen verwijt, maar deernis. Maar de gebreken op kwaadwillige wijze ons berokkend, zooals de erfzonde, worden door allen met recht veroordeeld. Wie blind werd door te veel wijn te drinken of door een andere onmatigheid, dien bestraft een iegelijk.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's