MEDITATIE
DE OPGANG NAAR JERUZALEM
„Zie, wij gaan op naar Jeruzalem " , Matth. 20 vers 18a.
Dat was, lezer, ook de sprake van het oude Bondsvolk, als het zich opmaakte om de hooge feesten te gaan vieren in Jeruzalem. Vervuld van blijdschap trok men dan op. Hoor ze dan een David nazingen:
„Ik ben verblijd, wanneer men mij Godvruchtig opwekt; zie wij staan Gereed om naar Gods huis te gaan; Kom ga met ons en doe als wij! Jeruzalem, dat ik bemin. Wij treden uwe poorten in".
Want Jeruzalem, dat was hun stad. Dat was de stad des grooten Konings. Daar was het heiligdom. Daar in het heilige der heiligen stond de ark des verbonds, daar woonde de Heere tusschen de cherubs.
„Hoe vrooiijk gaan de stammen op. Naar Sions Godgewijden top, Met Israels achtb're vaadren".
En Die bovenstaande tekstwoorden spreekt, is ook Een uit dat oude Bondsvolk. Een, ook den Joden gelijk, uitgenomen de zonde. Ook Hij spreekt, zooals zoo menig Israëliet vóór Hem in verheuging des harten had uitgeroepen: „Zie, wij gaan op naar Jeruzalem".
Maar Hij zal het anders gezegd hebben tot Zijn discipelen. Daar zal geen trilling van vreugde in Zijn woorden zijn geweest, want dit „opgaan" is geen opgaan tot een feest. Integendeel, dat opgaan zal zijn een opgaan tot het zwaarste lijden. Het zal zijn het drinken van dien bitteren beker tot den laatsten druppel toe, den beker van den toorn Gods.
Ja, het zal wel een feest zijn, maar dan voor de Schriftgeleerden en Farizeërs, die al zoo lang gezocht hadden Hem te dooden, maar nog geen gelegenheid hadden kunnen vinden. Het zal feest zijn voor Zijn haters, die over Hem uitriepen : „Deze is niet waard dat Hij leeft, neem weg, neem weg, kruis Hem".
Voor hen zal het feest zijn, als voor Hem het zwaarste, het bitterste lijden zal aanbreken ; het zal feest voor hen zijn, als Hij daar als een gevloekte zal hangen als een uitgestootene tusschen hemel en aarde.
Maar voor Hem is deze opgang een lijdensweg. Hij spreekt er van, duidelijker dan tevoren, tot Zijn discipelen, als Hij in ons.tekstvers zegt: „En de Zoon des menschen zal den Óverpriesters en Schriftgeleerden overgeleverd worden en zij zullen Hem ter dood veroordeelen en zij zullen Hem den heidenen overleveren".
Doch, zal iemand zeggen, men zal Hem
toch straks een schitterende ovatie brengen, als Hij, gezeten op een ezelin, Zijn intocht zal houden te Jeruzalem en een duizendkoppige menigte Hem bejubelt en toeroept: „Gezegend is Hij, Die komt in den Naam des Heeren, hosanna den Zone Davids".
Zeker, maar zou het geen bitterheid in Zijn beker gegeven hebben, de wetenschap, dat die zelfde wufte schare, na een korte spanne tijds. Zijn dood zal eischen ? Ja, ook op dien laatsten gang naar Jeruzalem deed Hij wonderen, genas blinden en kreupelen, maar zou het Zijn lijden niet verzwaard hebben, dat er zoo heel weinigen slechts tot Hem kwamen, neergebogen onder hun schuld en zonde en begaan met 't lot hunner onsterfelijke ziel, smachtend naar redding en behoud ? Ja, Hij dreef ze uit den tempel, die daar kochten en verkochten en keerde de tafels der wisselaars om. Maar zou het Hem daarbij niet gegaan zijn als een zwaard door de ziel, de wetenschap, dat vanwege de zonde van Zijn volk, van heel dat heiligdom niet één steen op den anderen zou gelaten worden ? Ja, Hij vierde nog met Zijn discipelen het feest ter herinnering aan dien gedenkwaardigen nacht, toen Zijn volk uittrok uit Egypte, het Paaschfeest. Maar als Hij daar aan dien heiligen Disch den verrader moet aanwijzen, zou dat Zijn smart niet vermeerderd hebben ?
En toch, dat alles maakte Zijn opgaan maar Jeruzalem nog niet tot den waren lijdensgang, maar dat Hij inzonderheid met dezen gang zou gaan naar het allerzwaarste, straks aan het einde van Zijn leven torsen den toorn Gods tegen de zonde. En onder die toorn Gods verbrijzeld, om onze ongerechtigheden., De straf, de rechtvaardige straf, die gij, kind des Heeren, verdiend hadt, wordt daar op Hem gelegd, opdat Hij u den vrede zou aanbrengen. Ben vloek geworden, opdat gij van den vloek der wet verlost zoudt worden.
Dat wachtte Hem, nu Hij opging naar Jeruzalem. Is het niet een wonder van Zijn liefde, een wonder van Zijn genade. Zich als een lam ter slachting te laten leiden, vrijwillig dat zwaarste, die toorn Gods vanwege de zonde voor Zijn volk te willen dragen ? Voor Zijn volk dat toch mede begrepen was in de nakomelingschap van dien eersten Adam, die moedwillig en vrijwillig de hand uitstrekte naar de verboden vrucht. Is het niet een wonder, ter overpeinzing waardig ? Dat offer, die overgave van den Christus, en dat voor zulken !
Hebt ge het ook al eens overpeinsd, lezer ? Is het u ook ai eens een wonder geworden ? Dat Hij dien opgang naar Jeruzalem heeft willen volbrengen om te redden en té zaligen zulke schepselen, die moedwillig en vrijwillig den dood gekozen hebben boven het leven, de hel boven den hemel, den vloek boven den zegen en Satan boven God?
Als ge gebogen gaat onder het besef dat ook gij daaraan meegedaan hebt en ge daarom ligt onder het oordeel, als ge weet wat het is te vergaan door Gods toorn en door Zijn grimmigheid te worden verschrikt, o zie dan dien opgang van Hem naar Jeruzalem, want die gang, die weg, is de weg des behouds.
Heilbegeerigen, door zondeschuld neergebogenen, o zie dien opgang naar Jeruzalem, Hij zal volbrengen en het is volbracht, om uw lichaam en ziel van de eeuwige verdoemenis te verlossen.
Hoor Hem spreken : „Wij gaan op naar Jeruzalem". Wij, ja Zijn discipelen gaan mede derwaarts. Moeten die ook dien stellen weg op ? Moeten zij ook dien zwaren gang maken, ook dat lijden ondergaan ? O neen, want hoe zouden zij dien drinkbeker kunnen drinken ? • Neen, zij gaan wel mede, maar van verre, achter Hem aan. En als dan ook straks voor Hem 't zwaarste nadert en Hij zich kromt als een worm in het stof van Gethsémané, dan mogen zij rusten. Zij slapen. En als Judas komt met zijn bende om Hem gevangen te nemen, dan weet Hij voor Zijn discipelen een vrijbrief te verkrijgen, als Hij spreekt : „Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat deze heengaan". En allen zijn gevlucht.
Dat ge, lezer, inzonderheid in de lijdensweken, die we weer intreden, dien opgang naar Jeruzalem, bij aanvang of bij voortgang, bij voorlichting des Geestes mocht overdenken en ook spreken : „Zie, wij gaan op naar Jeruzalem". Om daar met droefheid des harten te aanschouwen, hoe groot toch de zonde was, dat zulk een offer noodig maakte, en iets te zien van de onkreukbare rechtvaardigheid des Heeren, dat Hij, eer dat Hij de zonde ongestraft liet, dezelve gestraft heeft aan Zijn eigen lieven Zoon, Jezus Christus. Maar om daar óók iets te zien van Zijn oneindige liefde, om dien Zoon af te staan, dat offer te brengen, om zulke onwaardigen nog het leven, het eeuwige leven te bereiden. Doch wat zaligheid, door Gods genade ook te mogen weten voor rekening van dien Christus te liggen, want dan moogt ge ook op dien weg naar Jeruzalem ontvangen vreugdeolie voor treurigheid, sieraad voor asch en een gewaad des lofs voor een benauwden geest.
'Wat voorrecht, geestelijke strijders, kruisdragers achter Jezus, waar het innigst begeeren is kort achter Hem aan te gaan, ja, door Zijnen Geest geleid te worden. Want dan gaat ge ook op naar Jeruzalem. Naar dat Jeruzalem, dat boven is, welker kunstenaar en bouwmeester de Heere zelf is. Dan gaat ge voort, van kracht tot kracht. Elk hunner zal voor God in Sion verschijnen. Enkel en alleen omdat de Heere Jezus dien opgang naar Jeruzalem gemaakt heeft, dien via dolorosa, dien weg van smarten, welke zijn hoogtepunt bereikte in het kruis op Golgotha. Dat zal in waarheid zijn, opgaan tot het feest, het groote bruiloftsfeest. Dat zal wat zijn, daar in verwondering der ziel en in grootmaking van den Naam des Heeren uit te jubelen :
„Jeruzalem is wel gebouwd. Wel saamgevoegd, wie haar Zal haar voor 's Bouwheers beschouwt kunstwerk groeten".
Zult ge dat daar ook eens mogen uitjubelen, lezer, lezeres ?
Alleen als ge door Gods Heiligen Geest aan dezen kant leerdet achter den Christus aan te gaan naar Jeruzalem, met Hem te sterven, met Hem gekruisigd worden, één plant met Hem in de gelijkmaking Zijns doods, dan alleen zult ge ook één plant met Hem worden in de gelijkmaking Zijner opstanding.
Hebt ge dat reeds geleerd?
Dat ge die vraag u gedurig weer mocht stellen. Het is zulk een ernstige vraag, het is een vraag, die beslist over eeuwig wèl of eeuwig wee.
Ja, wee, indien ge bet niet leert, en bij het overdenken van de lijdensgeschiedenis van den grooten Borg, alleen maar wat medelijden met Hem gevoelt. Dan wee, want dan zal ook de opgang eenmaal niet zijn naar het hemelsch Jeruzalem, maar naar de plaats van eeuwig verderf.
Dat ge dan nog in dezen uwen dag, in het heden der genade, moogt bedenken, wat tot uwen eeuwigen vrede moet dienen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's