KERKELIJKE RONDSCHOUW
WAT IS VOOR ONS DE GEMEENTE?
staat bij velen hopeloos treurig, wat betreft de gedachte aangaande de Gemeente. Voor velen in onze Hervormde Kerk is de Gemeente maar een willekeurige schare, waarbij dan gelukkig (misschien), als bij uitzondering, nog een paar vriendjes en vrouwtjes zijn, die een gunstige uitzondering maken en misschien „van het volk" zijn (zoo lang als het duurt).
Vele dominees weten ook met hun figuur geen raad, als ze, in ambtsgewaad, op den preekstoel staan. Wat moeten ze zeggen ? Waarmee moeten ze beginnen ? Ze willen — en durven dikwijls ook niet — tot geen prijs de Gemeente als Gemeente aanspreken. Ze beginnen dan maar, net als een spreker, achter de lessenaar staande in het Verkooplocaal, met „Mijne Hoorders". „Broeders en Zusters" mag natuurlijk niet. Want het is toch eigenlijk maar een troep menschen, die daar zitten. Het is niet veel zaaks. En „Gemeente des Heeren" te zeggen, dat gaat heelemaal niet. Verbeeldt u eens : zouden deze menschen, die daar zitten, nu de Gemeente des Heeren zijn ? Neen, men mag al blij zijn, als er een of twee van het ware volkje bij zijn ! Maar overigens is het toch eigenlijk niets gedaan ! En de groep heeft plaats gemaakt voor de Kerk bij degenen, die zóó denken en redeneeren. En dan natuurlijk niet de Oxford-Groep, maar het groepje, het kringetje, het gezelschapje van naaste geestverwanten (zoo lang als het duurt !). Men heeft de Kerk eigenlijk losgelaten en afgeschreven, men houdt zich maar liever bij het groepje, het kerkje in de Kerk. En op den kansel, in ambtsgewaad staande, als dienaar van Jezus Christus èn dienaar der Kerk, waaraan men zich met een ambtseed verbonden heeft (waarom doet men dat toch ? om het tractement misschien ? ) zegt men dan maar, als men beginnen moet : „Mijne Hoorders", net als de spreker in z'n gekleurd jasje op het podium in een Vereenigingsgebouw. „Geachte Vergadering" zou men óók kunnen zeggen. Maar dat klinkt in een Kerk ietwat vreemd. En daarom — men moet toch wat zeggen — komt er uit : „Mijne hoorders".
Gemeente des Heeren, Geliefden in onzen Heere Jezus Christus (denk aan ons mooie Doopformulier !) mag natuurlijk niet. Het „Onze Vader" bidden mag natuurlijk niet, net zoo min als te spreken van „Broeders en Zusters". Het moet, volgens velen, goed uitkomen, dat de menschen, die daar zitten, geen recht daarop hebben. God van den hemel zou er over toornen. Misschien, heel misschien is er één of zijn er twee, die tot de „ware broeders en zusters" behooren. Maar van „Onze Vader" mag in zoo'n vergadering geen sprake zijn ! Een juffrouw in Delft heeft ons wel eens onverbloemd „de waarheid" gezegd (dat was ze immers „verplicht", dat was haar „roeping" !) over dat „Broeders en Zusters" en over dat „Gemeente des Heeren" en over dat : „Onze Vader". En we gelooven niet, dat ons antwoord met waarschuwing en vermaning, haar overtuigd heeft. Zij bleef langzamerhand wèg van de thee-visite des Zondagsavonds op de Oranjeplantage, waar overigens vele goede oogenblikken zijn doorleefd. Alleen soms tot schade van de kinderen, die dan van vader en moeder beroofd waren ; soms onbehoorlijk lang.
Gelukkig gaat de gedachte, de meer gezonde. Schriftuurlijke, Reformatorische gedachte aangaande de Gemeente weer meer en meer leven onder ons. Het is niet een troep of groep menschen. Het zijn ouders en kinderen (om dit ééne nu maar eens alleenlijk te noemen) die jaren terug rondom den kansel stonden, om in het Verbond Gods begrepen zijnde, te worden aangesproken als „Geliefden in onzen Heere Jezus Christus" (Doopformulier), om te mogen hooren Gods verbondsbelofte in het midden van Zijn Gemeente : „Ik wil u tot een God zijn en de God van Uw zaad". Tot de Gemeente Gods zijn ze geroepen en geleid door de bijzondere zorge Gods, die in Zijn algemeene goedheid Zijn zon doet opgaan over boozen en goeden, en die hen, ouders en kinderen, door Zijn bijzondere zorgen en leiding, gebracht heeft „in het midden der Gemeente en in Zijn Verbond begrepen zijnde" (Cat. Zondag 27 vr. en antw. 74).
Daar zit „de Gemeente des Heeren", waarmee de Heere het doen wil, in Zijn huis, rondom Zijn Woord, wachtende op de ambtelijke bediening van Gods Getuigenis en Waarheid; verkeerend onder den dienst der gebeden en bij den dienst der Sacramenten. Hij, de God der verkiezing, komt in den weg des verbonds, tot ons en tot onze kinderen. En Hij komt er nooit zoo maar eens hier en daar er ééntje uithalen, één van een dorp en twee uit een stad. Neen, de God der verkiezing wandelt in den weg van Zijn Verbond onder ons en komt niet een groepje van een of twee bij elkaar dringen en dwingen, waar ze als losse eenlingen bij elkaar zitten (zoo lang als het duurt); die dan liefst minachtend spreken over anderen, zelfs dikwijls minachtend spreken over eigen vrouw of eigen man, die immers toch „geen lieven kent" en „er niet bij hoort". Waarbij men dikwijls totaal verwaarloost z'n eigen kinderen, die soms niet eens gedoopt zijn (in onze eerste gemeente troffen we dat hier en daar aan, onder den invloed van de prediking van den oefenaar Stam, die geregeld „in de Polder" voorging). Los als droog zand hangt dan alles aan elkaar. Geen Kerkbegrip, geen begrip van verkiezing en verbond, geen begrip van het ambtelijk onderwijs der Kerk op de Catechisatie, geen begrip van christelijke opvoeding noch van christelijk onderwijs. God gaat immers toch — zoo zegt men — Zijn eigen weg ! En we hooren het op huisbezoek in onze eerste gemeente den ouden heer v. L. nóg zeggen : „er is in de Herv. Kerk geen één bekeerde dominé". En op onze wedervraag : hoe hij dat wist en wie hem als een rechter had aangesteld, was, met een strak gezicht, zijn bescheid : „als er nog ééntje was zou de Heere dat mij wel bekend gemaakt hebben en zou het als een blij gerucht door heel het land gaan ! Op geen half uur afstand stond toen dr. H. Visscher als dominé te Ouderkerk a.d. IJssel, ds. Deur te Gouda, ds. van der Wal te Waddingsveen, enz. enz.
Vooral jonge predikanten kunnen het met deze dingen zoo moeilijk hebben. Waarbij het dubbel jammer is, als ze in deze ook nog verkeerde leiding hebben gehad, 't zij in het ouderlijk huis, 't zij aan de Hoogeschool (of in huis èn aan de Academie beide).
Meer dan door allerlei redeneeringen hebben wij zelf altijd veel troost en stichting, vorming en sterkte ontvangen, door het lezen van onze kerkelijke formuliergebeden.
Toen „het Gebed des Zondags vóór de Predicatie" ons, ais jong dominé, te pakken had — gelukkig van huis uit daarin opgevoed — kon men praten als Brugman, maar was het altijd weer „boter aan de galg". We namen telkens maar weer een frisch bad in de reformatorische wateren en ook bij alle moeilijkheden en teleurstellingen (want die moeilijkheden zijn er, en de teleurstellingen 'blijven niet uit) gingen we maar blijmoedig in geloof voort. Gelukkig dikwijls gesterkt door ouderlingen, die een helder inzicht mochten hebben in deze dingen. Want — wat is dat een voorrecht, als men in den Kerkeraad voor al dat ziekelijk gedoe en gezeur bewaard mag worden ! Als dat niet het geval is, is het, naar den mensch gesproken, verloren en staat het (altijd weer naar den mensch gesproken) hopeloos !
Laat men telkens maar een flinke dronk nemen van het frissche water, dat de Kerk der Hervorming ons voorzet tot op vandaag. Het is goed voor onze geestelijke gezondheid en welstand.
Vooral onze jonge dominees moesten minstens 10 Zondagen van het jaar bedoeld „Gebed des Zondags vóór de Predicatie" bidden. Het zou voor den dienaar des Woords èn voor de Gemeente zoo gezegend kunnen werken !
Willen we het nu eens samen lezen ? Hier is het : Bede bij den aanvang van de samenkomst der Gemeente. Gebed des Zondags vóór de Predicatie.
O eeuwige God en aller genadigste Vader, wij verootmoedigen onszelven uit den grond des harten voor Uwe hooge Majesteit, tegen welke wij zoo menigmaal en zoo gruwelijk gezondigd hebben. En wij bekennen, dat (zoo Gij met ons in het gericht wilt gaan) wij niet anders dan den eeuwigen dood verdiend hebben. Want behalve, dat wij allen door de erfzonde voor U onrein en kinderen des toorns zijn, ontvangen uit zondig zaad, en in ongerechtigheid geboren, waardoor allerhande booze lusten, tegen U en onzen naaste strijdende, in ons wonen, zoo hebben wij nog bovendien met de daad Uwe geboden menigmaal en zonder ophouden overtreden, nalatende wat Gij. ons geboden hadt en doende wat ons klaarlijk verboden was. Wij hebben allen als schapen gedwaald, en hebben grootelijks tegen U gezondigd, hetwelk wij bekennen, en het is ons van harte leed. Ja, wij belijden, tot onze vernedering en tot prijs van Uwe ontferming te onswaarts, dat onze zonden het getal van de haren onzes hoofds te boven gaan, en dat wij tien duizend talenten schuldig zijn, waartegenover wij niets hebben om te betalen ; waarom wij ook niet waardig zijn Uwe kinderen genaamd te worden, noch onze oogen op te slaan ten hemel, om onze gebeden voor U uit te spreken. Nochtans, o Heere God en barmhartige Vader, wetende, dat Gij den dood des zondaars niet begeert, maar dat hij zich bekeere en leve, en dat Uwe barmhartigheid oneindig is, die Gij bewijst aan degenen, die zich tot U bekeeren ; wij roepen U van harte aan, in het vertrouwen op onzen Middelaar Jezus Christus, die het Lam Gods is, dat de zonde der wereld wegneemt. En wij bidden U, dat Gij wilt medelijden hebben met onze zwakheid, ons om Christus' wille alle onze zonden vergevende. Wasch ons in de zuivere fontein Zijns bloeds, opdat wij rein en sneeuwwit worden. Dek onze naaktheid met Zijne onschuld en gerechtigheid, om de eere Uws Naams. Reinig ons verstand van alle blindheid, en onze harten van allen moedwil en hardnekkigheid.
Open thans den mond Uws dienaars, en vervul hem met Uwe wijsheid en kennis, opdat hij Uw Woord zuiver en vrijmoedig mag verkondigen.
Bereid ook ons aller harten, opdat wij datzelve hoeren, verstaan en bewaren mogen. Schrijf Uwe wetten (naar Uwe belofte) in de tafelen onzer harten, en geef ons lust en kracht daarin te wandelen, tot prijs en eere Uws Naams en tot stichting Uwer Gemeente.
Dit alles, o genadige Vader, bidden en begeeren wij in den naam van Jezus Christus, die ons alzóó heeft leeren bidden :
Onze Vader, die in de hemelen zijt,
Uw Naam worde geheiligd.
Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde.
Geef ons heden ons dagelijksch brood.
En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren.
En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.
Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.
DE KERKELIJKE KAART (2)
We zouden nu wat zeggen van de Hervormde Kerk. We gaan hier niet met cijfers werken in betrekking tot het zielental, hoewel de Handelingen der Synode van 1938 voor ons liggen. We willen liever op wat anders wijzen, waarbij het Kerkelijk Handboek van Van Alphen (nu, door het dunne papier veel makkelijker te hanteeren) naast ons ligt. En we doen dat des te gemakkelijker, omdat dr. P. J. Kromsigt in de Geref. Kerk (9 Februari) ook op deze dingen gewezen heeft. Wat hij aan cijfers geeft kunnen we dus hier zoo overnemen. Het gaat over de gewijzigde toestanden in onze Kerk, bij vergelijking met vroeger ; nader aangeduid als de veranderde verhouding van orthodox en modern, waarbij de orthodoxie sterk is toegenomen !
Dr. Kromsigt denkt aan de jaren 1878 en volgenden, vergeleken met nu. Een verandering dus van de laatste 70 jaar !
„Toenmaals slechts een drietal provinciale Kerkbesturen — zij het dan ook nog in zwakke meerderheid — rechtzinnig, terwijl op heden blijkt, dat slechts in één provincie het aantal vrijzinnige predikanten (of predikants plaatsen) dat der rechtzinnigen overtreft. De Provincie Drenthe geeft een verhouding van 33 vrijzinnigen tegen 31 rechtzinnigen, en is dus met de kleinst mogelijke meerderheid nog vrijzinnig. In de Provincie Groningen staat het 77 vrijzinnigen tegen 87 orthodoxen, in Friesland 114 vrijzinnigen tegen 120 orthodoxen, in Noord-Holland 100 tegen 115. Daar bestaat dus een meerderheid van rechtzinnige predikantsplaatsen.
Soortgelijk beeld geven ook de 44 Classen, waarvan 9 in meerderheid vrijzinnig zijn en daarvan slechts 3 overwegend (dat is voor méér dan 3/5) en wel : Alkmaar (36—13) ; Hoorn (33—4) en Leeuwarden (42—12). Daarbij komt Winschoten dan met 21 tegen 20 ; en Emmen met 11 tegen 9.
Hiertegenover staat, dat in niet minder dan 32 Classen de rechtzinnigen 3/5 of méér van het geheel bezetten, waaronder 25 met méér dan 3/4, 18 met meer dan 9/10 en eindelijk 3 met volle 100 %."
„Niettegenstaande de vrijzinnigen in velerlei gevallen in der tijden loop dikwijls in de meest gunstige omstandigheden hebben verkeerd, waardoor 't ook meermalen mogelijk bleek verloren plaatsen te herwinnen, heeft de Kerk in het algemeen zich toch van de vrijzinnige richting als zoodanig meer en meer losgemaakt. Verwacht kan worden, dat dit proces, gelet op de stroomingen van den laatsten tijd voorloopig nog niet zal ophouden of omslaan."
Dr. Kromsigt geeft dan nog een tweetal becijferingen en een enkele opmerking :
„Uit de gegevens van het Nieuw Kerkelijk Handboek van Alphen blijkt dat (óók nu meerdere combinaties van verschillende bij elkaar gelegen gemeenten) in de Classis Hoorn nog tegenover 18 predikantsplaatsen, die vervuld zijn, 19 vacatures gevonden worden (tegenover 9 plattelands-vrijzinnige dominees die in dienst zijn, staan 19 vrijzinnige vacatures). Voor de Classis Alkmaar is de verhouding 30—19 en 14—17".
Dr. Kromsigt maakt dan ook deze opmerking :
„In bijlage A van het Handboek vond ik niet minder dan 66 predikanten met 40 of meer dienstjaren (waarvan er nu 6, van de minst ouden, emeritaat hebben aangevraagd). Er zijn niet minder dan 22 met 45 of meer dienstjaren ; en 3 met méér dan 50 dienstjaren. Bij de Geref. Kerken zijn deze cijfers.... respectievelijk 5, 2 en O !"
Om bovenstaand te bewijzen, geeft dr. Kromsigt onderstaande statistiek, die wij ongecontroleerd hier over nemen :
Gelderland : Classis Arnhem, 43 rechtz., 2 vrijz. ; Nijmegen, 40 r., 4 v. ; Zutphen, 38 r., 18 V. ; Tiel 25 r., 4 v. ; Zalt-Bommel, 29 r., 2 V. ; Harderwijk, 35 r., 1 v. ; tezamen 210 r., 31 V.
Zuid-Holland : Classis 's-Gravenhage, 50 rechtz., 3 vrijz. ; Rotterdam, 66 r., 1 v. ; Leiden, 49 r., 2 V. ; Dordrecht, 52 r., 4 v. ; Gouda, 39 r., 6 V. ; Brielle, 21 r., 9 v. ; tezamen 277 r., 25 v.
Noord-Holland : Classis Amsterdam, 57 rechtz.. 3 vrijz. ; Haarlem, 28 r., 16 v. ; Alkmaar, 13 r., 36 V. ; Hoorn, 4 r., 33 v. ; Edam, 13 r., 12 V. ; tezamen 115 r., 100 v.
Zeeland : Classis Middelburg, 26 rechtz., O V. ; Zierikzee, 21 r., 5 vr. ; Goes, 34 r., 'O v. ; IJzendijke, 15 r., 7 vr. ; tezamen 96 r., 12 v.
Utrecht : Classis Utrecht, 41 rechtz. ; Amersfoort, 35 r. ; Wijk bij Duurstede, 22 r. ; tezamen 98 r.
Friesland : Classis Leeuwarden, 14 rechtz., 42 vrijz. ; Sneek, 32 r., 7 v. ; Franeker, 24 r., 24 V. ; Dokkum, 28 r., 17 v. ; Heerenveen, 22 r., 24 V. ; tezamen 120 r., 114 v.
Overijssel : Classis Zwolle, 29 rechtz., 5 vrijz. ; Deventer, 32 r., 14 v. ; Kampen, 23 r., 1 V. ; tezamen 84 r, , 20 v.
Groningen : Classis Groningen, 22 rechtz., 27 vrijz. ; Winschoten, 20 r., 21 v. ; Appingedam, 30 r., 9 v. ; Winsum, 15 r., 20 v. ; tezamen 87 r., 77 V.
Nrd-Brabant m. Limburg : Classis 's-Hertogenbosch, 12 rechtz., 10 vrijz. ; Breda, 26 r. 7 V., ; Heusden, 27 r., O v. ; Eindhoven, 16 r. 2 V. ; Maastricht, 21 r., 2 v. ; tezamen 102 r., 21 V.
Drenthe : Classis Assen, 10 rechtz., 14 vrijz. ; Meppel, 12 r., 8 v. ; Emmen, 9 r., 11 v. ; tezamen 31 r., 33 v.
Recaputilatie : Gelderland, 210 rechtz., 31 vrijz.; Zd.-Holland, 277 r., 25 v., Nrd.- Holland, 115 r., 100 v. ; Zeeland, 96 r., 12 v. ; Utrecht, 98r., O v. ; Friesland, 120 r., 114 v. ; Overijssel, 84 r., 20 v. ; Groningen, 87 r., 77 V. ; Nrd.-Brab., m. Limburg, 102 r., 21 v. ; Drenthe, 31 r., 33 v. ; tezamen 1120 r., 433 V."
We kunnen dus ons Overzicht besluiten met deze twee getallen : 1120 rechtzinnigen en 433 vrijzinnige predikanten in de Ned. Hervormde Kerk in het jaar 1938.
Dr. Kromsigt eindigt met deze woorden : „Zullen we nu juichen over een orthodoxe overheersching over onze Kerk, juichen in het vooruitzicht van een Synode nu voor vele jaren in meerderheid orthodox ? Maar onderlinge verdeeldheid der orthodoxen zou welhaast dit gejuich doen verstommen.
Ook zijn we nog steeds niet in 't reine over Hoedemaker's verzuchting : „God beware ons voor een orthodoxe Synode".
Niet heerschappij der orthodoxie (onder een Besturen-organisatie), maar slechts heerschappij des Heer en over Zijn Kerk door Zijn Woord en Geest (door het ambt en door de Kerkelijke vergaderingen), kan voor de Kerk als Kerk redding brengen.
„Geen heil is te verwachten, zoolang dubbelhartigheid tegenover die regeering Gods door Zijn Woord en Geest, in de regeerinrichting der Kerk zelve is vastgelegd".
EEN STUKJE UIT EEN DUITSCHE PREEK
.„Menschen" zoo sprak een jong Duitsch predikant in een dorpskerkje „ik wil jullie vertellen van den haan op jullie kerktoren. Die haan daarbovenop is een bijzonder teeken, en het hangt heelemaal van jullie af, of je dit teeken op de juiste manier verstaat. Eens op een nacht heeft het kraaien van een haan iemand in groote innerlijke moeilijkheden gebracht. Wat zich toen heeft afgespeeld, staat te lezen in Matth. 26 : 69—75. Het gebeurde in den nacht, toen Jezus verraden werd. Het is de geschiedenis van de verloochening van Petrus, waarvan we dan lezen dat hij naar buiten ging en bitterlijk weende.
Die zelfde Petrus heeft ons nog een ander teeken gegeven in zijn eerste brief aan de gemeente, en daarbij heeft hij zeker teruggedacht aan het oogenblik van zijn verloochening. Het was, toen hij schreef : „Zijt nuchteren en waakt ; want uw tegenpartij de duivel gaat om als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou mogen verslinden."
Jullie weet immers dat de haan 's morgens het eerste wakker is en door zijn gekraai de slapenden doet ontwaken.
En nu is het maar de vraag ten teeken waarvan jullie die haan op de kerktoren hebt gezet ? Hebben jullie dat gedaan, om te worden herinnerd aan Petrus' vermanende stem : „Zijt nuchteren en waakt !" Of is het de haan der verloochening, die boven jullie kerk en boven geheel het dorp staat opgericht ?
Wij allen hebben er deel aan, vervolgde de prediker met verheffing van stem, wanneer het geldt den Heere te verloochenen en wij hebben het tot nog toe ook allen gedaan. Maar het oogenblik is aamgebroken, het is er nu, om daarover bitter berouw te hebben, gelijk Petrus deed, die tot zich zelf inkeerde en een getuige geworden is van den Heere.
Het is uw zaak hieromtrent een beslissing te nemen.
Wil het dorp alhier, dat hoog boven op den berg ligt, goed zichtbaar voor de gansche omgeving, den haan der verloochening op zijn kerktoren dragen of de haan als wachter, die roept : zijt nuchteren en waakt !
Geve God, dat ik, uw nieuwe predikant, den Heere niet verloochene in mijn ambtswerk, en geve God, dat gij, gemeente, trouw bevonden wordt".
Zooiets ongeveer heeft bedoelde Duitsche predikant in zijn intreepreek gezegd. (Uit : Het dorp op den berg door Johan Maarten. Uitgave J. Bijleveld te Utrecht).
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (9)
De beide vereischten, welke Christus aan Zijne Apostelen stelde, om n.l. verstandig als de slangen en oprecht als de duiven te wezen, zijn in Paulus op zeldzaam harmonische wijze vereenigd. De inhoud van zijne prediking is altijd dezelfde : Christus en Dien gekruisigd, want een ander Evangelie is er niet (Rom. 1 : 16, 1 Cor. 1 : 23 ; 12 : 8 ; Gal. 1:7; 6 : 14 ; 2 Tim. 1 : 15 enz.) en de onderstelling daarvan is, dat de gansche wereld onder Gods oordeel ligt (Rom. 1 : 18—3 : 19). Maar desniettemin zoekt iiij voor de prediking van dat Evangelie een aanknoopingspunt in de gesteldheid zijner hoorders, in de natuurlijke Godskennis (Rom. 1 : 19, 20) en het geweten (Rom. : 14, 15) in Gods algemeene zegeningen (Hand. 14 : 17) en in de overdreven godsdienstigheid (Hand. 17 : 12). Hij spreekt anders tot de Joden dan tot de Heidenen, b.v. tot Felix, Festus en Agrippa (Hand. 24 — 26), beroept zich op het oude Testament (Hand. 13 : 16 v., 18 : 28) en haalt soms ook profane schrijvers aan (Hand. 17 : 28, 1 Cor. 15 : 33 ; Tit. 1 : 12) ; hij wordt den joden als een jood ; dengenen, die onder de wet zijn, als onder de wet zijnde, dengenen, die zonder de wet zijn, als zonder de wet zijnde, den zwakken als een zwakke, en maakt zich allen dienstbaar, opdat hij er zoovelen mogelijk, opdat hij de meesten winnen mocht (1 Cor. 9 : 19—23). Deze aanpassing aan zijne hoorders kwam niet uit gebrek aan zelfstandigheid en laakbare zwakheid voort, maar was vrucht van zijne buitengewone toewijding, van zijne zelfverloochenende liefde, van zijne practische wijsheid.
Paulus is het type van den zendeling : de liefde van Christus dringt hem, de nood is hem opgelegd, wee hem, als hij het evangelie niet verkondigt (1 Cor. 9 : 16, 2 Cor. 5 : 14). Langs verschillende wegen streeft hij altijd naar het zelfde doel, n.l. om alle overleggingen ter neder te werpen en alle gedachten gevangen te leiden tot de gehoorzaamheid van Christus (2 Cor. 10 : 5).
Deze zendingsarbeid in de apostolische eeuw werd rijk door den Heere gezegend. Naar eene, bij gebrek aan gegevens niet al te betrouwbare raming, wordt het getal christenen aan het einde der eeuw op 200.000 geschat.Hoe gaarne zouden wij iets meer willen weten van de wijze, waarop velen hunner uit Jodendom of Heidendom tot het geloof in Christus werden geleid ! Zonder twijfel, alle bekeering is Gods werk. Of Paulus plant en Apollos nat maakt, het is God, die den wasdom geeft. Niemand kan zeggen, Jezus de Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.
Toen Paulus en Barnabas van hunne eerste zendingsreis terugkeerden en verslag uitbrachten van hunne ervaringen, verhaalden zij aan de gemeente te Antiochië niet wat zij gedaan hadden, maar wat groote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den Heidenen de deur des geloofs geopend had (Hand. 14 VS. 27). Dat neemt echter niet weg, dat de Heere de Zijnen vergadert langs verschillende wegen en door onderscheidene middelen. De leidingen Gods met Abraham zijn andere dan die met Izaak ; Manasse wordt op andere wijze toegebracht dan Hiskia ; Amos ontving zijne roeping tot profeet op andere wijze dan Jasaja of Jeremia. ln het Nieuwe Testament is er evenzoo veelvuldig verschil. Men denke slechts laan de scharen, die tot Johannes kwamen en zich van hem lieten doopen, belijdende hunne zonden (Matth. 3 : 6) en aam de 3000 zielen, die op het Pinksterfeest werden toegebracht (Hand. 2 : 37v), aan Nathanaël, Levie, Zacheüs, de Samaritaansche vrouw, den moordenaar aan het kruis, aan den Moorman, Cornelius, Lydia, dën stokbewaarder te Filippi, aan Paulus en Timotheüs. De waarachtige bekeering moge in het wezen der zaak steeds dezelfde zijn en in eene „zinsverandering 'bestaan, er is toch groote verscheidenheid in de omstandigheden, waaronder, in den tijd en de wijze, waarop zij bij onderscheidene personen plaats grijpt. Nu eens is een uitvoerig Schriftbéwijs (Hand. 8 : .35; 17 : 3 ; 18 : 38), dan weer een aangrijpende rede (Hand. 2 : 14—16), of eene korte, eenvoudige prediking van het geloof in Christus (Hand. 16 : 31) het middel, waarvan God zich bedient, om het geloof in het hart te werken. En niet zelden werden door wonderen, die de opmerkzaamheid trokken en diepen indruk maakten, de gemoederen voor de ontvangsit van bet zaad des Evangelies voorbereid (Hand. 5 : llv., 8 : 6 ; 9 : 35, 42 ; 13 : 12; 14 ; 11 ; 19 : 17, 18 enz.).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 februari 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's