KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE REORGANISATIE
Het Reorganisatie-ontwerp, in 1938 door de meerderheid in de Classicale Vergaderingen verworpen, niet, omdat de meerderheid heeft gevochten voor de 'burcht, die Synode heet ; ook niet, omdat de meerderheid der Kerk geen reorganisatie wil ; maar omdat de meerderheid wèl reorganisatie wilde, maar niet zóó. Zit dat Ontwerp nu in de doofpot, waarvan de kerkelijke hoogleeraren het deksel in de hand hebben ? Is de zaak in een slop geloopen ; staat de zaak nu op dood spoor ? Wij meenen, dat men aan 't werk is. En we weten, dat het een moeilijk werk is, dat bovendien nog door velen bemoeilijkt wordt op allerlei manier.
In „De Stuwdam" lazen we een artikel, dat uit een interview ten huize van prof. dr. Th. L. Haitjema, bij gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum (als predikant), is ontstaan. Natuurlijk was daar ten huize van den professor ook over de reorganisatie der Ned. Hervormde Kerk gesproken. We lezen er dit van :
„U betreurt het natuurlijk, dat het Reorganisatie-ontwerp niet werd aangenomen ? " — aldus de man van de pers in z'n vraaggesprek met den jubilaris. „Zou het niet mogelijk zijn, de Hervormde Kerk dusdanig te reorganiseeren, dat met de uitwerping der vrijzinnige groep, de vrijzinnige prediking binnen haar Kerkmuren vermeden kan worden ? "
„Dat is ons inziens" — aldus prof. Haitjema — „niet de juiste weg, dien we bewandelen moeten. Vergeet u niet, dat het modernisme mede door de schuld van on§, rechtzinnig-Hervormden, in onze Kerk veld gewonnen heeft. Het mag niet, dat wij bij een reorganisatie de vrijzinnigen als groep kwijt raken. Veeleer is het ons er om te doen, om onze mede-verantwoordelijkheid ook voor hen als leden onzer Kerk tot uitdrukking te brengen. Maar dan moeten ook zij ernst maken met het „samen ziek geworden zijn" (deze uitdrukking stamt van Hoedemaker, die opmerkte: „Wanneer men samen ziek is geworden, moet men ook samen genezing zoeken") en niet meenen, zooals helaas ! moet worden geconstateerd^ dat hun prediking gezond is en zij de therapie dus niet van noode zouden hebben".
„Is er na de verwerping niet opnieuw een aanvang gemaakt met pogingen om tot een reorganisatie te komen ? "
„Op staande voet, om zoo te zeggen. Na de verwerping in de Synode heeft zij in hetzelfde besluit afgekondigd, dat de kwestie opnieuw onder oogen gezien wordt. Er is reeds een sub-commissie onder presidium van prof. dr. W. J. Aalders, die met nieuwe voorstellen moet komen. Wat het worden zal, is natuurlijk niet te zeggen. Het zal er op aan komen, dat het een Reorganisatieontwerp blijft, waarin de kerkelijke vergaderingen in hun typisch-kerkelijke bevoegdheden hersteld worden, terwijl daarnaast de belijdenis der Kerk weer op haar rechte plaats gebracht worde, zoodat ze in het kerkelijk leven journaal kunne fungeeren. Sedert 1816 heeft de Hervormde Kerk eigenlijk alle kwesties van principieele beteekenis eenvoudig laten rusten ; vandaar, dat het allerminst verwonderlijk te noemen is, dat het modernisme ongestoord om zich heen kon grijpen. Een Reorganisatie-ontwerp, dat óf het eene óf het andere punt totaal zou negeeren, heeft voor mij geen beteekenis" — aldus prof. Haitjema.
VERSCHILLEND TYPE VAN KERK
De Reformatie heeft ook óns volk en Vaderland het groote voorrecht geschonken, dat de Kerk van Christus zich hier gereformeerd of hervormd heeft — uit haar misvorming of deformatie opstaande — naar uitwijzen van Gods Woord. Men heeft ook hier leeren vragen : wat zegt God in Zijn Woord, in betrekking tot dé belijdenis en het leven der Kerk ; in betrekking tot de ambten en de wijze van Kerkregeering ?
Drieërlei richting is men sinds de Hervorming hier uitgegaan bij de vraag : Hoe moet de Kerk worden ingericht ?
Bij de vraag : welke organisatie en welke wijze van kerkelijk samenleven past bij onze Hervormde Kerk, is het goed, dat we die drieerlei richting in oogenschouw nemen, en wel: de Roomsche-, de Luthersche- en de Gereformeerde Kerk, die elk haar eischen heeft en waarbij de vraag is, wat in deze naar de Schriften is en bij het wezen der Kerk het best past.
De Roomsche is een sacramenteele Kerk ; de mis heeft het Woord verdrongen, waarbij haar hiërarchische organisatie van priesterheerschappij geheel niet past bij Hand. 17 vs. 11, waar sprake is van „het Woord ontvangende met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften".
De Luthersche is Kerk des Woords, echter zonder zelfstandige organisatie ; min of meer Staatskerk : zoo de vorst is, zoo zal de religie zijn. De Landsregeering kreeg alle invloed in de Kerk en de Kerk was van den Staat afhankelijk (denk aan de positie van de Kerk in Duitschland !)
De Gereformeerde als zijnde geréformeerd of hervormd naar den Woorde Gods, is de Kerk des Woords, met eigen zelfstandige organisatie, dat een zuiver kerkelijke organisatie dient te zijn en een Schriftuurlijke, waar van de grondbeginselen in de Heilige Schrift ons door den Heere Zelf, naar Zijn bijzondere voorzienigheid over Zijn Kerk, zijn geopenbaard.
Calvijn wilde, radicaler en beslister dan Luther, alles inrichten naar het Woord, óók de organisatie der Kerk. En zóó moeten we hebben de Kerk van Christus, met den dienst des Woords, de dienst der Sacramenten en der gebeden ; met de ambten en met de kerkelijke vergaderingen, zooals in onze Belijdenisschriften uiteengezet is en waarvoor de beginselen zijn gegeven in de oudste Kerkorden, met name in de Dordtsche Kerkorde van 1618—'19.
De Nederlandsche Kerk der Hervorming heeft daar recht op en heeft daar behoefte aan. Zóó alleen zal zij kunnen leven en arbeiden, staande in het midden des volks, dat nog altijd yan de beginselen der Reformatie doortrokken is, als een Christelijke, Protestantsch-christelijke natie.
IS DE REFORMATIE SCHEURMAKERIJ GEWEEST ?
De Hervormers werden natuurlijk beschuldigd van „scheurmakerij". En het is te begrijpen, dat b.v. Calvijn daarop telkens terug komt, om zich dan te verdedigen. Dr. A. D R. Polman schrijft er over in het vervolg artikel in Geref. Theol. Tijdschrift : „Vragen van den dag, uit de correspondentie van Calvijn en anderen belicht" (Febr. '39).
We lezen daar: ,,De voornaamste aanklacht was ongetwijfeld die van scheurmakerij, waarop Calvijn c. s. dan ook telkens terugkomen. Zoo komt in de samenspreking met Caroli te Straatsburg óók deze zaak aan de orde. Caroli beweerde n.L, dat hij vaak in verwarring was gebracht, doordat de reformatoren zich van de andere kerken hadden afgescheiden. Hij verzocht hen dan ook dringend om hem nader uiteen terzetten, hoe deze beschuldiging van separatie kon worden afgewezen".
De reformatoren antwoordden : dat de gemeenschap en eenheid der kerken gezocht moet worden in het geloof en in de belijdenis van Christus en de beleving van Zijn leer, en het ware gebruik der sacramenten en de oefening der tucht.
In dit ware geloof van Christus bleven zij volstandig, behielden door confessie of belijdenis van dit geloof de ware leer van Christus ; terwijl zij de sacramenten gebruikten, zooals Christus ze heeft ingesteld en de tucht over de leden van Christus gewillig toelieten. Zij bleven derhalve in de ware gemeenschap en eenheid van de Kerk en het lichaam van Christus met alle kerken en ook met private Christenen, die waarlijk zijn, wat ze genoemd worden.
„Wij hebben dus geen afscheiding gemaakt van de andere Kerken van Christus, die dat waarlijk zijn, maar de valsche bisschoppen met hun paus hebben onze Kerken en dienaren door een publiek oordeel verworpen en als ketters op schandelijke wijze veroordeeld".
Natuurlijk zijn er nog wel vele gebreken aan de Kerken der Reformatie, „maar toch is dit aan onze Kerken gegeven, dat er geen enkel leerstuk van onze religie is, dat we niet met vast geloof houden en met constante eenvoudigheid belijden". Aldus Calvijn in zijn antwoord aan Caroli te Straatsburg.
Het zelfde beweert Bucer in zijn antwoord op de brieven van Louis du Tillet, zoon van den vice-president der Fransche rekenkamer, en eens een goede, vertrouwde vriend van Calvijn, die echter l'ater langzamerhand weer begon te twijfelen en in de schoot der oude moederkerk is teruggekeerd.
En Calvijn, hoewel niet breed ingaande op de beschuldigingen van du Tillet, merkt alleen op, dat zijn oude vriend de duisternis licht noemde — waarin hij dan zijn vroegeren strijdmakker uitvoerig van repliek dient. Hij herinnert daarbij eerst aan de werkelijke toedracht der zaken, die duidelijk van uitbanning en niet van separatie, afscheiding of scheurmakerij van den kant der hervormers getuigen. „De paus toch" — aldus Calvijn — „heeft ons, zonder eenige correctie van zijn openbare goddeloosheid ongehoord veroordeeld en van alle gemeenschap der Kerk afgesneden. Zoo moesten wij op het Woord van God zien en daaruit leeren, wat de autoriteit des menschen in de Kerk voor waarde heeft. Derhalve (begon bij ons terstond verwerpelijk en verachtelijk te worden, wat op geen enkel woord Gods steunde Om deze redenen hebben wij ons aan alle heiligen, evenals aan Christus den Heere, sterker verbonden Wat hebben wij nu voor schisma gemaakt ? Onze tegenstanders hebben zich van Christus en alle heiligen afgescheiden en van de gezamenlijke Kerken, zooveel als in hen is Aan ons echter en niet aan hen wordt de misdaad van schisma aangewreven".
Ook als men deze historische feiten buiten beschouwing laat, blijft van deze beschuldiging van afscheiding en bestrijding van de Kerk van Christus, niets over. Immers moet de vraag gesteld worden : „Wat is de Kerk van Christus ? Is dat soms niet het lichaam van Christus, n.l. de leden van Christus, die door een waar geloof het Hoofd aanhangen en door Zijn Geest geleid worden en leven ? "
Lees toch aandachtig, wat de heilige apostel Paulus van de Kerk schrijft in Efeze 4 en 5 en dergelijke plaatsen.
. „Wat noemt gij verder van de Kerk scheiden en haar bestrijden ? Ongetwijfeld, zoo we door het ware geloof van Christus, dat door de liefde werkzaam is, Christus' leden zijn, dat zijn wij daardoor ook in de Kerk. Dit geloof, deze liefde, verbindt de heiligen ook uitwendig aan elkander. Maar dan toch zeker door de (belijdenis van Christus, door het wettig gebruik van de heilige leer en de heilige sacramenten en door de gemeenschap der kerkelijke tucht ?
Wij gelooven en (belijden Christus zóó, als de gansche Schrift Hem predikt. Wij beijveren ons, om Zijn leer en sacramenten zóó te gebruiken, als Christus ze heeft ingesteld. Wij omhelzen de tucht, gelijk Christus die gewild heeft en onderwerpen ons aan haar. Wij zijn zwak en zondigen in veel; maar wij willen met inzicht en beleid niets voorbijgaan, wat ooit in de Kerk nuttig is ingesteld en ook heden nog eenige beteekenis tot opbouw van het geloof kan hebben".
„Wat het geloof in Christus niet bouwt, dat kan niet gedragen worden als door den Heiligen Geest aangenomen, noch ook kan en mag het aan de Kerk worden opgelegd. De Heilige Geest brengt, leert en bewerkt niets dan wat de Kerk waarlijk nuttig is. Want een iegelijk wordt de openbaring des Geestes gegeven tot hetgeen oorbaar is. Het Woord Gods wordt bij ons zuiver geleerd, de sacramenten bediend, zooals Hij ze heeft ingesteld ; in welke bediening wij alleen van u verschillen, dat wij de mysteriën van Christus aan het volk uitdeden, gelijk het moet, een taal gebruikend, die ze verstaan ; en wij bedienen ze ongerept, gelijk Christus ze heeft ingesteld ; en enkele van menschen ingevoegde gebruiken gaan wij voorbij, welke dingen ook de apostelen niet bewaard hebben".
Bucer wijst deze dubbele beschuldiging van separatie en bestrijding niet alleen af, maar werpt haar met volle overtuiging op de Roomsche geestelijkheid terug. Hij schrijft : „Uw praelaten echter, mijn broeder, die óns van scheuring en ketterij beschuldigen, staan zelf in beide opzichten schuldig. Zij prediken Christus niet oprecht. Zij koesteren openlijk zonder berouw het 'betrouwen op ceremoniën, heiligen en eigen werken buiten het vertrouwen op Christus ; verdedigen openbare afgoderijen en zijn met de ketterij van Simonie besmet, zonder eenig berouw. Zij leven zóó schandelijk, dat degenen die eenig sacrament met hen deelen, zich een oordeel op de hals halen". „Gij zijt te Rome geweest en in de hoven van vorsten en bisschoppen ; gij verkeert dagelijks in de tempels. Lees nu, wat de Schrift van het heilig ambt zegt, wat in concilies besloten is en in de geschriften staat, die de Vaderen ons nalieten. Vergelijk ze onder elkander en maak een waar oordeel op.
Zullen dan ijdele namen in de Kerk van Christus en in het rijk der waarheid alleen gelden ? Moeten wij dan voor bisschoppen en vaders in de Kerk aanbidden, boven wie niets verderfelijker is voor de Kerken ? En moeten we zwijgen over elke goddeloosheid der geestelijken ? Is dat waarlijk in de Kerk blijven ? Indien dat „in de Kerk blijven" is, wat zij blijkbaar alzoo noemen, n.l. bij alle goddelóosheid zwijgen en haar door woorden en daden te bevestigen, door met hen te communiceeren, wanneer zal dan eindelijk de Kerk hervormd worden, als wij allen zóó in de Kerk blijven ? Ja, wat zal er dan tenslotte van het rijk van Christus in deze wereld overblijven ? Want de paus met de zijnen handhaaft zich ondertusschen in alle misdadige stoutmoedigheid".
„Stel dus eerst bij u vast de Kerk van Christus en de gemeenschap der heiligen en leid uit de Schrift, uit de geschriften der Vaders en uit de canones af, waarin deze gemeenschap van Christus op zichzelf gelegen is ; wat met behoud van deze gemeenschap van Christus op zichzelf gelegen is ; wat met behoud van deze gemeenschap kan worden weggenomen, en wat niet ; welke dingen inderdaad scheiden van het lichaam van Christus en welke bij slechte menschen daarvoor gelden. En bedenk, dat de Kerk der eeuwen één van aard was en wat men ten tijde van Paulus in de Kerk deed zijn, en wat men er heden in doet zijn ; wat men uit de Kerk uitsloot en heden uitsluit. Leer ook uit de Schrift en uit de canones, wat men op zijn beurt aan de Kerk schuldig is, welke onderwerping en voorrang er onder de dienaren onderling is".
En hij besluit zijn inhoudrijk antwoord met de ernstige vermaning :
„Zie toe, dat gij niet uit Christus een Antichrist en uit den Antichrist een Christus maakt. Christus moet uit de Evangeliën geleerd worden en uit de schoone verzinsels. De Kerk van Christus is niet gelegen in een uitwendige zaak, maar in geloof en gerechtigheid en in dat gebruik der uitwendige dingen, dat het geloof voorschrijft".
Aldus in verschillende brieven de Straatsburger theologen in hun weerlegging tegen de beschuldigingen van scheurmakerij van Sadoleto, du Tillet e.a., bij welke argumentaties Calvijn zich geheel aansloot.
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (10)
Ook de deugden der Christenen waren menigmaal voor Heidenen eene aanleiding om in het Christelijk geloof belang te gaan stellen en naar de belijdenis der Christenen een onderzoek te doen. Als de ongeloovigen het heilig leven aanschouwden, dat de Christenen leidden, hoorden van de liefde, die zij onder elkander beoefenden, en van de barmhartigheid, welke zij bewezen aan de ellendigen ; als zij getuigen waren van de lijdzaamheid, de trouw, de volharding, die de geloovigen betoonden lol op de brandstapel toe, als zij de moedige geloofsgetuigenissen vernamen, die van hun lippen vloeiden, en kennis maakten met de krachtige geloofsverdedigingen, die door de meer ontwikkelde Christenen geschreven werden en de dwaasheden van het Heidendom in het licht stelden, dan ging er van dat alles eene werking uit, welke de uitbreiding der gemeente ten zeerste bevorderde.
Door opzettelijken Zendingsarbeid mogen de gemeenten in den eersten tijd meestal gesticht zijn, door den stillen, geestelijken invloed, die van de belijdenis en het leven der geloovigen uitging, zijn ze versterkt en uitgebreid. Van geweld of dwang, van list of omkooperij, was daarbij nimmer sprake ; hel Christendom kent geen „heiligen oorlog" en geen vleeschelijke wapenen, het triumpheert alleen door het Kruis, het werkt als het zuurdeeg en het zout, het schijnt als een licht in een duistere plaats (2 Cor. 10 : 3—5 ; Col. 2 VS. 15 enz.). Deze uitbreiding had niet alleen in de lagere standen, maar ook wel in de meer gegoede en hoogere standen plaats. Paulus zegt, dat de leden der Corinthische gemeente niet vele wijzen, niet vele machtigen, niet vele edelen waren (1 Cor. 1 vs. 26), maar zul ken werden er dan toch óók in aangetroffen. Op dezelfde wijze was het ook elders gesteld. Slaven, handwerkslieden, menschen uit de mindere standen, mochten een groot bestanddeel in de gemeente vormen, het N. Testament zelf maakt er melding van, dat op het eiland Cyprus de proconsul Sergius Paulus ('Hand. 13 vs. 7 v.), in Thessalonica vele aanzienlijke vrouwen (Hand. 11 vers 4), in Athene Dionysius de Areopagiet (Hand. 17 vs. 34), in Corinthe de rentmeester der stad (Rom. 16 VS. 23) en in Rome bedienden uit het huis des keizers en bij voorname familiën (Rom. 16 VS. 10, 11 ; Phil. 4 vs. 22) voor het Christendom gewonnen werden. Later nam dit getal gaandeweg toe ; geleerden en wijsgeeren, militairen en ambtenaren van hoogen rang, rijken en aanzienlijken voegden zich tot de arme gemeente van Christus. Er werd daarin een bewijs geleverd voor de Catholicileit van het Christendom ; het was van den beginne af voor alle standen en rangen bestemd. (Wordt voortgezet.)
DE MEISJES HOOREN ER OOK BIJ
De profeet Jesaja zegt in hoofdstuk 49 vs. 22 : „Uw dochters zullen op den schouder gedragen worden". Wat beteekent deze profetie van den Godsman ?
De typische Oostersche gewoonte is, dat het kind door de moeder gedragen wordt. En de vindingrijkheid der moederliefde is ook hierin groot. Zij is ook een van de schoonste en zuiverst bewaarde gaven, die God in den mensch gelegd heeft. In tegenstelling met hetgeen bij ons gevonden wordt, wordt het kleine kind bij de Oostersche volkeren van den morgen tot den avond door moeder bij zich gedragen. Bij ons ligt het kind in de wieg of kruipt in de box, maar niet alzoo in 't Oosten.
Heel klein wordt het kind stijf in windselen verpakt door de moeder gedragen, alsof het een mummie ware ; in een wijde zak wordt het overal, waar de moeder gaat, meegenomen. Als het kind iets grooter wordt en zitten kan, moet het aan een andere manier van dragen wennen. De moeder zet het dan schrijlings op haar schouder, één beentje vóór en één achter. Moeder leert hét kind zich vast te houden aan haar hoofd en het duurt niet lang, of het kind kan vrij zitten, zonder zich vast te houden. De moeder houdt op deze manier haar armen en handen vrij en het kind leert zich met de knieën, als een ruiter te paard, oefenen. In 'n land, waar alle groote afstanden te paard worden afgelegd, is dit van groot belang ! En nu is het typisch Oostersch, dat alleen de jongens zoo gedragen en geoefend worden op den schouder van de moeder. Een meisje wordt nooit op deze manier gedragen. Haar opvoeding geldt als van minder belang. De meisjes moéten maar kruipend, later loopend, zelf zien verder te komen. Nu is ook duidelijk de profetie uit Jesaja 49 VS. 22 : „Uw dochteren zullen op den schouder gedragen worden".
De Nieuwe Bedeeling zal de vrouw opne men in de gemeenschap, met en naast den man ; zal de vrouw haar rechten teruggeven en haar niet langer achterstellen en de mindere doen zijn van den man. In het Verbond Gods mee opgenomen, zullen niet alleen de jongens het teeken des Verbonds ontvangen, maar zullen ook de meisjes gedoopt worden.
Ook in de opvoeding en het onderwijs zal dat uitkomen. De nieuwe bedeeling is ook in deze rijker dan de oude. „Ook de meisjes zullen, evengoed' als de jongens, op den schouder gedragen worden". (Zie een artikel : , , Moederzorg bij vreemde volkeren" in De Spiegel, geïllustreerd Chr. weekblad, 25 Febr. '39).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's