De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

4 minuten leestijd

DE UITERSTE NOODZAAK AANWEZIG?
Het Bestuur van het Verbond van Protestantsch-Christelijke Werkgevers in Nederland, heeft in zijn vergadering van 14 Sept. 1938 een belastingcommissie ingesteld om een advies uit te brengen inzake de financieele voorstellen der Regeering, neergelegd in de bekende millioenennota 1939.
Dit advies kwam 24 Jan. 1939 bij het Bestuur van het Verbond binnen.
Met het samenstellen van het advies heeft de commissie een nuttig en uitnemend werk verricht. Ook het bestuur van het Verbond verdient den dank, dat het, zoo spoedig het rapport verscheen, dit pulbliceerde.
In het stuk zelve wordt de toestand van 's lands geldmiddelen en van de belastingdruk op de ingezetenen op duidelijke en klare wijze uiteengezet. Voorts worden de belastingvoorstellen der Regeering tot dekking van het geraamde tekort van ƒ 96 miilioen op de begrooting van het loopende jaar, breedvoerig besproken.
Wat aangaat de omstandigheden, waarin de Rijksfinanciën ver keer en, zijn de cijfers en feiten, welke de commissie verstrekt, ontstellend. Zij geven een indruk van den hoogst zorgelijken en pijnlijken toestand, waarin zich de geldmiddelen van den Staat op het huidige oogenblik bevinden.
Vooreerst het overzicht betreffende den achteruitgang van den financiëelen toestand van het Rijk sinds het jaar 1930, Uit dat overzicht blijkt, dat in de jaren 1931—1937 niet minder dan bijna ƒ 897 miilioen is ingeteerd geworden, zulks nog ongeacht de rente over de schuld aan de sociale verzorgingsfondsen en de bedragen, ten laste van het Werkfonds uitgegeven. Natuurlijk zijn op dit hooge cijfer van ƒ 897 millioen van invloed geweest : de uitgaven, welke door het Rijk gedaan werden ten behoeve van de werkloozenzorg. Alleen reeds voor wat de directe uitgaven voor dit onderdeel betreffen, werd door het Rijk gedurende de jaren 1931—1937 aan steun uitbetaald een bedrag van ƒ 360 millioen. En in de tweede plaats de opgave van de geconsolideerde (gevestigde) Staatsschuld van de jaren 1910—1938. Bedroeg de Staatsschuld in het jaar 1910 ƒ 1122.461 millioen, deze schuld steeg in het jaar 1938 tot ƒ 3253.463 millioen. Uit deze cijfers blijkt. dat tusschen de jaren 1910 en 1938 de geconsolideerde Staatsschuld dus met ruim ƒ 2131 millioen gestegen. Vanzelf spreekt, dat bij de beoordeeling van deze stijging ook rekening moet worden gehouden met de zware geldelijke offers, welke ons land moest brengen in de oorlogsjaren van 1914—'18, toen de weermacht was gemobiliseerd en met de buitengewone uitgaven, die in de laatste jaren moeten plaats hebben ten behoeve van de landsverdediging.
Intusschen blijven de cijfers van de lasten, welke op de schatkist rusten en de cijfers van de Nationale Schuld, ondanks dat er redenen aanwezig zijn, waardoor de verhooging der cijfers wordt verklaard en niet kon worden ontgaan, onrustbarend hoog.
Bij de vraag nu, die de commissie doet, op welke wijze dekking van 't begrootingstekort van ƒ 96 millioen dient te worden gezocht, vestigt zij in verband met de verhooging der belastingen de aandacht op de zware belastingdruk, die reeds op de bevolking rust. De commissie komt daarbij tot de conclusie, dat de heffingen van Rijk, Provincies en Gemeenten, ongeacht nog die, geheven krachtens de landbouw-crisiswet 1933 en haar uitvoeringsmaatregelen, in de laatste jaren bijna 30 procent van het belastbaar inkomen bedragen. Wat de hoogste druk van de belastingen naar inkomen en vermogen betreft, deelt het Centraal Bureau voor de Statistiek in zijn publicaties mede, dat deze voor inkomens van ƒ 800 tot ƒ 500.000 beloopt van 5.7 tot 68.2 procent. Een vermogend man, die uit zijn bezit een inkomen trekt van ƒ 500.000, betaalt daarvan, bij maximale opcenten enz., dus 68.2 procent aan belastingen naar inkomen en vermogen, dat is ƒ 334.245.13. En dit alles nog zonder rekening te houden met de overige directe belastingen, als grond-, personeele-, straat-, coupon-, dividend-belasting enz. en ongeacht alle indirecte belastingen (accijnzen, invoerrechten, omzetbelasting), begrepen in de aanschaffing van levensbenoodigdheden, genotmiddelen, enz.
De belastingen zijn alzoo tot een ongekende hoogte gestegen. Daarom is, gelet op den druk, die de belastingen nu reeds op de bevolking oefenen, buiten uiterste noodzaak geen verdere belastingverzwaring toelaatbaar.
Sluiting der begrooting moet worden bereikt niet door de belasting te verhoogen, maar in den weg der bezuiniging.
In deze laatste richting behoort de Regeering krachtig werkzaam te zijn.
En eerst, wanneer kan worden aangetoond dat de uiterste noodzaak voor belastingverzwaring aanwezig is, zal aan een vaster aandraaien van de belastingschroef niet kunnen worden ontkomen.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

STAAT EN MAATSCHAPPIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's