UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' brief aan de Galaten.
Schrijver ; lezers ; groet ; hoofdstuk 1^5 (X). 1 vers
Opdat Hij ons trekken zou uit deze tegenwoordige booze wereld. (Vervolg vs. 1-). Ook in deze woorden stelt Paulus de strekking van dezen brief in het juiste licht. Hij noemt deze gansche wereld, zooals zij in het verleden was en heden is, en ook in de toekomst zal zijn, „de tegenwoordige eeuw", in onderscheiding met de toekomstige, die eeuwig is. Ook noemt hij haar boos, omdat alles, wat in deze eeuw is, aan de boosheid van Satan is overgeleverd, die de heele wereld regeert. Vandaar, dat de wereld wel „het rijk van Satan genoemd wordt ; want men vindt in haar niets anders dan onwetendheid en verachting, lastering en haat Gods, benevens ongehoorzaamheid aan alle woorden en werken van Hem.
Hier ziet ge weer, dat niemand door eigen werken of kracht de zonden kan uitwisschen, omdat deze tegenwoordige wereld hoos is, en, gelijk Johannes zegt (1 Joh. 5 vs. 19), in het booze ligt. Zoovele menschen als er dus in de wereld zijn, — zoovele gevangenen van Satan zijn er, die gedwongen zijn hem te dienen, en alles overeenkomstig zijn wil te doen. Waarvoor is het dan nuttig geweest, om zoovele regelen op te stellen, om de zonden uit te wisschen ; zoovele zware en moeizame werken uit te denken, zooals het dragen van harige kleedingstukken, het tot bloedens toe geeselen van het lichaam, en het gewapend reizen naar Sint Jacob ? Hoe vlijtig ge in dit alles ook zijl : het feit blijft bestaan, dat ge woont in deze tegenwoordige booze wereld, en niet in het rijk van Christus. En verkeert ge niet in het rijk van Christus, zoo is het zeker, dat ge behoort tot het rijk des Satans, d.w.z. tot deze booze wereld. Derhalve zijn alle wapenen, die ge hebt, hetzij geestelijke of lichamelijke, als daar zijn wijsheid, gerechtigheid, heiligheid, welsprekendheid, macht, schoonheid en rijkdom, instrumenten en wapenen, die dienstbaar zijn aan dien helschen tiran ; en met alle wordt gij gedwongen, den duivel te dienen, en zijn rijk te bevorderen en uit te breiden.
Door de woorden „opdat Hij ons trekken zou enz." toont Paulus ons dus het onderwerp van dezen brief, hierin bestaande, dat men genade en Christus noodig heeft, en dat geen schepsel, hetzij mensch of engel, ons kan trekken uit deze booze wereld. Want het zijn louter werken van Goddelijke majesteit, en niet die van menschen of engelen, waardoor Christus de zonde vernietigd en ons getrokken heeft uit de tirannie en het rijk van den duivel, te weten uit deze verdorven wereld, die een gehoorzaam slavin en een gewillig navolgster is van haar god : den Satan. Alles, wat die menschenmoorder en vader der leugenen doet of spreekt, — dat volgt die wereld als een gehoorzame dochter getrouw op, en voert zij stipt uit. De oorzaak, dat de wereld vol is van onkunde aangaande God, van haal, leugen, dwalingen en lastering ; waarbij nog allerlei grove zonden komen, zooals : moorden, gevallen van overspel, diefstal en rooverijen, ligt hierin, dat zij haar vader den duivel, die een leugenaar en menschenmoorder is, volgt. Hoe wijzer, rechtvaardiger en heiliger de menschen, buiten Christus om, zijn, — des te schadelijker zulks voor het Evangelie is.
Ge moet deze woorden van Paulus dus voor ernstig en waar nemen, en ze niet als sierlijk en verzonnen beschouwen, want de tegenwoordige wereld is boos. Laat het u ook niet van uw stuk brengen, dat bij vele menschen onderscheidene uitnemende deugden kunnen worden aangetroffen, en dat er onder de hypocrieten een oogenschijnlijke heiligheid te vinden is. Luister liever naar Paulus, aan de hand van wiens woorden gij der wereld vrijuit en met beslistheid dit kunt voorhouden, dat zij met al haar wijsheid, gerechtigheid en macht, het rijk van den duivel is, waaruit alleen God door Zijn eeniggeboren Zoon verlossen kan.
Laat ons dus God den Vader loven en Hem danken voor Zijn onuitsprekelijke goedertierenheid, dat Hij ons uit de heerschappij des Satans, waarin wij gevangen waren, verlost heeft door Zijn Zoon, terwijl het onmogelijk was, dat zulks door onze eigen krachten kon geschieden. En laat ons tegelijk met Paulus belijden, dat al onze eigen werken en gerechtigheden, waarmede wij den Satan geen haar afbreuk kunnen doen, slechts schade en drek zijn ; en laten wij ook onzen vrijen wil, alle wijsheid en farizeesche gerechtigheid, alle orden, missen, godsdienstige gebruiken en instellingen, geloften, vasten en harige kleedingstukken met voeten treden, en er een walg van hebben ; want dit alles moet gehouden worden voor het vuilste kleed en het verderfelijkste venijn van den duivel. Maar laat ons daarentegen prijzen en grootmaken de glorie van Christus, Die ons niet uit een goede wereld, maar uit een booze door Zijn dood verlost heeft.
Met het woord „booze" wil Paulus aanduiden, dat het rijk van de wereld of van den duivel een koninkrijk is van boosheid, onkunde, dwaling, zonde, dood, lastering, vertwijfeling en eeuwige verdoemenis. Daarentegen is het rijk van Christus een koninkrijk van billijkheid, licht, genade, vergeving van zonden, vertroosting, zaligheid en eeuwig leven, waarin wij overgezet zijn door onzen Heere Jezus Christus, Wien de eere zij tot in eeuwigheid.
Naar den wil van onzen God en Vader. Paulus kiest zijn woorden en uiteenzettingen zóó, dat elk woord een bestrijding is van de valsche apostelen, terwijl het steeds de leer der rechtvaardigmaking verdedigt. Christus, zoo zegt hij, heeft ons getrokken uit de schrikkelijkste heerschappij des Satans en der wereld, en Hij heeft dit gedaan overeenkomstig den wil en het welbehagen des Vaders, benevens op Zijn bevel. Dientengevolge zijn wij niet gered krachtens onzen eigen wil of door onzen wandel, ook niet door eigen overleg of gezindheid, maar op grond van Gods barmhartigheid en gunst.
Er is nog een tweede reden, waarom Paulus hier gewaagt van den wil des Vaders. Christus is namelijk in de wereld gekomen, en heeft de menschelijke natuur aangenomen, opdat Hij een verzoening zou zijn voor de zonden der gansche wereld en ons aldus met den Vader zou verzoenen ; en ook opdat Hij ons zou openbaren, dat zulks alleen geschied is door het welbehagen des Vaders, ten einde onze oogen te richten op Christus, en ons regelrecht te trekken en te leiden tot den Vader.
Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid ; amen. Vers 5.
De Hebreërs hebben de gewoonte, in hun geschriften betuigingen van lof en dank aan te brengen. Deze gewoonte wordt ook gevolgd door de apostelen, wijl ook zij Hebreërs zijn. Een en ander komt ook bij Paulus heel dikwijls voor. De Naam des Heeren moet namelijk in hooge eere gehouden worden en Zij mag nimmer zonder betuiging van lof en dank genoemd worden. Deze manier van doen is een soort van eerbied en vereering, gelijk ook in de burgerlijke maatschappij het geval is, wanneer wij den naam van koningen of vorsten noemen, en gewoon zijn, om dan een eerbiedig gebaar en een kniebuiging te maken. Hoeveel te meer moeten wij, wanneer wij over God spreken, de knieën van ons hart buigen, en Zijn Naam met dankbaarheid en onder de hoogste betuigingen van eerbied noemen.
d. Zwart
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's