KERKELIJKE RONDSCHOUW
DE BELIJDENIS-VRAGEN
't Is nu weer de tijd, dat nieuwe lidmaten, jongeren en ouderen, worden „aangenomen" en „bevestigd" zullen worden in het midden van de Gemeente". Dan moeten de belijdenisvragen, drie in getal, aan de nieuwe lidmaten, die „openbare belijdenis" zullen doen, worden voorgelegd. Zoo schrijft ons Kerkelijk Regl. voor het Godsdienstonderwijs voor ; men zie daarvoor Art. 38 en 39.
Wij laten de „ drie belijdenis-vragen hier volgen ; die, zij 't dan niet woordelijk, dan toch zóó, dat de geest en de hoofdzaak van de daarin vervatte belijdenis, verklaring en belofte, niet verloren gaat, ter beantwoording moeten worden voorgelegd.
Ze luiden als volgt :
„In tegenwoordigheid van God en Zijn gemeente vraag ik u :
Vooreerst : Belijdt gij te gelooven in God den Vader, den Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, en in Jezus Christus, Zijnen eeniggeboren Zoon, onzen Heere, en in den Heiligen Geest ?
Vervolgens : Zijt gij des zins en willens, bij deze belijdenis door Gods genade te volharden, de zonde te verzaken, te streven naar heiligmaking, en uwen Heiland in voorspoed en tegenspoed, in leven en sterven getrouw te volgen, gelijk aan Zijn ware belijders betaamt ?
Eindelijk : Belooft gij, tot den bloei van het Godsrijk in het algemeen en van de Nederlandsche Hervormde Kerk in het bijzonder, met opvolging van hare verordeningen, naar uw vermogen volijverig mede te werken ?
Hierop wordt dan een bevestigend antwoord met ja verwacht ; en alvorens dat ja gehoord is, worden zij niet „tot lidmaten verklaard".
Wij hebben indertijd de geschiedenis' van de belijdenis-vragen in onze Hervormde Kerk beschreven, aan de hand van de Acta der Synode, in ons boekje : „De Leervrijheid in de Ned. Herv. Kerk", 2e druk. Uitgave Adm. „De Waarheidsvriend" te Maassluis en aldaar te bestellen.
't Is een gansche lange lijdensgeschiedenis. waarin uitkomt, dat de Modernen al honderd jaar en langer bezig zijn geweest om de belijdenis der Kerk te ontduiken, omdat zij met de leer der Hervormde Kerk, in haar symbolische en liturgische geschriften vervat (het Regl. op het Examen spreekt van de symbolische- en liturgische geschriften der Hervormde Kerk als een bepaalde grootheid, die wèl omschreven is en geen twijfel daarbij openlaat) niet instemmen.
De Vrijzinnigen hebben steeds geprobeerd een mogelijkheid te scheppen, om ja en neen tegelijk te kunnen zeggen, om zoo te kunnen blijven waar men in beginsel niet thuis hoort. Wat een modern domino eens noemde : „een onwaarachtig geschipper", gedurende een eeuw lang" (dr. Hooykaas).
Men stemt niet in met de belijdenis der Kerk. Want wat voor een ieder duidelijk is, is wel dit : dat zelfs in de drie belijdenis-vragen het geloof in een Drieëenig God, Vader, Zoon en Heiligen Geest, uitkomt. En men heeft maar een uitlegging en verklaring van de Apostolische Geloofsbelijdenis ter hand te nemen, b.v. de kerkelijke uitlegging en verklaring, welke we vinden kunnen in den Heidelbergschen Catechismus (Zondag 8 — 22), dan weet men wat daarmee bedoeld wordt. Of wil men een uitlegging en verklaring van meer particulieren aard, dan noemen we hier ('t is er een van den laatsten tijd) die van prof. dr. W. J. Aalders, van Groningen (uitgave : J. Ploegsma te Zeist).
Om den geest en de hoofdzaak van die belijdenis gaat het in de drie belijdenis-vragen. Want de Vrijzinnigen hebben altijd geprobeerd (men zie ons boekje : De Leervrijhéid) om heelemaal vrij te komen in de Hervormde Kerk, wat de belijdenis betreft. Men wilde, dat ieder maar voor zichzelf zou uitmaken wat men te gelooven en te belijden had. Vrijheid, blijheid. Daarvoor is men „vrij-zinnig" en „modern". Zoo kan men dan „wetenschappelijk" bij blijven en met den modernen tijd meegaan. Maar onze Hervormde Kerk heeft dat nooit toegestaan. Niet : ieder vrij, naar eigen zin en lust, om te geldoven en té belijden wat men zelf wilde. Neen — al wilde men dan niet „woordelijk" binden, toch wel bond men ieder aan de belijdenis, althans wat den geest en de hoofdzaak betreft. De belijdenis moet, wat den geest en de hoofdzaak van de belijdenis zelve betreft, onderschreven en toegestemd en beaamd en beantwoord worden — hoorbaar, voor God en de Gemeente !
Daar zitten de Vrijzinnigen mee. Want ze beamen de belijdenis niet; ook niet in „geest en hoofdzaak" ; en zeker niet op een wijze, dat geest en hoofdzaak bewaard wordt. Veeleer wordt geest en hoofdzaak van de belijdenis der Kerk geloochend en verworpen.
Immers men gelooft en belijdt niet de geest en de hoofdzaak van de belijdenis van een Drieëenig God, zooals de symbolische en liturgische geschriften der Ned. Hervormde Kerk dat leeren. (Lees Zondag 8 maar eens!)
Ze gelooven en belijden niet de geest en de hoofdzaak van de belijdenis aangaande den Christus, zooals de symbolische en liturgische geschriften der Ned. Hervormde Kerk dat leeren. (Lees Zondag 14 tot 19 maar eens !)
Geest en hoofdzaak van de belijdenis aangaande het verzoenend lijden en sterven van Christus gelooft en belijdt men niet.
Geest en hoofdzaak van de belijdenis in de formulieren voor Doop en Avondmaal gelooft men niet en belijdt men niet.
Krachtens de vrijzinnige en moderne ideeën verwerpt men juist geest en hoofdzaak van de aloude belijdenis, die men ook juist niet wil aanvaarden.
En in een van de heiligste oogenblikken van het leven laat men nu jonge menschen maar ja zeggen op een belijdenis, die men niet erkent en in een Kerk, waarin men krachtens haar Christusbelijdenis niet thuis hoort.
In Hervormd Nederland (2 Maart 1939) wordt dan ook in een breedvoerig artikel over deze belangrijke kwestie de vraag gesteld : „Zullen wij nu voor deze aannemingstragedie den Vrijzinnigen aannemelingen een verwijt maken ? Zeker niet, althans hun niet in de eerste plaats. Het zal de vraag zijn, of ze vooraf wel eens voldoende waren ingelicht. En ik vrees, dat, ware dit het geval, een eerlijke twijfelaar — en die zijn er onder de Vrijzinnigen — zich dan wel eens zou hebben teruggetrokken met de verzuchting : „Hoe 't ook zij, maar op deze wijze wensch ik niet in de Kerk te worden opgenomen, waar ik klaarblijkelijk niet thuis hoor. Trouwens welk een zonderlingen indruk moet het maken op zijn jeugdig gemoed, als hij met aandacht de geloofsleer, aan de hand van zijn geestelijken leidsman gevolgd en in zich heeft opgenomen, en hij zich bij de aanneming gesteld ziet voor een belijdenis, die hem geheel vreemd is, of die hij slechts negatief heeft hooren aanprijzen" ; wat men dan alles goed wil praten met de woorden „geest en hoofdzaak".
Geest en hoofdzaak van een vrijzinnige 'belijdenis en geest en hoofdzaak van de belijdenis der Kerk, vervat in de symbolische en liturgische geschriften, dekken elkaar niet alleen' niet, maar sluiten elkaar uit. 't Zijn twee geheel verschillende werelden. En zeer terecht vraagt de schrijver van bedoeld artikel in „Hervormd Nederland" : Wat wonderlijk getuigenis gaat er zóó van een Kerk uit op den eerlijken buitenstaander ? En wordt niet aan den vrijzinnigen Broeder een averechtsche dienst bewezen, door hem den toegang te vergemakkelijken tot een Kerkgemeenschap waarin voor hem en de zijnen, evengoed als voor zijn rechtzinnige mede-lidmaten, de onderlinge rust en vrede op alle terreinen verstoord is ? "
Het is dan ook geen onverdraagzaamheid van de rechtzinnigen, noch tegenover de Kerk, noch tegenover de lidmaten, als zij leeren, dat het gaat om den eenigen troost beide in leven en in sterven, en dat hier geen ja en neen tegelijk toelaatbaar zijn.
Het is niet tot bevordering van het welzijn van de Kerk, rioch tot zegen van de lidmaten, als men zegt : dat de eene waarheid goed is, maar dat de andere waarheid, die er in geest en hoofdzaak van verschilt, óók goed is.
Die zich ernstig van deze dingen rekenschap geeft en wil bekennen, dat het hier gaat om de hoogste en heiligste goederen, zal moeten toestemmen, dat het niet kan en niet mag, dat tweeërlei belijdenis en tweeërlei weg wordt erkend en gesanctioneerd.
Het kan de Kerk nooit ten goede komen. En het kan de Kerk, te midden van de onrustbarend toenemende onkerkelijkheid, ook nooit helpen aan een klaar en krachtig getuigenis. Karakterlooze menschen kunnen de wereld niet vooruit helpen. Een karakterlooze Kerk kan niet tot zegen zijn.
Een Koninkrijk, dat tegen zichzelf verdeeld is, met ja en neen tegelijk te dulden inzake de belijdenis der waarheid in Christus, naar Gods Woord, kan niet bestaan, maar moet te gronde gaan.
Uit liefde tot de Waarheid, uit liefde tot de Kerk, uit liefde tot het volk, zeggen we dan ook : hier moet verandering komen.
ER KOMT MEER KERKELIJK BESEF.
Men heeft voor de verwerping van het Reorganisatie-Ontwerp allerlei oorzaken gezocht en genoemd. Dat de oorzaak is geweest: liefde voor de Synodale Organisatie van heden, zal wel niemand beweren. Want men kan veilig zeggen, dat niemand de huidige Synodale Organisatie in bescherming neemt. Niet, dat er niet velen zijn, die ook wel het goede van de huidige Organisatie willen erkennen. En goede kanten zitten er inderdaad wel aan. Maar toch staat de zaak zóó, dat niemand, maar dan ook niemand de huidige Besturen organisatie onvoorwaardelijk wil behouden. We kunnen gerust zeggen, dat ieder naar verandering in deze staat. De eischen van het moderne leven werken daartoe óók mee.
De verwerping van het Reorganisatie-Ontwerp vindt dan ook niet haar oorzaak in liefde tot de Synodale Organisatie, maar in liefde tot de Hervormde Kerk. Het is het kerkelijk bewustzijn, dat aan het ontwaken is. Men wil de Hervormde Kerk als Hervormde Kerk bewaren. Men wil geen operaties in de snijkamer, waar men levende lichamen en doode cadavers rond draagt, om er het mes in te zetten en er stukken af te snijden. Dat laat men voorloopig liever over aan slagers, die er voor gestudeerd hebben en verschillende messen er voor in den winkel hebben.
Het kerkelijk en ouderen. besef leeft óp bij jongeren
En allerlei waaghalzerij en speculaties van „verdeel en heersch" wordt door jong en oud verworpen.
Men wil als Hervormden de Hervormde Kerk. En men wordt boos — en terecht — als men spreekt van Hervormd Genootschap. Zeker weet men óók wel, dat er aan dat „Kerk" veel ontbreekt.
Maar de kunstkenner ziet in een oud gebouw, dat lang onverzorgd bleef, een juweeltje, dat opgeknapt moet worden en ook opgeknapt kan worden, terwijl er misschien tien andere menschen spreken van „een paardenstal". De oorspronkelijke architectuur zit er in, ook al is er veel, dat er later in verknoeid is.
Zóó komt ook alles wat in ons is, er tegen op, als men onze Hervormde Kerk met opzet gaat kleineeren en als men doet alsof het een Genootschap is, en als men zegt, dat er toch niets aan te doen is ; en als men allures gaat aannemen om het veege lijf te dekken en probeert zich zelf veilig te stellen in een of ander hoekje of met een of ander groepje.
Daarvan willen we gelukkig tegenwoordig niets weten, de jongeren niet en de ouderen niet. En de ouderen hebben hierin de jongeren te steunen en te helpen ; en we hebben samen alles te doen wat mogelijk is om dat kerkelijk besef levendig te houden, om samen te zeggen : „Wij geven het niet over".
Voor defaitisme, voor algeheele moedeloosheid door uitputting en verzwakking, is ook volstrekt geen oorzaak onder ons. Men wil dat wel indruppelen hier en daar en telkens weer. Maar dat moeten we tegengaan en bestrijden waar we dat maar eenigszins kunnen. Geen defaitisme ! Geen wanhoopsstemming door moedeloosheid en uitputting ! Daarvoor heeft dei Heere ons niet gespaard en bewaard en gezegend met vele zegeningen. Het zou snoode ondankbaarheid zijn tegenover het Vaderlijk erfgoed. En het zou zijn een verwaarloozen van onze plicht en van onze roeping tegenover Volk en Vaderland, dat — men kan er overigens over denken zooals men wil — onder Gods voorzienig bestel zoo nauw met de Hervormde Kerk verbonden is. Ook hier wil men het defaitisme, de moedeloosheid en de lusteloosheid en de hopeloosheid indruppelen als vergif. Maar ook hier hebben we kloek en moedig, door geloof en liefde sterk, te zeggen : „Wij laten het niet los ; wij geven het niet over".
En dan houden we den grondslag van ons kerkelijk leven vast, in Schrift en belijdenis. Hier liggen de schatten, ons van God gegeven. Hier ligt het fundament en hier liggen de bouwsteenen.
Dat is ook bij de reorganisatie-beweging weer gebleken.
En zeer zeker weten we — en we hebben het ook eerlijk te bekennen — dat hier veel verwaarloosd is, uit gemakzucht en ook uit onvermogen. Maar dat mag geen oorzaak zijn om er als een „wanhopige" bij te gaan staan. We zullen aan 't werk moeten ; we zullen ons moeten opmaken en restaureeren ; we zullen moeten aanpakken en opbouwen en herstellen. Ten spijt ook van allen, die niets beters weten te doen dan minachtend spotten en onbarmhartig critiek oefenen. Van zulke menschen is nooit kracht uitgegaan. Wèl van de stoere werkers, die weten vol te houden.
Komt, laat ons dan troffel en zwaard hanteeren, bouwen en afweren, herstellen en verdedigen. En laat ons, met belijdenis onzer zonden, al onze verwachting stellen op Hem, Die mildelijk geeft en niet verwijt. Laat ons dan. niet onszelf zoeken, ónze partij, ónze groep of ónze zaak, maar laat ons arbeiden aan het geheel van het werk, dat de Heere ons gaf en sinds voor ons en voor onze kinderen bewaarde, naar Zijn trouw verbond.
Ja, Hij is getrouw, ook tegenover ónze ontrouw. Daarvoor moeten meer en meer onze oogen opengaan.
Dan komt er ook meer gezond kerkelijk bewustzijn.
DE BIJBEL EN DE OPENBARE SCHOOL.
Het is bekend, dat men geschrokken is bij de ontstellende onwetendheid van de kinderen der Openbare School in betrekking tot hetgeen in den Bijbel staat. Kort geleden deed een predikant van de Hervormde Kerk op de Openbare School, waar hij godsdienstonderwijs geeft, de vraag : Weten jullie wie Simson was ? " Geen antwoord. Niemand wist het blijkbaar. Gelukkig stak ten slotte één jongen z'n vinger in de hoogte. De dominé, dankbaar en hoopvol gestemd, zegt : „Zoo, vrind, weet jij het ? Wie was Simson ? " Antwoord : die is met den Engelschen Koning getrouwd
De heer G. van Veen, een man van vrijzinnige belijdenis (politiek, naar we meenen te weten, behoorend bij de S.D.A.P.) ijvert geweldig voor het vertellen van de Bijbelsche geschiedenis op de Openbare School, maar het mag niet theologisch, niet dogmatisch en niet politiek gebeuren ; maar neutraal. Hij wil, dat „de kinderen het Evangelie beleven" — en daarbij behoort geen „dogmatisch Christendom". Niet onduidelijk laat hij uitkomen, dat Jezus voor hem een „lichtend voorbeeld" is, en op dat „lichtend voorbeeld" moeten de kinderen zien, om dan „het Evangelie te beleven". Het gaat om „onze gezindheid". Al dat theologische en dogmatische kunnen we missen. Het gaat om „Christus' gestalte, midden in de stad staande". Het is heerlijk, dat „deze menschengedaante steeds is blijven lichten en in de duisternis het meest, doordat de geest, die er in openbaar werd, eeuwig was en onsterfelijk". De Vrijzinnigen hebben die „menschengedaante, die lichtende Christus' gestalte" noodig. Christus moet ons helpen. „Ook de vrijzinnigheid is niet dom genoeg meer, om niet te weten, dat hier 's menschen krachten ten eenenmale te kort schieten". (Hervormd Nederland, 1 Mrt. 1939).
Blijkbaar was (aldus de heer Van Veen) de Vrijzinnigheid vroeger zóó dom, dat zij met haar humanistische beginselen zich zelf wel kon redden. De goede, brave en gave mensch („de brave Hendrik" was een gewild leesboekje op de Openbare School) was vroeger zóó zelfvoldaan, dat de godsdienst, de Kerk, de bijbel niet noodig waren. Zelfs was niet noodig, dat over Christus gesproken werd. Men redde het zelf wel. Maar (aldus de heer Van Veen) zóó dom is de Vrijzinnigheid nu niet meer (ze is nog wel dom, blijkbaar, maar zóó dom door zelfvoldaanheid is ze blijkbaar toch niet meer) en daarom wil men nu de bijbelsche geschiedenis op de Openbare School (wat 'men vroeger niet wilde). Maar dan niet theologisch, niet dogmatisch vertellen, maar „de lichtende Christus' gestalte in 't midden plaatsen". Die „Christus' gestalte" moet ons helpen, inspireeren, optrekken, steunen, sterken — anders komen we er niet. Alléén kunnen we het niet klaar spelen ; zóó dom is de Vrijzinnigheid niet meer, dat zij dat zou gelooven ! zegt de heer Van Veen.
Mej J. M. van der Werve schrijft in hetzelfde no. van Hervormd Nederland over hetzelfde onderwerp : „de Bijbel op de Openbare School" — en zegt dan, dat het onmogelijk is, wat de heer Van Veen vraagt. En is de heer Van Veen onderwijzer, mej. Van der Werve is onderwijzeres, en beweert, dat het nooit in practijk kan worden gebracht, wat de heer Van Veen verlangt, n.l. om de bijbelsche geschiedenis te vertellen op de neutrale Openbare School ; voorschrijvende dat het moet geschieden niet „theologisch", niet „dogmatisch", maar neutraal......... De Bijbelsche Geschiedenis te vertellen zonder geloofsdogma's, zonder geloofsovertuiging, zonder een bepaald geloofsstandpunt, is eenvoudig onmogelijk. „Begin maar bij de Schepping, en eindig maar bij de Zending" — aldus mej. Van der Werve. Wie kan dan „neutraal" blijven, zonder theologie, zonder dogma's ?
Niemand ! En wie kan over den Heiland vertellen — op „neutrale" wijze ? Niemand !! Vertel nu eens „neutraal" over Jezus, den Heiland, in deze lijdensweken vraagt mej. Van de Werve. Dat kan immers niet ! Want men moet maar niet de bijbelsche geschiedenis occasioneel, dus : bij toevallige gelegenheden en dus: „zoo nu en dan eens 'n oogenblikje" vertellen. B.v. bij een leesles, als er sprake is van „Jobs geduld" enz. Neen, men moet de bijbelsche geschiedenis als leervak nemen en geregeld vertellen, beginnende bij het begin en den ganschen Bijbel doorwandelend. Wat is dat dan voor Boek voor ons, die Bijbel ? Daarop moeten we toch een antwoord geven ? Als men dat Boek ter hand neemt en van dat Boek wil gaan vertellen, moet men toch weten wat voor Boek dat is ! En dan zegt die Bijbel zelf : ,,Al de Schrift is van God ingegeven en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is" (2 Tim. 3 VS. 16). „De Bijbel is van goddelijke oorsprong. De Bijbel is éen van de genademiddelen Gods", aldus mej. v. d. Werve.
„Dan wilde ik eens vragen, hoe de heer Van Veen denkt over dit probleem : een dorpsschool met drie leerkrachten. Geen van de drie heeft lust, of is bekwaam om Bijbelsche Geschiedenis te onderwijzen. Oplossing; een van de drie wordt gedwongen, enz." „Wanneer U eens een enquête instelde bij de leerkrachten, hoe die dachten over de Bijbel op de Openbare School, zou het resultaat U misschien hard tegenvallen. Ik heb al met verschillende collega's gesproken en die denken er precies over als ik. En daar zijn ook menschen bij, die aan den Bijbel geen plaats geven in hun leven, maar toch door hun karakter een lichtend voorbeeld voor hun leerlingen zijn". Aldus mej. v. d. Werve, die zegt het óók vreeselijk te vinden, dat daar zijn „tienduizenden en nogmaals tienduizenden, die God niet kennen, dan misschien uit een vloek, en het zou een zegen zijn, als wij die allen van Hem konden vertellen", — maar, op de Openbare School kan het niet. Dat moet men, als men werkelijk ernstig meent wat men zegt, goed bedenken. Om dan om te zien naar wegen en middelen, die hierbij wèl dienstbaar kunnen zijn !
Mej. V. d. Werve zegt tenslotte : „En als dan de heer Van Veen werkelijk zoo gaarne de kinderen met den Bijbel in aanraking wil brengen, waarom tracht hij dan niet een groote propaganda op touw te zetten om de kinderen te bewegen de Zondagsscholen te bezoeken, waar met liefde en toewijding les gegeven wordt in Bijbelsche geschiedenis".
Wij zouden zeggen : laat men een groote propaganda op touw zetten voor het Christelijk Onderwijs, dat op onze Scholen met den Bijbel gegeven wordt in de stad en op het platteland.
Daar kan tegelijk prachtig evangelisatiewerk worden verricht, zonder dat ook maar 't minst het onderwijs zelve schade lijdt.
En als we dan onderwijzers en onderwijzeressen hebben, die „aan den Bijbel een plaats geven in hun leven en door hun karakter een lichtend voorbeeld voor hun leerlingen zijn" zou het heerlijk zijn. „Weest Mijne getuigen" zegt de Heiland. Wat we zijn zullen, als de liefde van Christus ons mag dringen en Gods Woord onze spijze mag zijn, een licht op ons l)ad en een lamp voor onze voet
Natuurlijk, dat we naast en bij onze Scholen met den Bijbel, óók gaarne denken aan onze Zondagsscholen ; maar de alle-dagschool vergete men niet !
IS DAT NU WEL IN ORDE ?
Wij lezen nog al wat dag- en weekbladen, ook onderscheidene Kerkbodes van groote stadsgemeenten en ook wel van kleinere plaatsen. En dan moet het iemand opvallen, dat er hier en daar druk gepreekt wordt ; 's Zondags èn op avonden „door de week". Druk gepreekt door de plaatselijke predikanten en door dominees „van elders" ; naast elkaar en tegenover elkaar, al naar 't valt ! En wat ons dan opvalt is dit : dat het veelal dezelfde dominees — en dezelfde godsdienstonderwijzers ook — zijn, die altijd bereid zijn om overal, zoowel 's Zondags als door de week op te treden, naast en ook wel tegenover de plaatselijke predikant of predikanten.
Zoo gebeurt het niet zelden, dat dan een dominé, die de waarheid verkondigt, op den kansel staat en een dominé-geestverwant in „de Evangelisatie". En het gebeurt hier en daar bijna wekelijks, dat de plaatselijke predikant bijbellezing houdt en dat „men" er dan voor zorgt, dat op denzelfden avond of vlak daarvóór door een of andere Vereeniging een dominé van elders optreedt.
Zou dat nu eindelijk niet eens kunnen ophouden ?
En juist omdat het altijd dezelfde domino's zijn, ook dezelfde emeriti wel, zouden wij willen vragen, zou men dat werk, waartoe men door een zekere kring of groep uitgenoodigd wordt, nu niet willen nalaten ? Het is tegen de Schrift en tegen alle goede orde in. En die dominees van elders, die een oogenblikje komen en dan weer vertrekken, al rondreizend, hebben hier toch in 't geheel geen roeping. Het werkt de verwarring en de partijschap in de hand en het blijkt telkens, dat het ellende op ellende werkt.
Wij zouden ook willen vragen : hebben hier de Kerkeraden geen roeping ? Wanneer men weet, dat de eigen dominé stad en land afreist om maar luk raak hier en overal te „preeken", moet de Kerkeraad dan eigen herder en leeraar hierop toch eens wijzen. Daar heeft de Kerkeraad recht op, om dat te doen. En het is zijn plicht en roeping. Gelijk het plicht en roeping is van den dominé, om in z'n eigen gemeente te zijn en niet als een vliegende vogel hier en daar en overal te zijn.
Wat mooi is, is dit, wat we lezen van den Kerkeraad van Huizen.
Die staat een van zijn herders en leeraars, in goede orde, af, voor een dag en een avond aan de broeders en zusters, die in de Zaanstreek in de moeilijke omstandigheden verkeeren, dat zij met hun gezinnen van de prediking en van het catechetisch onderwijs verstoken zijn. Dat is een soort „consulentschap" dat heilzaam werken kan. Dan js er leiding en hulp bij het werk.
Zoo heeft men vroeger b.v. ook gedaan in Oudshoorn. Toen wij in Delft predikant waren kwam het verzoek tot ons, één dag voor Oudshoorn te willen geven, wat we toen onmogelijk doen konden, maar wat daarna met zooveel trouw en toewijding gedaan is door collega Beekenkamp, die van uit Leiden vooral, zich gaarne voor dat werk gaf, wat niel ongezegend is gebleven.
In goeden zin is er dan toezicht en hulp en leiding.
Maar anders komt er niets dan verwarring, onrust en ellende.
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (12)
Gods Woord wil er niets van weten, dat onder Christelijken schijn de natuurlijke ordeningen, die bij de schepping of door de voorzienigheid Gods zijn ingesteld, worden op zij gezet en vernietigd. De genade vernietigt niet, maar herstelt en vernieuwt en heiligt de natuur.
Zoo blijft dan ook in de Nieuw Testamentische gemeente het huwelijk in eere (1 Cor. 7:2; Hebr. 13 : 4), de man blijft het hoofd der vrouw (Ef. 5 : 23, 24), het kind blijft aan de ouders gehoorzaamheid verschuldigd en heeft allen, die over hem gesteld zijn eere te geven (Ef. 6 : 1), het beroep en het ambacht blijft gehandhaafd (1 Cor. 7:24), de Overheid is en blijft dienaresse Gods, waarbij de onderdanen onderworpenheid en gehoorzaamheid hebben te toonen, eere gevend allen die in hoogheid gezeten zijn, geduriglijk voor hen biddende (Rom. 13 : 1 v. — Tit. 3 : 1 ; 1 Petr. 2 : 13) ; zelfs de slavernij blijft in stand, 1 Cor. 7 : 21 ; Phil. 14 : 14 enz.). Maar al die natuurlijke verhoudingen worden wel doortrokken van een nieuwen geest : man en vrouw moeten elkander goedwilligheid bewijzen en elkander iiefhebben in den Heere. (1 Cor. 7 VS. 3 ; Efeze 5 vs. 25 ; 1 Petr. 3 vs. 7) ; ouders moeten hunne kinderen niet tergen en tot toorn verwekken, maar opvoeden in de leering en vermaning des Heeren (Efeze 6 vs. 4 ; Col. 3 VS. 21) ; heeren moeten hun dienstknechten recht en gelijk doen, wetende, dat zij zelven dienstknechten van Christus en de dienstknechten vrij gelatenen in Christus zijn (1 Cor. 7 VS. 22 ; Col. 4 vs. 1) ; arbeid is niet als een schande, maar als eene Goddelijke roeping te beschouwen (Efeze 4 vs. 28 ; 1 Thess. 4 VS. 11 ; 2 Thess. 3 vs. 12) ; en de overheid heeft er zorg voor te dragen dat de geloovigen een stil en gerust leven kunnen leiden in alle godzaligheid en eerbaarheid. (1 Tim. 2 VS. 2).
Zoo wordt eenerzijds de vrijheid van den Christen gehandhaafd, ten opzichte van besnijdenis (Gal. 5 VS. 1, 2), spijze en drank (Rom. 14 VS. 2 ; Col. 2 vs. 16 ; 1 Tim. 4 vs. 3 V.V.), feestdagen (Rom. 14 vs. 5 ; - Gal. 4 vs. 10), offermaaltijden (Rom. 14 ; 1 Cor. 8 ; 10 VS. 23 V.), den omgang met anderen, die buiten zijn (1 Cor. 5 vs. 10), zelfs van de geloovige vrouw ten opzichte van den ongeloovigen man, die haar verlaat (1 Cor. 7 vs. 15). Maar andererzijds wordt even sterk gewaarschuwd tegen het gebruiken der vrijheid tot eene oorzaak voor het vleesch (Gal. 5 vs. 13). De sterke verdrage den zwakke, spare zijne consciëntie en late het eten van offervleesch na, als het zijn broeder ergert, om wien Christus gestorven is (Rom. 15 vs. 1 ; 1 Cor. 8 VS. 9—13), aan alle armen en kranken, aan alle ellendigen en nooddruftigen worde barmhartigheid bewezen (Matth. 25 vs. 34 v. ; 2 Cor. 9 VS. 6 V. ; Hebr. 13 vs. 2, 3 enz.) en de liefde binde allen samen (Rom. 13 vs. 8 ;
Gal. 5 VS. 13).
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's