De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Heidelbergsche Catechismus

naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (16)

4 minuten leestijd

Een derde onderscheiding is : zonden tegen het geweten, en niet tegen het geweten. De zonden tegen het geweten zijn die, die willens en wetens bedreven worden, opzettelijk tegen Gods wil ingaande, zooals ook David willende en wetende echtbreuk en doodslag bedreef, in strijd met Gods wil en wet. Niet tegen het geweten is die zonde, welke wij bedrijven, terwijl wijl ze niet kennen of niet willen. Deze zonde wordt door den zondaar wel als zonde erkend en betreurd, maar ze kunnen in dit leven toch niet volkomen vermeden worden. We denken hier aan de erfzonde en aan vele zonden van nalatigheid, onkunde en zwakheid. Vele goede dingen laten wij na en vele kwade doen wij, plotseling dikwijls door zwakheden overwonnen. We denken hier aan Petrus, hoe hij in het gevaar door zwakheid wordt overwonnen en Christus verloochent, het wel wetende, maar niet willende. Daarom ook weent hij bitterlijk en verliest hij het geloof niet geheel en al, naar de belofte des Heeren : „Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude". (Lukas 22 vs. 32). Het was geen heerschende zonde, veel minder zonde tegen den Heiligen Geest ; omdat hij Christus niet minder beminde, toen hij Hem verloochende, dan toen hij weende, al kon hij toen uit vrees voor gevaar dat gevoel niet uiten.
Zoodanige zonde erkent Paulus ook, dat in hem is, en hij beweent ze : „Want het goede, dat ik wil, doe ik niet ; maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik" (Rom. 7 vs. 19). Onkunde was ook de zonde van zijn lastering en vervolging der gemeente. Hij getuigt er zelf later van in deze woorden : „Maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijne ongeloovigheid". (1 Tim. 1 VS. 13).
Een vierde onderscheiding is : Er is onvergeeflijke zonde óf tegen den Heiligen Geest óf tot den dood toe ; en er is vergeeflijke zonde óf niet tegen den Heiligen Geest óf niet tot den dood toe. Dit weten we uit : Matth. 12 VS. 32 ; Markus 3 vs. 29 ; 1 Joh. 5 vs. 16.
Onvergeeflijke zonde of zonde tegen den Heiligen Geest of zonde tot den dood toe is : de ontkenning van de waarheid, die men kent aangaande God, Zijn wil en werken. Van deze waarheid is het verstand door de getuigenis des Heiligen Geestes zekerlijk onderwezen en men is er van overtuigd ; en de bestrijding geschiedt dan niet uit vrees of zwakheid, maar is opgezet en wordt begonnen met bepaald plan, uit haat en vijandelijke gezindheid tegen de waarheid. Hier kan dan niet met Paulus gesproken worden : „Want het goede, dat ik wil, doe ik niet ; maar 't kwade, dat ik niet wil, doe ik". (Rom. 7 vs. 19). Het gaat hier met een bepaald voornemen en uit opzettelijke vijandelijke gezindheid tegen God en Zijn Woord.. Die deze opzettelijke en welberaamde zonde bedrijven, worden door God gestraft met blindheid tot den einde toe, zoodat zij geen droefheid gevoelen, zich nooit in dit leven bekeeren en ook nooit vergeving verwerven. Deze zonde wordt onvergeeflijk genoemd, niet omdat zij door haar zwaarte de waarde van Christus' verdienste te boven gaat, maar omdat wie ze bedrijft gestraft wordt met blindheid tot den einde toe en het hem niet gegeven wordt zich te bekeeren. Deze zonde draagt in zich als straf de onboetvaardigheid en de onbekeerlijkheid. En omdat het dus een bijzonder soort van zonde is, wordt ze ook met bijzondere straf getroffen: n.l. blindheid tot den einde toe en onboetvaardigheid. En zonder boetvaardigheid is er geen vergeving van zonden. „Maar zoo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende". (Matth. 12 VS. 32). „Maar zoo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels". (Mark. 3 vs. 29).
Zonde tegen den Heiligen Geest wordt ze genoemd, niet omdat de Heilige Geest door iemand zou kunnen beleedigd worden, die ook niet tegelijk tegen den Vader en den Zoon zondigde ; maar omdat ze bijzonderlijk tegen den Heiligen Geest wordt bedreven, n.l. tegen het eigene en onmiddellijke ambt en werk des Geestes,
n.l. de verlichting des verstands.
Zonde tot den dood wordt ze (1 Joh. 5 vs. 16) genoemd, niet omdat zij alleen doodelijk is of den dood verdient ; maar omdat zij het meeste den dood verdient, en allen, die ze bedrijven, zekerlijk in deze zonde sterven, daar zij nimmer berouw hebben. Daarom wil Johannes ook met, dat voor hen gebeden zal worden, omdat de vergeving voor deze zonde toch tevergeefs van God gevraagd wordt.
Over deze verschrikkelijke zonde spreekt d€ Schrift o.a. : Hebr. 6 vs. 4, 5, 6, 7, 8 ; 10 VS. 26—29 ; Titus 3 vs. 10 en 11.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Heidelbergsche Catechismus

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's