De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

8 minuten leestijd

„En omtrent de negende ure riep Jezus met een groote stem, zeggende : Eli, Eli, lama sabachtani ! dat is: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? " Mattheüs 27 vers 46.

DE DIEPTE
Golgotha, de hoofdschedelplaats! Hetzij deze plaats haar naam ontleend heeft aan de schedels van een terechtstellingsoord of aan de hoofdschedelvorm van dezen heuvel, het is in elk geval een plaats, die ons aangrijnst en doet huiveren. Golgotha is de allerellendigste plaats der wereld. Want daar zien wij de zonde. En ook alle gevolgen der zonde.
De zonde komt ons op Golgotha tegen. En wel op zulk een wijze, dat men wel moet toestemmen, wat de Catechismus van den mensch-van-nature zegt: geneigd God en den naaste te haten.
Jezus is dan aan het kruis gekomen. De nijd dergenen, de Hem haatten, heeft tot dusver overwonnen en nu dragen drie spijkers Zijn lichaam. Thans is het uit met dien gevloekten Nazarener !
Van die overwinning wil men dan ook ten volle genieten. Langs het kruis loopen de leidslieden van Gods volk Israël heen en weer en telkens hebben zij in 't voorbijgaan wel een vlijmscherp woord om den lichamelijk zoo zwaar lijdende ook in de ziel smartelijk te pijnigen. De liefde mag vindingrijk wezen, de haat is dat niet minder. Zij raken het teerste punt, waar zij den Heiland treffen kunnen, namelijk in de intiemste relatie tusschen den Vader en den Zoon, door te smalen : ,,Hij heeft op God vertrouwd, dat Die Hem nu verlosse, indien Hij Hem wèl wil, want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon !"
Waarlijk, Hij is wèl van de menschen verlaten geworden !
„Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, een Man van Smarten "
Daarover klaagt de Heere Jezus evenwel niet. Voor de menschen kan Hij bidden, zelfs als zij spotten bij Zijn kruis en met Zijn kruis. „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen "
Neen, de Heiland klaagt over iets anders. Hij klaagt er over, dat Zijn God Hem heeft verlaten. Dat is voor Hem de smart in de smart. Dat maakt Zijn lijden uit. Daarbij verzinkt al wat de menschen Hem aandoen in het niet. Zij zijn in al hun woeden toch slechts het middel en meer ook niet. Maar Zijn God, Zijn Vader verlaat Hem.
„Doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen aanloopen".
„Hij heeft Hem krank gemaakt!"
Daar loopt de klacht van den Heiland over.
En toch, die klacht stijgt tot dienzelfden God op. Die Hem verlaat. Niet tot menschen heeft de Heere Jezus dit woord gesproken, al is het dan, dat het voor menschenooren gehoord is, opdat het zou wezen een grondslag voor het geloof.
Maar tot God sprak Hij. Tot God klaagde Hij!
Daarin is Hij de eenige niet geweest. Velen hebben in den loop der eeuwen geklaagd, dat zij van God (en menschen) verlaten waren. Dan echter was de klacht vaak een aanklacht. Wij menschen, zooals wij van nature zijn, achter ons — nu ja, wel niet volmaakt, maar — toch nog te goed, om van God en menschen te worden verlaten. Een bitter gevoel van verongelijkt te zijn en onrechtvaardig behandeld te worden, is gewoonlijk de oorzaak van der menschen klachten. Zoozeer achteruitgezet te zijn, heeft men toch waarlijk niet verdiend !
Het leven blijkt ook hier weer vol te zijn van ongezochte bewijzen, dat een menschenkind, zonder de genade van Gods Geest niet bij machte is om te gelooven, dat ook al zou men ten onrechte verongelijkt zijn door de menschen, het toch God is, die daarin een woordje meespreekt. Het is de Heere, die al deze dingen doet. En in de nooden van het leven komt het uit, dat het hart van den onbekeerden mensch, ook al is hij vroom, niet in staat is te buigen onder Gods hand en te erkennen Zijn recht tot straf.
De Heiland echter blikt hoogerop, dan tot menschen. Al treft 't wee den mensch. door wien Hij verraden wordt, de Zoon des menschen gaat niettemin heen gelijk van Hem geschreven is. Hij ondergaat den van eeuwigheid bepaalden wil des Vaders en Zelf wil Hij niet anders. Denk aan Gethsémané, waar Hij niet slechts na, doch ook in Zijn zieleworsteling zeide : „ niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt "
Hij ondergaat Gods recht. Zijn ziel tol een rantsoen voor velen. Hij, Die de Borg was, moest dan ook in den striktsten zin des woords betalen. De bittere gevolgen der zonde komen op Hem, als Hij in de hèlleangsten der Godverlatenheid indaalt. „Waarom verlaten ? "
De eischen van Gods recht komen op Eén, Die zelf niet schuldig was. Zijn geweten klaagde Hem niet aan, doch sprak Hem vrij. En toch onder Gods toorn. Het „waarom" schijnt hier evenwel niet op zijn plaats, want wist Christus niet alle dingen ? Doch in de Godverlatenheid is alle licht gedoofd. Zoo komt dit woord Hem over de lippen. Go de zij dank, want ook hieruit blijkt: „Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen".
Het oogmerk dezer verlating had Hij intusschen aan Zijn discipelen reeds geopenbaard. In den afgeloopen nacht vierde Hij met de jongeren het pascha. Brood en wijn had Hij daarbij genomen en gezegd: „Dit is Mijn lichaam, dat voor u gebroken wordt; dit is Mijn bloed, dat voor u vergoten wordt".
Het antwoord op Zijn vraag had de Heiland te voren gegeven, opdat Zijn kerk het door het geloof zou verstaan. Hier worstelt Hij, Die een worm is en geen man, met de bangste vraag, die ooit werd gesteld :
„Waarom verlaten ? " Golgotha is de allerellendigste plaats der wereld.
Maar omdat Jezus het Lam Gods is, dat de zonde der wereld wegneemt, is Golgotha tevens de allerheerlijkste plaats der wereld. Het is namelijk de eenige plaats, waar het geloof het anker der hoop. kan uitwerpen in den vasten grond van 'hetgeen God deed om zondaren zalig te maken. Want Jezus zegt daar : „Het is volbracht !"
Velen klagen tot God en klagen Hem aan wegens de verlating. Maar in hun klacht verlaten zij Hem nog meer. En hoe verder men van Hem weg is, des te minder kan het Schriftgetuigenis gehoord en verstaan worden, dat Gods verlaten van ons, zondaren, slechts voortspruit uit ons verlaten van Hem. Als wij dus klagen tot God, dan moet dit tenslotte een klacht worden niet over God, maar over onszelf.
Om die klacht te leeren, heeft Christus den Heiligen Geest verworven en zendt Hij hem neder in zondaarsharten, opdat zij bij Zijn licht hun ware gedaante zullen zien, het recht Gods zullen leeren erkennen en niets zullen overhouden, dan een Heiland die aan Zijn kruis door God werd verlaten, opdat zij tot God zouden genomen, en nimmermeer door Hem verlaten worden. (Avondmaalsformulier).
Dit is in den diepsten grond de oefening des geloofs. Van elk geloovig vertrouwen op God den Heere is dit het fundament : „genade" in den vollen zin van dat wondere woord. Zooals de mensch van nature is, is voor dit geloof in zijn hart geen plaats, omdat hij er geen behoefte aan kent. Op verfijnde, of vergroofde wijze is hij de consequente handhaver van zijn eigen ik. Dat is zijn gewaande rijkdom en tegelijk zijn geestelijke armoede. Dat is het groote punt, waar God Zijn recht niet ontvangt.
Hebt gij dit leeren inzien ? Wekte dit in uw hart de droefheid, die u met uw klacht over veel en velerlei in een andere richting dreef en u de vraag te doorwor­stelen gaf : „Mijn God, mijn God, waarom heb ik U verlaten ? "
Dat is iets anders dan een aanklacht! Of liever : het is een aanklacht van uzelf. Het is een kenteeken van een verbroken hart, hetwelk God niet veracht. Integendeel, het is Hem lief. Het stemt den hemel tot vreugde, want de Heiland heeft verklaard, dat er in den hemel blijdschap is over één zondaar, die zich bekeert. En hoewel het uw hart breekt en gij bedroefd zijt over uzelf, toch zult gij erkennen, dal er in de klacht: „Waarom heb ik U, o God, verlaten ? " iets wonders van zaligheid schuilt. De droefheid naar God is immers altijd rijker dan de blijdschap der wereld.
Laten wij nu elkander wijzen op den Middelaar. Ziende op Hem wordt het verbrijzeld hart verheugd. God gaf Zijn Zoon. En de Zoon gaf zich voor u. Hem aanschouwen is een geloof, dat het hart reinigt. Hij verlost van de hel en Hij bereidt voor en 'bewaart tot den hemel. Onze wandel, ons burgerschap, is in de hemelen, vanwaar wij ook den Zaligmaker verwachten. Gods kinderen leeren hun levenslied zingen op den grondtoon „genade" en wel zoo onuitputtelijk, dat zij het erkennen: de eeuwigheid is noodig om ons tot lof der liefde Gods het eeuwig antwoord te geven op de verwonderde vraag :
„Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij aangenomen ? "
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's