De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Studiefonds van den Geref. Bond

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Studiefonds van den Geref. Bond

4 minuten leestijd

In het nummer van het Geref. Weekblad van 4 Maart bespreekt prof. Visscher een gedeelte van mijn artikel, wat ik in De Waarheidsvriend heb geschreven over de werking van ons Studiefonds.
Prof. Visscher schrijft onder meer het volgende :
„Het gaat niet om fouten of verkeerde wijze van uitvoering, maar het gaat om de zaak zelve, die — ds. Timmer erkent het immers zelve — niet kan worden uitgevoerd, omdat dit niet in ons menschelijk vermogen ligt. De Heere heeft aan menschen daarvoor noch het vermogen, noch de opdracht gegeven. Hij heeft Zichzelf de roeping en de zending Zijner boden voorbehouden.
Blijkbaar heeft ds. Timmer daarvan geen besef. Had hij er besef van, dan zou hij zijn hand van de zending Gods afhouden en voor den Heere laten liggen. God heeft ds. Timmer niet gezonden om dominees op te zoeken of om te schoolmeesteren, maar om zijn goddelijke roeping te volbrengen, naar eisch van Gods Woord".
Omdat het hier om de zaak zelve gaat, gelijk prof. Visscher schrijft, wil ik hem gaarne op dit schrijven antwoorden.
Wat prof. Visscher in het voorafgaande gedeelte van zijn artikel schrijft, beaam ik ten volle. Wij hebben mannen noodig, die door God den Heere tot dit heilig ambt geroepen zullen worden door de werking des Geestes. Ik ben het roerend met hem eens, dat wij onze hand van de zending Gods hebben af te houden. Maar inderdaad ontbreekt mij het besef, dat ik niet in den weg der middelen zou mogen doen, wat mijn hand vindt om te doen. Als daar een jonge man is, van wien we mogen hopen, dat hij een waardig dienaar des Woords zal worden, zie ik er geen kwaad in om hem financieei te helpen steunen, als hij zijn studie niet betalen kan.
Zoo heeft blijkbaar prof. Visscher er toch ook over gedacht, toen er op de jaarvergadering op aangedrongen is, dat hij met prof. Severijn zitting zou nemen in de Studiecommissie. Met blijdschap denk ik nog terug aan de aangename vergaderingen van onze studiecommissie met hem en met prof. Severijn. We hebben steeds één zelfde lijn getrokken. De eenige verandering, die prof. Visscner heeft voorgesteld, was, om geen gymnasiasten meer te steunen, maar alleen studenten. Tot op heden is die verandering gehandhaafd. Wat ik alleen maar wil constateeren is dit, dat prof. Visscher, toen hij enkele jaren geleden onze vergaderingen bijwoonde, blijkbaar ook niet besefte, wat ik thans nog niet schijn te beseffen; Anders zou hij stellig die benoeming niet hebben aangenomen, of, zoo hij die benoeming al aannam, er ons stellig op gewezen hebben, dat we eigenlijk met het steunen van studenten God den Heere het werk uit de handen nemen.
Ik heb mij bij het lezen van het artikel van prof. Visscher afgevraagd of we dan misschien allemaal gedwaald hebben en of ons allen het rechte besef heeft 'ontbroken. Ik dacht bij mij zelven : Ik wil toch eens weten, wat de Vaderen er van zeggen.
Nu las ik in de acta van de Emdenschw Synode van 1571 in artikel 37 het volgende :
Die uyt deser verstroyinghe in eenigher stadt ofte plaetse vergadert zijn, sullen etllycke studenten onderhouden, die aan hen verbonden sullen alle, derwelcker dienst, soo die ghenen diese onderhouden hebben, ontbeeren moghen, ende toelaten dat een andere Kercke deselve ganschelijck tot haer met verbindinghe overneme, zoo sullen sij die ghedaene oncosten wederom moghen eyschen, maar dat en sullen sij niet moghen doen, ist dat zij se alleen voor eenen tijt uytleenen.
In de Kerkenorde van Middelburg van 1581 lees ik in artikel 14 :
De Ghemeynten sullen arbeiden datter studenten in der Theologie zijn, die ex bonis publicis onderhouden worden.
Dit zelfde artikel is als artikel 19 opgenomen in de Kerkenordening van de Nationale Synode van Dordrecht.
Ik geloof toch niet, dat onze Vaderen uit de bloeitijd met het „arbeiden datter studenten in de theologie sijn, die ex bonis publicis onderhouden worden", de bedoeling hebben gehad om de hand in de zending Gods te steken en alzoo de roeping uit de hand van den Heere te nemen en die in eigen hand te leggen.
Neen, wat voor fouten gemaakt zijn, welke teleurstellingen wij hebben te boeken, wij zijn nog niet overtuigd geworden, dat het verleenen van steun op zichzelf tegen den Raad Gods zou ingaan.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Het Studiefonds van den Geref. Bond

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's