De prediking tot de gemeente
Een der gevaren, welke het christelijk leven bedreigen, is oppervlakkigheid. Welk een oppervlakkigheid heerscht er bij zoo menigeen, die er prat op gaat den christennaam te dragen. Dat komt ge tegen bij, vrijzinnigen, dat komt ge ook tegen bij rechtzinnigen. Ja, dat is zelfs ook niet vreemd aan degenen die de Gereformeerde beginselen zeggen voor te staan. Trouwens wiens hand, in eigen boezem gestoken, zal er niet melaatsch uitkomen ?
Oppervlakkigheid — en we denken hierbij aan een prediking, waarbij alle zelfbeproeving zoo goed als geheel overbodig schijnt te zijn. Wie maar goed in het kerkelijk gareel loopt, heeft zich dan verder niet bezorgd te maken. Er is echter ook nog een ander gevaar, dat ons christelijk leven bedreigt. Het gevaar voor over-geestelijkheid. Dat dit niet denkbeeldig is, zal u uit het volgende blijken.
Een dezer dagen, werd door iemand de vraag gesteld : „Moet de prediking bezien Worden als uitsluitend voor de bekeerden, of als voor iedereen bedoeld zijnde ? " Wat was de aanleiding tot deze vraag ? Wel, de vraagsteller had korter of langer tijd geleden van iemand de opmerking gehoord, dat de prediking alleen gericht moest worden tot de bekeerden, want — en hier komt het — want, de
onbekeerden zijn immers dood en kunnen de prediking dus toch niet verstaan.
Is het te sterk uitgedrukt, wanneer we zeggen dat die persoon, die zulk een opmerking maakte, lijdt aan een hevige mate van overgeestelijkneid ?
Is oppervlakkigheid een groot gevaar, niet minder ook over-geestelijkheid. Want wie zal zeggen wat zulk een geestesgesteldheid voor schadelijke gevolgen met zien mede brengt, zoowel waar het betreft de christelijke opvoeding der jeugd, als het kerkelijke leven in het algemeen. Wanneer we dan ook willen stilstaan bij het onderwerp : „De prediking tol de gemeente", dan willen we dat juist doen met het oog op die gemaakte opmerking. De nadruk zal dus niet vallen op de vraag : „wat moet de prediking inhouden ? ", doen hierrop : „tot wien moet de prediking gericht zijn.
En wanneer we vragen : „tot wien moet de prediking gericht zijn, dan moeten we wel direct beginnen met een en ander duidelijk te onderscheiden. Het is immers niet voor tegenspraak vatbaar, dat er onderscneid gemaakt moet worden tusschen b.v. :
een prediking, gericht tot de heidenen, die nooit van Gods W oord gehoord hebben — of een prediking die geschiedt in een evangelisatie-samenkomst, waar allerlei soort van menschen vergaderd zijn,
óf dat het gaat over de prediking, die de Bedienaar des Woords houdt in de samenkomst der gemeente.
Over deze laatste prediking gaat het thans. Welnu, hoe heeft men in een kerkdienst de schare, welke onder het geklank van Gods Woord is opgekomen, te beschouwen ?
Eigenlijk moest dit voor ons een vraag zijn. Omdat het antwoord op deze vraag ons lederen Zondag duidelijk gegeven wordt. En het kan zoowel een gevolg van oppervlakkigheid als van over-geestelijkheid zijn, wanneer dat antwoord ons tot nu toe ontgaan is.
Een gevolg van oppervlakkigheid — omdat men bij het nederzitten onder het geklank van Gods Woord, zich niet indenkt wat alles, wat er gedurende zoo'n dienst plaats heeft, ons te zeggen heeft.
Een gevolg van over-geestelijkheid — omdat men geen oog heeft voor de door onze Vaderen, op grond van Gods Woord, ingestelde gebruiken, welke men eigenlijk alleen als een soort vormendienst beschouwt.
Waarom moest : „hoe hebben we ons de schare, in het Huis des Gebeds opgekomen, te beschouwen ? ", eigenlijk geen vraag zijn ? Hierom niet, omdat iedere kerkdienst er getuigenis van aflegt dat hij een bijzonder karakter draagt, welke hem onderscheidt van welke andere samenkomst dan ook.
Waaruit ons dat duidelijk wordt ? Betreden we daartoe in gedachten op een rustigen Zondagmorgen of - avond, één der bedehuizen. Nadat straks 't eerste psalmgezang heeft weerklonken en het orgel zwijgt, is daar dat plechtige oogenblik, waarin de dienaar des Woords het votum uitspreekt. Om daarna, de handen zegenend over de gemeente uitgespreid, te vervolgen : „Genade, barmhartigheid en vrede, zij u van God den Vader, en van Jezus Christus den Heere, door den Heiligen Geest. Amen". En aan het einde van den dienst gekomen, wanneer de schare gereed staat huiswaarts te keeren, wordt nogmaals de zegen uitgesproken. Let wel, dat zijn geen wenschen, die uitgesproken worden ! Want wanneer het alleen wenschen waren, dan had het geen zin dat de prediker de handen zegenend opheft. Doch het is de zegen des Heer en, die hij uit Naam van zijn Zender op de gemeente legt.
Wanneer we teruggaan naar het Oude Verbond, dan lezen we daar dat de hoogepriester inging in het Heilige der heiligen om voor de zonden des volks verzoening te doen. Nadat hij die offerande gebracht had, kwam hij naar buiten, waar het verzamelde volk stond te wachten. En op grond van die gebrachte offerande legde hij dan den zegen op het volk van Israël.
Een zegen kan dus alleen uitgesproken worden, wanneer men het volk, dat men zegent, aanziet als deel hebbend aan het gebrachte offer.
Welnu, als we deze gedachte vasthouden, wordt het ons duidelijk dat het onmogelijk zou zijn dat men den zegen uitspreekt, wanneer men niet aanneemt dat in het kerkgebouw samengekomen is de gemeente des Heeren, welke gemeente geheiligd is door het bloed van Christus.
Dit moge voor sommigen misschien eenigszins vreemd klinken, maar toch is het Schriftuurlijk.
Van tweeën één :
óf men beschouwt een kerkdienst als samenkomst van de gemeente des Heeren en dan is het uitspreken van den zegen op zijn plaats.
of men beschouwt het niet als een samenkomst van de gemeente des Heeren, maar dan behoort ook onherroepelijk het uitspreken van den zegen achterwege te blijven.
Op de vraag : „moet de prediking uitsluitend tot de bekeerden gericht worden of ook tot de onbekeerden ? ", moet dus allereerst geantwoord worden : de prediking moet gericht worden tot de gemeente des Heeren. Want het is de gemeente des Heeren die samengekomen is.
Maar dan dient daar eveneens aan toegevoegd te worden dat onder die gemeente des Heeren zich ook onbekeerden bevinden. Want het is niet alles Israëli, wat Israël genaamd wordt. En daarom moet op bedoelde vraag ook geantwoord worden, dat de prediking zoowel tolt bekeerden als onbekeerden moet worden gebracht.
We mogen nooit verwachten dat de zichtbare Kerk gelijk zal zijn aan de onzichtbare. En nu leert Gods Woord dat, ofschoon de zichtbare Kerk altijd koren en kaf bevat, de Heere haar toch in haar geheel als Zijn gemeente wil beschouwen. Eerst op den dorschvloer zal het kaf van het koren worden gescheiden. Zoo werd ook het net met visschen pas uitgezocht op het strand.
Het is helaas waar, dat er veel huichelaars in de gemeente des Heeren zijn (God geve, dat niemand onzer tot die huichelaars behoort of blijft behooren, die alleen een uiterlijken schijn hebben en slechts christen zijn in naam. Doch, en wat nu volgt is een uitspraak van Calvijn : „Hen, die wij de gemeenschap met de vromen in het geheel niet waardig keuren, moeten wij toch als broeders behandelen en als geloovigen beschouwen, wegens de gemeenschappelijke eenstemmigheid der Kerk, waardoor zij gedragen en geduld worden in het lichaam van Christus. Al aanvaarden wij hen dus met ons oordeel niet als leden der Kerk, toch laten wij hun die plaats, die zij onder Gods volk innemen, totdat die hun naar wet en recht ontnomen wordt".
Tot zoover Calvijn.
Laat ik echter nog iets van Calvijn aanhalen :
„Onder de Corinthiërs" — zoo zegt hij — „hadden niet weinigen gedwaald, maar bijna het geheele lichaam was door besmetting aangetast. Er was niet slechts één soort van zonde, maar zéér vele. En het waren geen lichte dwalingen, maar er waren gruwelijke schanddaden. Er was niet alleen bederf van zeden, maar ook van de leer. Wat doet nu de heilige Apostel ? Zoekt hij een scheiding van hen ? Verstoot hij hen uit het Rijk van Christus ? Treft hij hen met den laatsten bliksem der vervloeking ? Hij doet niet alleen niets van deze dingen, maar hij erkent en predikt, dat ze is een Kerk van Christus en een gemeenschap der heiligen. Indien onder de Corinthiërs de Kerk blijft, waar twisten, secten en na-ijver woeden ; waar geschillen en kijverijen zijn, gepaard met hebzucht ; waar openlijk een schanddaad goedgekeurd wordt, die zelfs in de oogen der heidenen verfoeilijk zou zijn ; waar onbeschaamd de naam van Paulus wordt beschimpt, dien ze als een vader hadden behooren te vereeren ; waar sommigen de opstanding der dooden bespotten, met welker omverwerping het Evangelie instort ; waar Gods gaven de eergierigheid en niet de liefde dienen ; waar zeer veel onbetamelijk en onordelijk gedaan wordt ; en wanneer de Kerk dan daarom blijft, omdat de dienst des Woords en der Sacramenten daar niet versmaad wordt ; wie zou dan de naam van Kerk durven ontnemen aan hen, aan wie niet het tiende deel van de misdaden kan worden ten laste gelegd ? Zij, die met zoo groote gemelijkheid woeden tegen de tegenwoordige Kerk ; wat, — vraagt Calvijn — zouden die den Galaten gedaan hebben, die bijna het Evangelie verlaten hebben, maar bij wie tóch dezelfde Apostel de Kerk erkende".
Daarom oordeelt Calvijn, dat degenen die zich afscheiden, meestal geen andere reden hebben dan opdat ze, met verachting van allen, mogen toonen dat ze beter zijn dan anderen.
En hij stemt in met het woord van Augustinus : „Juist datgene wat aanleiding moest geven om te trachten de fouten der broederen te verbeteren, met behoud van de oprechtheid der liefde en met bewaring van de eenheid des vredes, dat gebruiken zij tot een heiligschennende scheuring en tot gelegenheid om af te snijden. Augustinus geeft den raad dat we met ontferming bestraffen wat we kunnen en wat we niet kunnen, geduldig dragen en met liefde er over zuchten en treuren, totdat God het verbetert of straft, of bij den oogst het onkruid uitroeit en het kaf uitwant.
Deze klanken, welke we van Calvijn en Augustinus hooren, ze hebben ook in onzen tijd nog wel iets te zeggen. Voor velen, die zich afgescheiden hebben, zullen deze woorden niet bepaald aangenaam klinken. Of zouden zij in inzicht en getrouwheid de Apostelen, Kerkvaders en Reformatoren misschien overtreffen ? 't Is te betwijfelen.
Laat ons ook niet denken dat het geestelijke leven in de gemeenten, welke Calvijn diende, altijd op even hoog peil stond. Hij zelf heeft wel eens een schatting gegeven van het percentage oprecht geloovigen in zijn kerkelijke gemeente. Én dan waren er tijden dat hij meende dit op 20% te moeten schatten, maar het gebeurde ook dat hij oordeelde dat er maar 1 op de 100 was. De rest was niet anders dan hypokrieten, naam-christenen. Eens heeft Calvijn zelfs in een oogenblik van moedeloosheid gezegd : „Als ik zie dat er zoo weinig vrucht is van de vermaningen, waarmee ik, dag aan dag kom, dan zou ik maar liever stil zijn en zwijgen ; indien het op mijn persoonlijke begeerte aankwam, ik zou wenschen dat God mij van deze wereld had weggenomen, dat ik geen 3 dagen meer behoefde te leven in een dergelijke misère als hier is".
Hij klaagt b.v. ook over slecht kerkbezoek en over slapen in de kerk. Terwijl hij er zag wandelen, die in de kerk moesten zijn.
Maar, zooals gezegd, deze ontboezeming slaakte Calvijn in een tijd van moedeloosheid, want overigens heeft hij met de volle liefde van zijn hart en met vurige ijver de zaak des Heeren gediend. Zoodat tot op den dag van heden eijn invloed in de gemeente des Heeren merkbaar is.
Als er één Dienaar des Woords geweest is, die een afkeer had van oppervlakkigheid, dan zeker Calvijn. Als één er van overtuigd was dat niet alles Israël is, wat Israël genaamd wordt, dan was hij het. Doch niettemin beschouwt hij de samengekomen schare in hel Huis des Gebeds als de gemeente des Heeren. Dit blijkt duidelijk uit zijn preeken.
We hebben nu dus gezien dat b.v. de apostelen de gemeenten, ondanks het vele verkeerde wat er in gevonden werd, toch als Kerk bleven erkennen en als gemeente van Christus bleven beschouwen.
Hetzelfde vonden we bij Calvijn, terwijl wc ook zagen dat door het uitspreken van den zegen iedere kerkdienst als een samenkomst van de gemeente des Heeren beschouwd wordt. Dat er helaas niet altijd uit deze gedachte geleefd wordt, bewijst wel de bewering van dien bewusten persoon, die oordeelde dat de prediking alleen tot de bekeerden gericht moest worden. Blijkbaar was hem zoowel een opwekking tot bekeering en geloof, als de aanbieding des Evangelies een dwaasheid. Maar ook hiervan zal gelden, dat door de dwaasheid dezer prediking, zalig zullen worden die gelooven.
Misschien zal iemand de opmerking maken : dat is alles goed en wel, maar tenslotte zal het toch blijken dat de meesten niet tot de uitverkoren Kerk behooren. En daar komt het toch op aan. Door nu de kerkdienst te beschouwen als een samenkomst van de gemeente des Heeren, haalt men de oppervlakkigheid de Kerk binnen.
Zulk een opmerking is eenigszins te voorzien. Maar, laten we toch voorzichtig zijn, dat we ook in dit opzicht niet buiten den Schriftuurlijken weg gaan.
Wat leert ons dan de Heilige Schrift ? Dit, dat God is een God des Verbonds. Denk het u even in. Die schare in Gods Huis bestaat uit menschen die, uitzonderingen daargelaten, eens in hun prilste jeugd gedoopt zijn. Daar bij het doopvont stond de Dienaar des Woords, die op last van zijn Zender, een ieder afzonderlijk bij zijn of haar naam genoemd heeft. God kwam dus aan een ieder persoonlijk Zijn Verbond te verzegelen. En daarin kwam GodDrieëenig Zich aan te bieden als een gewillig God om ons uit genade volkomen zalig te maken.
Daarom zegt ons Doopsformulier zoo schoon : „Want als wij gedoopt worden in den naam des Vaders, zoo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt en daarom van alle goed verzorgen en alle kwaad van ons weren of ten onzen beste keeren wil. En als wij in den naam des Zoons gedoopt worden, zoo verzegelt ons de Zoon, dat Hij ons wascht in Zijn bloed van al onze zonden, ons in de gemeenschap Zijns doods en Zijner wederopstanding inlijvende, alzoo, dat WIJ van onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend worden. Desgelijks als wij gedoopt worden in den naam des Heiligen Geestes, zoo verzekert ons de H. Geest door dit heilig Sacrament dat Hij in ons wonen en ons tot lidmaten van Christus heiligen wil, ons toeëigenende hetgeen wij in Christus hebben, n.l. de afwassching onzer zonden en de dagelijksche vernieuwing onzes levens, totdat wij eindelijk onder de gemeente der uitverkorenen in het eeuwige leven onbevlekt zullen gesteld worden".
De H. Doop verzegelt dus als het ware, dat God ons op grond van Zijn Verbond aanneemt als kinderen des Koninkrijks. En de Kerk belijdt in haar Doopsformulier, dat reeds de jonge kinderen lidmaten van Gods gemeente zijn en als zoodanig behooren gedoopt te worden.
Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, opdat het altoos Hem zou vreezen ; Zijn wil betrachten en voortaan Volstandig op Zijn wegen gaan.
Welnu, de schare, die zich in Gods Huis bevindt, is een gedoopte schare en daarom als gemeente des Heeren te beschouwen. Spreekt niet de Heere over de kinderen van het ontrouwe volk Israels toch nog als van Zijn kinderen ? „Is het wat kleins, zegt God, dat gij Mijn kinderen geslacht hebt en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan ? "
Moet de prediking alleen tot de bekeerden gericht worden of tot iedereen ?
Volgens hem, die indertijd die opmerking maakte, zou deze alleen tot de bekeerden gericht moeten worden. Hij had blijkbaar de Verbondsgedachte geheel laten vervallen en vond het beter hiermede heelemaal geen rekening te houden.
Ook had hij al heel weinig verwachting van de kracht van Gods Woord ten opzichte van onbekeerde menschen.
Zegt Gods Woord zelf niet, dat het geloof uit het gehoor is ? Maar volgens dien persoon zou dus een gedeelte van de gemeente eigenlijk evengoed thuis kunnen blijven. Als immers de prediking toch niet tot dat gedeelte gericht zou worden, waarvoor moeten ze dan naar de kerk ? Hoe geheel anders onderwijst ons echter de Heilige Schrift. Daarin wordt de gemeente opgewekt de onderlinge bijeenkomsten niet na te laten. En Calvijn zegt ergens zoo treffend : „Als de klok luidt, wordt ieder verwacht in de school van God". Terwijl hij er aan toevoegt, dat het discipelen van den duivel zijn, die 'de samenkomsten verruimen.
Nooit moeten wij het verwachten van den Dienaar des Woords zelf. Want de kracht van het Woord komt niet voort uit den mensch, die het brengt, maar enkel van den Heiligen Geest. Er is tweeërlei dienaar des Woords, een uiterlijke en een inwendige. De uiterlijke dienaar is een prediker die het Woord Gods brengt, de inwendige is Christus, Die door den Heiligen Geest de prediking toepast.
Verkeerd is het echter te meenen, dat het inwendige Woord alléén kracht doet. Dat is geestdrijverij. Daarbij wordt Gods Woord voor dood verklaard en van alle kracht beroofd. In werkelijkheid is Gods Woord, ook dat door de prediking tot ons komt, als een tweesnijdend scherp zwaard. En het werk van Gods Geest is dan ook nooit los van het Woord. Daarom zegt ook de apostel, dat de prediking altijd uitwerking heeft, want het gebrachte Woord Gods zal óf een reuke des doods ten doode zijn, óf een reuke des levens ten leven.
De prediking moet gericht zijn tot bekeerden len onbekeerden. En wanneer bij de prediking uitgegaan wordt van de Schriftuurlijke gedachte dat deze geschiedt tot de gemeente des Heeren en dee gemeente bezien wondt in het licht van Gods Verbond, wat kan zulk een prediking dan tegelijk striemend scherp, maar ook rijk bemoedigend zijn.
Allereerst zal dan het doel zijn : Gods Naam en Gods werk groot te maken. Dan zal er zeer zeker ook niet met looze kalk gepleisterd worden. Integendeel, harde waarheden zullen niet achterwege blijven.
Een dier harde waarheden is deze, dat wanneer men het zegel des Verbonds draagt, waarbij God alles, maar dan ook alles kwam aan te bieden, het vreeselijk zal zijn op zulk een zaligheid geen acht te hebben geslagen. „Als iemand de Wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid, onder twee of drie getuigen. Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon van God vertreden heeft en het Moed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan ? "
Het is niet gering, gedoopt te zijn ! Want dan is er maar tweeërlei mogelijkheid :
óf door Gods genade, waarbij alle eigen roem is uitgesloten, het eeuwige leven te beerven,
Of als een Verbondsbreker de eeuwige Verbondswraak te moeten dragen ; als kind des Koninkrijks buiten geworpen te worden, omdat men niet kan ingaan vanwege zijn ongeloof. Omdat men niet heeft willen gelooven aan de waarachtigheid van Gods beloften, evenmin als aan de waarachtigheid van Gods bedreigingen.
Kan God niet met recht vragen : Is er iets aan Mijn wijngaard te doen, dat Ik niet gedaan heb ? "
Telkens weerklonk het :
Opent uwen mond, Eischt van Mij vrijmoedig, Op Mijn trouwverbond : Al wat u ontbreekt, Schenk Ik, zoo gij 't smeekt, Mild en overvloedig.
Doch steeds weer moest God klagen :
Manr Mijn volk wou niet Naar Mijn stemme hooren.
Waarlijk, een zuivere Verbondsprediking is geen prediking die tot oppervlakkigheid voert, doch ze ontdekt aan de breuke èn gepaard met de werking van Gods Geest leidt zie tot den uitroep van den tollenaar : „O, God, wees mij zondaar genadig",
Maar wanneer het hiertoe komt, dan heeft diezelfde prediking ook een blijde Boodschap, juist voor degenen, die helt zegel des Doops dragen.
Zie het maar op den Pinksterdag. De verslagenen van hart vroegen : „Wat zullen wij doen, mannen broeders ? " En de apostelen antwoordden : „Bekeert u" en lieten daarop volgen : „Want u komt de belofte toe en uwen kinderen". Hier werd hun dus het Verbond als een pleitgrond aangewezen.
En reeds in het Oude Testament zegt God: „Tot wien van den zade Jacobs heb Ik ooit gezegd, zoek Mij tevergeefs". Het is niet willekeurig, dat God zegt „den zade Jacobs". Ook hier weer een verwijzing naar Zijn Verbond, om daarop als zondaar te pleiten.
Een zuivere Verbondsprediking, we zeiden het reeds, is ontdekkend. Vandaar dat er plaats is voor zelfbeproeving, tot opwekking om zichzelf te onderzoeken of men in het geloof is. Dan zullen er vruchten 'moeten zijn. En een der kenmerken van een oprecht geloof beschrijft de H. Schrift ons aldus : „Als gij tot het geloof gekomen zijt, zoo zijt gij verzegeld geworden met den Heiligen Geest". Dan zal dus Gods Geest getuigd hebben met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Uit de vruchten wordt de geloovige verzekerd van zijn uitverkiezing, want daarvan zijn het uitvloeisel is. Zoo ziet hij dan het genadeverband in het licht van de nooit begonnen eeuwigheid. Dan wordt iedere Doopsplechtigheid een terugwijzing naar zijn eigen Doop en ziende op den God des Verbonds, kan het in het hart van den oprecht geloovige wel eens zingen :
Want deze God, is onze God, Hij is ons deel, ons zalig lot, Door tijd noch eeuwigheid te scheiden. Ter dood toe zal Hij ons geleiden.
Maar dan krijgt ook het tweede deel van het Verbond kiem en kracht, n.l. de vermaning en verplichting tot een nieuwe gehoorzaamheid, om in een nieuw godzalig leven te wandelen en aan Gods dienst oprecht verbonden te blijven.
Natuurlijk wil een zuivere Verbondsbeschouwing niet zeggen, dat er als het ware in iedere preék over het Verbond gesproken moet worden. Maar wèl, dat de prediking met den geest daarvan doortrokken moet wezen. Dan heeft de prediking tot heel de Gemeente iets te zeggen, zoowel tot bekeerden als onbekeerden.
In deze lijdensweken volgt de gemeente als van stap tot stap den Man van Smarten op Zijn lijdensweg. Het was reeds van Hem geprofeteerd : Als wij Hem aanzagen, zoo was er geen gedaante of heerlijkheid dat wij Hem zouden begeerd hebben. Dat geldt óók van de prediking over Christus en Dien gekruist. Wie heeft onze prediking geloofd ? — zoo vraagt Jesaja. Een niet-begeerde Christus. En een verachte prediking. Daarvan getuigt het begin van Jesaja 53. Maar dat hoofdstuk laat ons vervolgens toch ook nog een andere klank hooren. Als Zijn ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zoo zal Hij zaad zien. En het welbebagen des Heeren zal door Zijne hand gelukkiglijk voortgaan. Daarom kan, als vrucht van Christus' Borgtocht, op de vraag: „wie heeft onze prediking geloofd ? ", toch ook weer geantwoord worden : een schare, die niemand tellen kan. De jongste Dag zal dat openbaren.
Een verachte prediking, werd voor deze schare een gezochte prediking. Zoodat ze leerden instemmen met den psalmist:
„Hoé lieflijk, hoe vol heilgenot, O Heer' der legerscharen God, Zijn mij Uw Huis en tempelzangen.
En de niet-begeerde Chrisius werd hun boven alles dierbaar.
Waarom deed hun de prediking nut en waarom bleef Christus voor hen niet langer de onbegeerde ? Omdat de prediking met het geloof gemengd was en — zegt Gods Woord: U dan die gelooft, is Hij dierbaar.
Gaan we dan nog één stap verder en vragen we : waarom was de prediking voor hen met het geloof gemengd ? Dan is er maar één antwoord, n.l. dit : Er gelooven zoovelen, als er ten eeuwigen leven verordineerd zijn. Tenslotte komen we altijd bij de uitverkiezing terecht , en bevestigt God Zijn Waarheid : uw vrucht wordt uit Mij gevonden.
Dit mag echter nooit tot valsche lijdelijkheid aanleiding geven. Want God is een God Die middelen gebruikt en daaraan Zijn zegen wenscht te verbinden. Het is Waar zonder uitverkiezing werd er niemand zalig. Maar laten we toch nimmer denken dat de uitverkiezing een ,,sta-in-den-weg" zou zijn voor onze zaligheid. Well behoort de uitverkiezing tot de geopenbaarde dingen, maar wie er uitverkoren zijn, behoort tot de verborgen dingen, al kan het achteraf uit de vruchten wonden afgeleid. Doch overigens zijnde verborgen dingen ivoor den Heere onzen God en voor ons de geopenbaarde.
En dan heeft God. o.a. dit geopenbaard, dat er in Christus Jezus zelfs voor den grootsten der zondaren nog behoudenis is. Koning David roept het immers een ieder toe : Schept moed uit mijn behoudenis.
Eens ging een Esther tot den Koning met den uitroep : „Wanneer ik dan omkome, zoo kome ik om, ik zal toch tot den Koning gaan". In geestelijken zin zou er evengoed gezegd kunnen worden : „Of ik uitverkoren ben., weet ik, niet, maar ik zal nochtans tot den troon der genade gaan". Wie zoo in oprechtheid en overtuigd van zijn zonde en schuld, tot den troon gaat, dien zal op Gods tijd den scepter Zijner genade worden toegereikt. Want het is maar niet een gelukkige samenloop van omstandigheden, doch een gevolg van de diepte des rijkdoms, beide die der wijsheid en der kennis Gods, dat Gods onnaspeurlijke wegen zóó loopen, dat diegenen die als een Esther tot den troon gaan, juist zullen blijken te behooren tot het getal der uitverkorenen. En dat hun zoeken een gevolg wat van het reeds door God gevonden zijn. Een van Gods onnaspeurlijke wegen is de weg der prediking. En wanneer er één weg is, waarlangs Christus komt, dan toch zeker wel langs den weg van 't gepredikte Woord. Want waar hét Woord des Konings is, daar is heerschappij. De heerschappij des Geestes. De weg der predikinig is de koninklijke weg waarlangs en waardoor het komt tot een ritséling van dorre doodsbeenderen. Een prediking tot onbekeerden, tot dorre doodsbeenderen, het schijnt een dwaasheid. Maar van 's Heeren wege klinkt het : Zegt tot hen : „Gij dorre beenderen ! hoort des Heeren Woord".
Zoo gij Zijn stem dan heden hoort, Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord ; Verhardt u niet, maar laat u leiden.
Ziende op de heerschappij van het Woord des Konings, mag telkens in Gods gemeente de bede wel opstijgen :
Verhoog, o Heer', uw naam en kracht. Zoo zal ons vroolijk zingen Door lucht en wolken dringen. Zoo wordt Uw heerschappij: en macht Door ons, nog eeuwen lang, Geloofd met psalmgezang.
Eeuwen lang. Ja, tot in eeuwigheid. Want de ritseling der dorre beenderen in de vallei, zal uitloopen in het loflied der geheiligde zangers aan de glazen zee. Omdat er is geweest een zingende Borg, het Vleeschgeworden Woord, waarvan de prediking ons spreekt.
Daarom, zalig zijn degenen, die het Woord Gods hooren en hetzelve bewaren !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's