De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE HISTORIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE HISTORIE

6 minuten leestijd

Paulas in de Galaten teleurgesteld ; het ware Evangelie is één, en dat mag slechts worden verkondigd ; hoofdstuk 1 vers 6—9. (HIJ Daar er geen ander is (of : hetwelk geen ander is) ; maar er zijn sommigen, die u ontroeren. Vers 7.

Luthers verklaring van Paulus' brief aan de Galaten.
Wederom verontschuldigt Pauius de Galaten en berispt hij ten scherpste de valsche apostelen, als wilde hij zeggen : Men heeft u, o Galaten, overreed, om te gelooven, dat het Evangelie, hetwelk gij van mij ontvangen hebt, niet het ware en echte is. Daarom meent gijlieden, er wèl aan te doen, om het nieuwe, dat de valsche apostelen u verkondigen, aan te nemen, omdat het beter zou zijn dan het mijne. Deze fout reken ik niet zoozeer ulieden, dan wel de beroerders aan, die uw gemoederen in verwarring brengen en u van mij hebben afgetrokken.
Hier ziet gij wederom, hoe de apostel brandt en ijvert tegen de verleiders, en met welke harde woorden hij hen de les leest, door 'hen verstoorders der gemeenten en der gemoederen te noemen, die er alleen maar op uit zijn, om tallooze menschen te verleiden en verwarringen en vreeselijke schade aan te richten in de gemeenten. Deze groote ellende moeten wij ook heden ten dage onder diepe droefheid der ziel aanschouwen ; en ook wij kunnen hier geen verbetering in brengen, evenmin als zulks Paulus mogelijk was.
Deze plaats bewijst, dat de valsche apostelen Paulus ongetwijfeld een onvolkomen apostel hebben genoemd, benevens een zwakke en dwalende prediker. Daarom noemt hij hen op zijn beurt beroerders der gemeenten en verdraaiers van bet Evangelie van Christus. Zoo hebben zij elkander over en weer veroordeeld. Een dergelijike strijd en veroordeeling ontstaat echter altijd in de Kerk, wanneer de leer des Evangelies in vollen bloei staat, namelijk, wanneer Goddelooze leeraars oprechte lieden vervolgen, veroordeelen en onderdrukken, terwijl ook omgekeerd de Goddelooze leeraars veroordeeld worden door oprechte lieden.
Let er met aandacht op, dat ieder, die de gerechtigheid uit de werken of uit de Wet leert, de gemeenten en gemoederen verwart. Want wie zou ooit geloofd hebben, dat de paus, kardinalen, bisschoppen, monniken en de heele synagoge des Satans, vooral de uitvinders der diverse orden, (onder wie God er eenigen door een wonder zalig heeft kunnen maken), de gemoederen in verwarring zouden brengen ? Zij zijn zelfs nog erger dan de valsche apostelen. Deze toch leerden, dat buiten het geloof in Christus nog de volbrenging van de Goddelijke Wet noodzakelijk was voor de zaligheid. De paus, kardinalen, enz. hebben echter, met terzijdestelling van bet geloof, aangedrongen op menschelijke inzettingen en werken, die God niet geboden heeft, maar door hen zelf buiten Gods Woord om en in strijd daarmede zijn uitgedacht. En deze inzettingen hebben zij niet alleen met Gods Woord gelijk gesteld, maar zij hébben ze ver daarboven verheven. Maar hoe grooter schijn van 'heiligheid de ketters aannemen, des te meer schade ze berokkenen. Want wanneer de valsche apostelen niet waren opgetreden met bizondere gaven, groot aanzien en een schijn van heiligheid, en wanneer zij zich niet voor dienaren van Christus, discipelen der apostelen en rechtschapen verkondigers van het Evangelie uitgegeven hadden, — zij zouden nimmer het gezag van Paulus zoo gemakkelijk hebben kunnen ondermijnen ; en ook waren de Galaten dan niet zoo licht verleid.
Paulus vaart daarom zoo heftig tegen de valsche apostelen uit, en hij noemt hen daarom lieden, die verwarring in de gemeenten veroorzaken, omdat zij leerden, dat naast het geloof in Christus de besnijdenis en de betrachting der Wet noodzakelijk waren voor 's menschen zaligheid. Zeer heftig en met groote hardnekkigheid drongen de valsche apostelen aan op het houden van de Wet. Terstond voegden hardnekkige Joden zich bij hen, die pertinent wilden, dat de Wet in acht genomen werd, welke lieden later met weinig moeite wankelenden in het geloof er van overtuigden, dat Paulus geen rechtschapen leeraar was, omdat hij de Wet veronachtzaamde. Het kwam hun namelijk onwaardig voor, dat de Wet Gods geheel afgeschaft werd, en dat de Joden, die tot nog toe Gods volk geweest waren, en tot wie de beloften waren geschied, verworpen moesten worden. Nóg onwaardiger scheen het hun, dat de heidenen, Goddelooze afgodendienaars als zij zijn, zonder besnijdenis en zonder de werken der Wet, alleen door de genade en het geloof in Christus tot deze heerlijkheid en waardigheid konden komen, en dat zij Gods volk zouden uitmaken.

En het Evangelie van Christus willen verkeeren.
Deze woorden willen zeggen : de valsche apostelen pogen niet alleen u in verwarring te brengen, maar ook trachten zij het Evangelie van Christus totaal te vernietigen en te smoren. Want op deze beide zaken is de Satan uit. In de eerste plaats is hij er niet mee tevreden, dat hij door middel van zijn valsche apostelen velen verontrust en verleidt, maar ook streeft hij er naar, om door hen het Evangelie ganschelijk te verkeeren en weg te nemen, en hij rust niet, voordat hij zulks bereikt heeft. Toch kunnen dergelijke verstoorders van het Evangelie niet hooren, dat zij apostelen van den duivel zijn. Nog meer dan anderen geven zij hoog op van Christus' Naam, en zij beroemen er zich op, dat zij de zuiverste predikers van het Evangelie zijn. Maar omdat zij de Wet met het Evangelie vermengen, moeten zij noodwendig „verkeerders" van het Evangelie zijn. Want Christus moet blijven, en de Wet afgeschaft worden, of omgekeerd. Christus en de Wet kunnen namelijk in geen enkel opzicht 'met elkaar in overeenstemming gebracht worden, en heerschappij voeren over de consciëntie. Waar de gerechtigheid, die uit de Wet is, de overhand heeft, daar kan die der genade niet heerschen. En omgekeerd : waar de gerechtigheid der genade heerscht, daar kan die, welke uit de Wet is, niet de overhand hebben. De eene moet voor de andere wijken. Kunt ge echter niet gelooven, dat God om Christus' wil, dien Hij daartoe in de wereld gezonden heeft, opdat Hij onze hoogepriester zou zijn, de zonden wil vergeven, — hoe kunt ge dan, zoo vraag ik u, gelooven, dat Hij de zonden wil vergeven op grond van de werken der Wet, die gij nooit volbracht hebt ? De leer der genade kan dan ook op geenerlei wijze tezamen met die der Wet bestaan. De laatste moet dan ook eenvoudig geloochend en verworpen, de eerste staande gehouden worden. Het schijnt een zaak van weinig belang te zijn, dat het Evangelie met de Wet, en het geloof met de werken vermengd worden, maar een en ander doet meer schade, dan het menschelijk verstand begrijpen kan, omdat niet alleen de kennis der genade er door verduisterd wordt, maar ook, omdat Christus met al Zijn weldaden en het gansche Evangelie er door wordt weggenomen, gelijk Paulus hier zegt.
Uit deze woorden van Paulus blijkt, dat de valsche apostelen zeer vermetel en schaamteloos geweest zijn ; lieden, die zich met groote heftigheid geplaatst hebben tegenover den apostel. Daarom treedt hij in volle overtuiging en met volkomen verzekerdheid des geloofs tegen hen op.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

UIT DE HISTORIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's