MEDITATIE
Maar Petrus zeide: Mensch ik weet niet wat gij zegt. En terstond als hij nog sprak kraaide de haan; en de Heere zich omkeerende zag Petrus aan en Petrus werd indachtig het Woord des Heeren hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zahgekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen. En Petrus naar buiten gaande, weende bitterlijk. Lukas 22 vers 60—62.
LOOCHENING!
De geschiedenis van onzen tekst waarin Christus door Petrus verloochend wordt is een van de meest droeve episodes uit de lijdenshistorie van den Verlosser. Ook is het ongetwijfeld één van de meest bittere druppels die gemengd werden in den lijdenskelk van den Borg en den Zaligmaker.
Het zou te ver voeren deze geschiedenis in al zijn finesses u voor oogen te stellen.
Genoeg is het te weten, dat Petrus, in den nacht van het verraad, als éénige van de discipelen Christus gevolgd is op diens weg naar den Hoogepriester, en dat hij daar op de voorhof van het Hoogepriesterlijke huis herkend door het personeel van den Hoogepriester, terwijl Christus zich te verantwoorden heeft voor Kajafas, tot driemaal toe, ja de laatste maal zelfs met vloeken en eeden den Christus verloochend heeft.
Als wij deze geschiedenis zoo lezen en wij hooren als 't ware de zware eeden die opstijgen uit het binnenste van Petrus waarmede hij zichzelven vervloekt en bezweert dat hij den Christus niet kent:
„Mensch, ik weet niet wat gij zegt", dan vragen we ons vol verbazing af : Hoe is dat nu mogelijk ?
Is dat nu Simon Petrus ? Die vloekende en zwerende Petrus, is dat nu de man van de Petrusbelijdenis ? Is dat nu de man in wiens hart het eerst de klare belijdenis werd geboren : Waarlijk gij zijt de zoon van den levenden God ? Is dat nu de man van wiens belijdenis Christus het getuigde : „Op deze Petra zal Ik Mijne Gemeente bouwen ?
Is dat nu dezelfde man die in de voornacht met de meest vurige woorden het betuigde dat hij tot in der eeuwigheid niet aan Christus zou worden geërgerd ? En dan moet het antwoord zijn : Ja, deze vloekende en zwerende, deze loochenende Petrus is dezelfde ais de belijdende Simon van Caesarea Philippi.
Ge zegt: „Hoe is het mogelijk ? "
Toch verwonder u niet al te zeer. Denk u de situatie in. Petrus heeft zich door Christus te volgen tot te midden zijner doodsvijanden aan een groote verzoeking blootgesteld. Christus toch te belijden m eigen kring dat gaat wel. Maar Christus te belijden voor zijn doodsvijanden dat is heel wat moeilijker. Vooral als eigen leven daarbij op het spel staat. Hoe groot is dan de verleiding om het niet zoo nauw te nemen en Christus maar prijs te geven en voor Zijn vijanden te verloochenen. Nu is deze verzoeking Petrus te sterk geworden en hij is gevallen van zijn petra, zijn belijdenis voor Christus' vijanden verloochenend.
Nu verstaan we het beter en zien we in de gestalte van den loochenenden Petrus een bekende figuur. Wat een valsche schaamte voor de levende beginselen van Christus wordt er toch ook nu nog dagelijks gevonden onder de belijders van den Zaligmaker! Wat is er vaak een vreeze zelfs bij de kinderen Gods om voor de wereld en tegenover het ongeloof uit te komen voor den eenigen naam tot zaligheid gegeven ! Als het gaat om zijn dagelijksch brood, als het gaat om zijn voorspoed in zaken, wat is er dan vaak een schipperen met zijn belijdenis temidden der vijanden Gods en van Christus! Wat schaamt men zich vaak wanneer men in een kring van andersdenkenden verkeert voor z'n gebed en de opheffing zijner handen uit vrees dat men u misschien belachelijk ouderwets zult vinden! Wat hooren we van Gods kinderen temidden van het ongeloof vaak wéinig het klare getuigenis : Ik ben van Christus. Wat zou ik vreezen of voor wien zoude ik vervaard zijn!
De gestalte van den loochenenden Petrus, ge ziet het, we ontmoeten haar nog dagelijks. Werp dan niet al te gauw een steen naar Petrus. Dat doen we zoo makkelijk.
Als gij toch door Gods genade bij het stralend licht van Zijn ontdekken den Geest een blik moogt slaan in eigen hart en eigen leven dan zult gij ook daar de gestalte van den loochenenden Petrus vinden. Dan zegt ge niet meer : Hoe is het mogelijk ? Maar dan knielt ge neer in weedom der ziel en dan moet gij het uitroepen:
„Heere, wie ben ik. Ik ben niet beter dan Petrus. Neen, mijn vleesch begeert tegen den Geest. Wat een loochening van den Eenigen Naam ook in mijn hart."
Wel mag Gods kind bij dat Licht over de loochening van Petrus bidden: „Heere, maak Gij mij getrouw".
Vestigen wij echter thans bij de loochening van den Christus door Petrus, een oogenblik onze aandacht op Christus.
Ten slotte moet in onze meditatie niet de loochenende Petrus, maar Christus als de lijdende Borg in het middelpunt staan.
Het zal ten slotte alleen om Christus mogen gaan, bij wien wij ook maar alleen terecht kunnen met al de nooden des levens, ook met de zonde der loochening.
Christus, de Man van Smarten, moet ook in deze episode uit de lijdenshistorie centraal zijn. En dan wordt ons die Man van Smarten geteekend in het negatieve van onzen tekst, die veel van Petrus, maar weinig van Christus ons zegt.
Ontzettend zijn de vloeken van Petrus, als we zien, als ze ons ontdekken wat er leeft in eigen hart. Wat moeten echter deze zware eeden, die uit Petrus' mond over den voorhof springen, niet een oneindig lijden veroorzaakt hebben in de Middelaarsziel van Christus. Wat moeten die knetterende vloeken niet 'n brand van oneindige smart ontstoken hebben in zijn Verlossers-hart. Die verloochening van Petrus toch moet Christus verder dringen in volstrekter vereenzaming. Eerst dooi: de discipelen alleen gelaten, wordt Hij hier ook verstooten door den eenige, die Hem volgde. , In de eenzaamheid moet Hij de pers treden, dat wordt hier opnieuw openbaar. Wel is het Christus bekend, dat Petrus Hem zal verloochenen. Hij weet wat in den mensch is. Hij wist ook, dat de zonde der loochening, thans geboren, reeds lang in het hart van Petrus ontvangen was. Had Hij 't niet zelf gezegd : „Eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen". De ervaring dezer loochening echter is het die het vuur der smarten in Hem ontsteekt. Steeds volstrekter wordt toch hiermede de eenzaamheid, die zich legt om den Middelaar.
Dat de discipelen van Hem wegvluchtten toen Hij gegrepen werd, dat was erg. Maar daarmede kozen deze discipelen niet tegen Hem. Wegvluchtend gaven zij toch als het ware te kennen, dat ook zij met Christus waren. Maar hier : Petrus kiest tegen Hem, Petrus verstoot Hem. En dat is ongetwijfeld voor den lijdenden Borg het ontzettende geweest, dat Hij, het Vrouwenzaad bij uitnemendheid, gekomen om het zaad der vrouw van eeuwigheid gekend tot zaligheid te verlossen, hier door dat zaad wordt verworpen. Hier wordt Abel niet alleen door Kaïn, maar ook door Abel verstooten. Hier wordt Christus niet alleen door het geslacht der verderfenis, maar ook door het geslacht, door God ter behoudenis gegrepen en Hem op de ziel gezet, verstooten. Dat is het vreeselijke in deze geschiedenis. Dan staat Christus hier volstrekt alleen. Niemand, die Hem noodig heeft. Allen hebben zij Hem verlaten. Nergens vindt Hij in deze wereld meer aansluiting. Wel zal er in zijn Middelaarsziel gekreund hebben de zang :
Eenzaam ben Ik en verschoven, Ja, d' ellende drukt Mij neer.
Nu moet dit voor Christus nog erger geweest zijn, als we zien dat Petrus hier Christus ook verloochent in den arbeid van Zijn ambtelijk werk. Christus is hier bezig zijn Hoogepriesterlijke werk te volbrengen in den weg der gehoorzaamheid. Hij is hier bezig zichzelven uit te gieten als 'n plengoffer ter redding van Zijn volk. Hij is hier bezig zichzelven als een losprijs te geven voor de Zijnen. En dan het uit den mond der Zijnen te moeten hooren, bij vloeken en bij eeden : „Ik heb niets te maken met dezen Christus. Ik heb niets uit te staan met Zijn werk. Ik heb niets van noode van dezen Borg". Wat dat geweest is voor Christus, wie zal het beschrijven ? En ook dat verdraagt Hij. Ook die smart duldt Hij. Volstrekt eenzaam, miskend door het Zijne in Zijn werk, wil Hij boeten voor het Zijne. Wil Hij dragen de zonden van al Zijn volk, ook de zonde hunner loochening, om in dien weg te ontvangen de Middelaarskracht om al de Zijnen, al de gegevenen des Vaders, hoe zij ook struikelen en hoe zij ook vallen, te bewaren tot zaligheid. Ook daarin wil Hij den weg der gehoorzaamheid bewandelen. Dat blijkt uit het slot van onzen tekst, dat Hij er geen enkele wil verliezen van degenen die Hem de Vader tot zaligheid geschonken heeft.
Petrus' mond staat nog open van de vloeken, waarmede hij zijn Christus verloochend heeft, en dan kraait er ergens een haan en tegelijkertijd Christus zich omkeerende, ziet Petrus aan : toen werd hij gedachtig aan het Woord des Heeren, die hem gezegd had: eer de haan gekraaid zal hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.
Als we dit zoo lezen, dan worden we hier getroffen door de allesomvattende Voorzienigheid Gods. De Heere weet wat noodig is om Zijn kind te brengen tot het ware inzicht in eigen zondigheid des levens.
Als de Heere het rumoer van het oorlogsgeweld der Assyriërs noodig heeft om een Manasse te brengen tot bekeering, dan zet de Almachtige daartoe de geweldige kolossus van het Assyrische wereldrijk in beweging. En als de Heere het gekraai van een haan noodig heeft om een loochenende Petrus te ontdekken aan de diepten van z; ijn zonden, dan breekt de Heere een hanebek open in de vroegte van den morgen. Maar dan treft ons daarbij ook de kracht van den lijdenden Middelaar, die met den blik Zijner oogen dit hanengekraai voor Petrus zijn juiste beteekenis doet krijgen. Die haan zal misschien reeds eerder hebben gekraaid, zonder dat Petrus' aandacht er op gevestigd werd. Maar nu die ééne sterke blik van Christus, die in het voorbijgaan zich vestigt op Petrus — en wie zal beschrijven wat er al te lezen stond in dezen blik aan liefde, aan medelijden, aan vermaning, aan bestraffing, aan herinnering — die is voldoende om dat hanengekraai voor Petrus om te zetten in de Stemme Gods, die getuigt in zijn ziel, die hem opwekt uit zijn loocheningsroes, waarin hij verzonken ligt, die hem ontdekt aan de diepten van zijn zondig bestaan.
Wat openbaart Christus dan hier in Zijn vereenzaamd lijden nochtans Zijn Midde- Iaarskr3.cht. Al Zijn kinderen heeft de Vader Hem op 't hart gezet en nu zal Hij ze allen bewaren ten eeuwigen leven. Geen enkele zal Hij er vergeten. Zelfs niet in de vereenzaming van Zijn lijden vergeet Hij ze. Daar mogen we wel even de aandacht aan schenken. Als wij lijden, denken wij alleen aan eigen leed; wij zijn zoo graag bezig met onze moeiten en met onze teleurstellingen. Christus niet, in den arbeid van Zijn lijden is Hij bezig met de ziel van Zijn kind.
Dood der zonden dragend, doodvonnis torsend, is Hij levenscheppend en levenwekkend bezig in de ziel van Simon. Dat Hij dat vermag, het is de vrucht van Zijn lijden, van Zijn sterven in gehoorzaamheid aan den Vader.
Welk een kostelijken Middelaar bezit dan in Hem het volk des Heeren. Gods kinderen toch kennen als Petrus de afdwalingen en de afzwervingen van Christus; ook zij kennen in hun leven misschien wel de tijden van loochening. De Middelaar vergeet hen niet, Zijn Middelaarskracht volgt hen op al hunne wegen. Zijn Geest laat hen nimmer los. En nog altijd is er, zij het dan in figuurlijken zin, het doorborend, oog van Christus en het hanegekraai, de Sprake Gods, die Zijn afzwervende kinderen opzoekt en hen brengt op de knieën tot het waarachtig berouw.
Als de wereld Christus verloochent, dan is die loochening altijd onberouwelijk; als het volk van God Christus verloochent, dan zal Christus het altijd vroeg of laat brengen tot het berouw, dat een droefheid naar God werkt. Dat zien we ook bij Petrus : het hanengekraai en het oog van Christus maken Petrus indachtig, wat de Heere hem gezegd heeft: „Eer de haan gekraaid zal hebben zult gij Mij driemaal verloochenen". Daarmede staat zijn zonde, zijn loochening, in al haar afschuwelijkheid voor hem. De diepte van zijn val wordt hem geopenbaard. En dat wekt in zijn hart het berouw.
En hij, naar buiten gaande, weende bitterlijk.
Buiten, in de grauwe nevelen van den vroegen morgen, breken de tranen van weedom uit zijn ziel, daar krampen de schokken van zielesmart door zijn lichaam. Daar zinkt hij met z'n loochening weg in grondelooze modder. Daar beweent hij de smarten, zijn Christus aangedaan. Ja, daar wordt Petrus op zijn beurt in zekeren zin gedreven in de eenzaamheid. God kwijt en Christus kwijt. Wat dat geweest is, zal die lezer verstaan, die ook zelf door den Geest van Christus geleid werd in de kennis van zijn zonden.
Verlaten zal de bede over Simon's lippen gevloden zijn : „Redt mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds".
In zijn tranen echter vindt Petrus zijn Christus opnieuw. Hij laat geen bidder staan, die in oprecht berouw tot Hem zucht.
Naar buiten gaande, weende hij bitterlijk. Dat Petrus naar buiten ging met zijn tranen van berouw, dat teekent ons nog eens Christus in Zijn vereenzaming. Een vereenzaming, die voortschrijdt totdat ze culmineert in het duisterste oogenblik van Golgotha, als Hij het uit zal roepen: Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten.
Petrus, naar buiten gaande met zijn tranen, neemt daarmede onbewust de troost van zijn berouw voor Christus weg. O zeker, als Gods Zoon kent Hij al deze tranen van Petrus, immers ze zijn in Zijn register. Hij, die de harten en nieren proeft, Hij weet ook 't berouw van Petrus. Maar als Zoon des menschen in Zijn dienstknechtsgestalte ziet Hij deze tranen niet. En daarmede wordt Hem zelfs de troost van het berouw van Petrus als een zoeten druppel in Zijn lijdenskelk ontnomen.
Hoe staat daar dan een lijdenden Borg in de vrieskou der vereenzaming!
Maar, God lof! Een Borg !
Is er dan ook nu nog een Petrus, die vol berouw schreit in de eenzaamheid zijner ziel, is er misschien een lezer, die bij de Sprake van het recht Gods, door den ontdekkenden Geest Gods stamelen moet: „Eenzaam ben ik en verschoven". Weet gij misschien geen raad meer, omdat ook gij met uw gansche leven Christus verloochend hebt, zoodat gij het voor God belijden moet: „Ja, d' ellende drukt mij neer".
Zij dit dan door Gods genade bij het schouwen van een vereenzaamden Borg uw troost: „Hij is van alles en van allen verlaten geweest, opdat Zijn volk nimmermeer verlaten zou zijn".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's