FINANCIËN
Bij 't klimmen der jaren, wanneer telkens de voet op een hoogere sport wordt gezet, zou het een vanzelfsprekend iets kunnen worden genoemd, dat de dingen, die zich daar beneden vertoonen, in ons oog ook kleiner en nietiger schijnen, dan toen wij jonger waren. In elk geval zullen zij dezelfde plaats niet meer innemen van voorheen en in beteekenis ook afnemen.
Zoo moet het zijn. De tijdelijke dingen behooren af te nemen. Vraagt het maar eens aan den man van zaken, of hier ieder jaar niet een post in de balans wordt gevonden voor afschrijving. Tot het allerkleinste getal wordt 't herleid. ledere gezonde boekhouding houdt hier rekening mede, dat alles slijt.
Is dit eene zijde van de medaille — wanneer ge de andere kant naar voren keert, leest ge hierop iets anders.
Hebt ge het nooit opgemerkt, dat bij verreweg de meeste menschen, die hun jeugdjaren reeds verre achter zich hebben, een zekere voorliefde wordt geschonken aan hetgeen achter hen ligt, boven wat zij nu rondom zich opmerken ? 't Was toen mooier, veel mooier dan nu. Zij zien de dingen van thans met een zekeren tegenzin, terwijl zij wat reeds lang voorbij vloog, als met heimwee nastaren.
Natuurlijk is voor dit verschijnsel ook gemakkelijk een verklaring te vinden. Wij zullen dit niet doen. Alleen willen wij het feit constateeren. Zoo was het eeuwen geleden reeds en zoo zal het ook nu nog zijn. Het kwade werd vergeten en het goede met een gulden rand omlijst. Wanneer ge dit nu aan de grijzen van jaren vertelt, zal hij deze opmerking maken : „'t kan best waar zijn, ik zal het zelfs niet tegenspreken, toch zou ik die jeugdherinneringen niet gaarne prijs geven, ik mag er mij nog zoo graag in verliezen, 't Is voor mij nog een waar genot, te mijmeren over mijn jeugdjaren. In elk geval leek mij, wat achter mij ligt, wel iet of wat dichter bij de natuur te staan. Daar is nu zooveel, wat op schijn berust".
Zou hierin ook een waarheid schuilen, waartegen weinig door ons zal kunnen worden ingebracht ?
Voor enkele dagen, aan de buitenkant van de gemeente, gevoelde ik bij mij zulk een jeugdherinnering levendig worden, door op te merken, hoe in vrij grooten getale zich de trekvogels weer opmaken om, zooals wij het ook in onze kinderjaren hadden gezien, hun nesten, zoo verborgen mogelijk, te bouwen. Die wiekslag met die voor ons bekende zangbegeleiding trok als 't ware het verleden weer naar ons toé, als stonden wij er midden tusschen. Die eerste groep was ons als een lentebode. Wij hoorden weer het roepen als toen wij jongens waren. Een heerlijk geluid zoo midden in de natuur zich te verliezen in Gods schoone schepping, weet ge iets kostelijker voor wie van geen levenszorgen nog afweet ? Kort daarop trof me wat ik zag van een groep knapen, die van dit alles, vanwege hun deel uitmaken van een stadsgebied, Van dit alles nooit iets opmerkten. In een der plantsoenen, waar heesters en jong geboomte het moesten ontgelden, werd aan een hunner de vraag gedaan, waarom zij hun vernielingswerk niet staakten, zij dit antwoord gaven : „wij zijn lid van de vernielersbende".
Arme jeugd, zoo klinkt de verzuchting. Wij zeggen het hem na. Stonden zij hierin maar alleen, doch helaas is dit verschijnsel overal op te merken. Wat ge hier vindt in het klein, vindt ge in de wereld onzer dagen nog schrikkelijker in het groot. Is het niet om er bang onder te worden ? Alles wordt omgestooten. De heele wereld roept en schreeuwt om bescherming.
Zou er wel een andere uitkomst zijn dan die ons gewezen wordt in het Woord des Meeren ? Geve de Heere ons tezamen dit te verstaan, dat waar Zijn Woord is wijkende, een zekere ondergang ons is wachtende. Wij beleven bange tijden. De lucht is ook van roepstemmen vol. De Heere zegt het zoo duidelijk: „Wendt u naar Mij toe en wordt behouden". En voor den tijd en voor de eeuwigheid is er geen heil, dan aan de hand van Zijn Getuigenis. Dat onze oogen geopend mogen zijn en onze ooren hoorende worden gemaakt om op te merken, wat Hij ons te zeggen heeft. Laten wij niet gelijken op wat het wereldbeeld ons thans met huivering doet aanschouwen. Laat ons in kinderlijke vreeze het Evangelie van den Kruiskoning beluisteren, Die te midden van een schijnbaar ten ondergang neigende wereld Zijn heerlijk werk volbracht.
Hiermede willen wij thans ons inleidend woord besluiten, om te laten volgen het overzicht van deze laatste week.
De posten waren niet veel, maar toch merkten wij daarin Gods rijke bemoeienissen.
1. Het eerste wat wij te vermelden hebben was een post uit Genemuiden. Collega V. Hee deed ons toekomen een gift van ƒ 12.50
Wij zeggen hem hiervoor vriendelijk dank.
2. Te Vlaardingen, waar wij een spreekbeurt mochten vervullen, werd gecollecteerd de som van „20.—
't Deed ons goed, een oogenblik in het midden van onze Vlaardingsche vrienden te mogen toeven.
3. Door onzen voorzitter ds. v. Grieken werd ons afgedragen een gift van N. N. van „10.—
4. Uit de catechisatiebus van Bunschoten zond collega Poot ons een rijksdaalder „ 2.50
5. Door den penningmeester van de afdeeling Leiden werd ons toegezonden voor onze fondsen „ 5.—
6. Door den penningmeester van de afdeeling Zegveld kregen wij tegelijk met den inhoud van zijn busje de lijst der leden, waarvoor wij hem vriendelijk dankzeggen Het busje had tot inhoud „ 5.50
Voor dit alles zijn wij hoogst erkentelijk
7. Ten slotte nog een tweetal posten, die voor ons eene bemoediging inhielden waarlijk niet klein.
Zij waren voor ons, wat wij zooeven aanduidden, boodschappers van goede tijding. Onze Kralingsche vrienden hebben altijd de gewoonte bij de Bijbellezingen, welke geregeld gehouden worden gedurende den winter, als deze gesloten wordt, een collecte te houden, welke bestemd wordt voor de Paaschcollecte.
Deze bedroeg „ 27.18
8. Was dit de eerste, de tweede die volgde, kwam uit de gemeente van Huizen. Was hier een spreekbeurt gehouden, waarbij ds. Oostenbrug uit Vrijhoeve-Capelle voorging, deze droeg af de som van 35 gulden, de Zondagsche collecte, bestemd voor de Paaschcollecte, deed den beker overvloeien.
Wanneer ik u zeg, dat deze niet minder dan ƒ 141.92 bedroeg, tezamen alzoo , , 176.92 kunt ge eenigszins verstaan hoe ik hier onder te moede was.
Gods hand in dit alles te zien is het allerrijkste.
Wij hebben Zijn bemoeienissen hierin duidelijk opgemerkt.
Zouden wij aan Zijn eere niet te kort doen als wij met Zijn gunst niet met vol vertrouwen de komende dagen durfden tegemoet te zien ?
Hij zal het maken.
Wij ontvingen alzoo tezamen geteld de som van
f 259.50
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's