KERKELIJKE RONDSCHOUW
AVONDMAAL VIEREN
Hef U, mijn ziel, eerbiedig hemelwaarts, Daar leeft de Heer, wiens Avondmaal wij vieren. Laat ootmoed, laat geloof uw hart versieren, Dan wordt berouw aan stille vreugd gepaard. Bewonder Hem, die Zijn verborgenheid Aan Zijn gemeente liefd'rijk wil ontdekken. Die voor de Zijnen dezen disch bereidt En ieder wil door liefde tot Zich trekken. Zeg niet : 't is niet voor mij, 'k heb veel misdaan ! Zie niet op u, maar wend naar Hem uw oogen! Hij noodt ook u. Hij zit vol mededoogen Aan Zijnen disch met u als zondaars aan. Laat slechts uw schuld het rusteloos gemoed Tot meer geloof en sterker liefde dringen ; Dan wordt uw ziel met Hemelsch Brood' gevoed En heil'ge vreugd zal u met kracht omringen. Geestelijke Liederen 322.
GEBED VóóR HET AVONDMAAL
Barmhartige God en Vader, wij danken U, dat Gij ons in dit Avondmaal de heerlijke gedachtenis van den bitteren dood van Uw lieven Zoon Jezus Christus doet oefenen. En wij bidden U, dat Gij nu door Uw H. Geest in onze harten wilt toewerken, dat wij ons in oprecht geloof en met waarachtig vertrouwen hoe langs hoe meer aan onzen Heiland en Zaligmaker mogen overgeven, opdat onze bezwaarde en verslagene harten door de kracht des H. Geestes met Hem, waarachtig God en Mensch, het eenige hemelsche brood, gespijzigd en gelaafd worden ; opdat wij niet meer in onze zonden leven, maar Hij in ons en wij in Hem. Geef, dat wij zóó waarachtig het nieuwe en eeuwige testament en verbond der genade deelachtig mogen zijn, dat wij niet twijfelen of Gij zult eeuwig onze genadige Vader zijn, ons onze zonden nimmermeer toerekenende ; en ons voortaan, als Uwe lieve kinderen en erfgenamen, aan lichaam en ziel met alle dingen verzorgen.
Verleen ons ook Uwe genade, dat wij, getroost ons kruis op ons nemende, ons zelf verloochenen, onzen Heiland belijden, en werk door Uw genade, dat wij in alle droefenis met een opgeheven hoofd onzen Heere Jezus Christus uit den hemel verwachten, waar Hij onze sterfelijke lichamen aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijk maken en ons tot Zich nemen zal in eeuwigheid. Amen.
Red mijne ziele, mijn Heiland en Borge ! Kom mij te hulp. Almachtig God ! Neem mijne zonden, mijn schulden, mijn zorge Red mijne ziele van 't vreeselijk lot.
Niets dan Jezus' dierbaar bloed Schenkt voldoening aan 't gemoed.
In het kruis zal 'k eeuwig roemen ! En geen Wet zal mij verdoemen ; Christus droeg den vloek voor mij ! Christus is voor mij gestorven. Heeft gena voor mij verworven ! 'k Ben van dood en zonde vrij I
DE AVONDMAALSDIENST
't Is de Zondag van de Avondmaalsviering. Het ziet er anders uit in de kerk. En het gaat er ook anders toe, dan gewoonlijk. Voorin, waar anders óók stoelen staan, is nu ruimte gemaakt voor een lange tafel. Op het blanke, kostbare linnen — het is voor de tafel des Heeren — blinkt het zilver, daar staan de kannen en de bekers, en de zilveren borden ; met het brood, dat straks gebroken wordt. De kerk is wat minder bezet dan anders, in vele gemeenten helaas ! héél wat minder dan gewoonlijk. Dat is jammer. Maar dat komt, omdat dikwijls alleen naar de kerk gaan, die zich voorgenomen hebben aan tafel te gaan. Vele trouwe kerkgangers ziet men nu niet. „Het is Avondmaal", zeggen de thuisblijvers. Ze weten het dus wel, ze weten 't zelfs goed ; maar ze doen verkeerd. „Zonder Mij kunt gij niets doen", zegt de Heiland nu zoo bijzonder in de kerk. Maar velen zullen het er maar op wagen, en doen het toch zonder Hem. Wat hebben we dan; wat ontvangen we dan? Niets — zegt de Heiland.
De dienst heeft ook een ander verloop. Géén preek : of een heel korte. De eigenlijke voorbereiding is acht dagen geleden gehouden. Nu gaat het om het toetreden tot den disch des Verbonds, om het aanzitten aan de tafel des Heeren, om het eten van het brood en het drinken van den wijn. Daarom een kort woord van morgen.
Al spoedig begint de lezing van het formulier. Dat is óók bediening des Woords. Maar anders dan anders. Het is de voorbereiding en de uitnoodiging tot de viering van des Heeren Heilig Avondmaal. Maar nu niet door de preek, maar door het samen lezen van het Formulier. Daarin spreekt de Kerk, de Kerk der eeuwen. Zij, die honderden jaren vóór ons leefden, hebben toch ook zoó gesproken en ook zoó geluisterd en ook zoó gehandeld. De gemeenschap der heiligen voelen we, in de geslachten. Eeuwen zien op ons en met de eeuwen voelen we ons één, wij die slechts enkele jaren hier leven. De Kerk is de Kerk der eeuwen. De Waarheid Gods is een eeuwige waarheid. Het Avondmaal staat als een rots in de branding ; als een oase in de woestijn staat die tafel daar. Onze Vaderen zaten aan tot hun troost en sterkte, wij gaan nu óók aanzitten, zooals zij vroeger deden ; en zooals straks in den hemel Avondmaal zal gevierd worden ; maar dan heel anders, veel heerlijker. Toch is hier een voorsmaak.
We luisteren naar het Formulier. Neen, 't is nu niet de predikant die spreekt en leert en onderwijst, zooals hij, door Gods genade, anders het Woord bedient. De dominé treedt nu geheel op den achtergrond met' zijn woord en prediking. Het Formulier vraagt nu alle aandacht.
Overal is de preek verschillend, maar overal is het Formulier hetzelfde. Voor predikers heeft men voorkeur, maar hier is het de liturg en het is daarom eigenlijk hetzelfde voor ons, wie daar staat en leest, als hij leest wat hij lezen moet en lezen mag : het Formulier, als de taal van de Kerk. En hier zwijgt de beoordeeling, zeer zeker de veroordeeling. Wat een schoon, heerlijk Formulier is het, dat de Kerk heeft ter viering van des Heeren Heilig Avondmaal. Och, arme ! als we 'dat nu eens niet hadden, en we moesten er nu eens een maken ! Och, arme ! Wat zijn wij arm. En wat zijn we rijk met de formulieren, die we hébben ; die de Heere ons gaf, aan onze Vaderen èn aan ons. Geprezen zij de Naam des Heeren !
Het Formulier om het Avondmaal te houden is wel bijzonder mooi. Het is het mooiste van onze mooie formulieren. Als 't met ernst, met nadruk, met volle overgave gelezen wordt, dan lezen we mee, met overgave der ziel. Wat is 't mooi ! Zeker, 't is wat.... ouderwetsch misschien ; wat zwaar om te verstaan, in 't eerst. Maar wat zijn de breede zinnen tegelijk magistraal. Het is een stuk, vol' wijding en teerheid, maar toch ook vol kracht. Het is vol ernstige waarschuwing, scherpe en felle ontdekking, maar tegelijk zoo zacht, zoo vriendelijk, zoo heilig en heerlijk, zoo echt om uit te noodigen en te bemoedigen onwaardige, arme zondaren, uitstallend de geheimen van Gods genade in Christus Jezus. Zóó is eeuwen lang nu gelezen en gesproken, zóó is eeuwen achtereen een zegen doorgegeven tot vertroosting, 'barmhartigheid, vrede en blijdschap, voor jongeren en ouderen, arm in zichzelf, rijk in Christus.
Als het gaat over de instelling van het Avondmaal, wordt het toch geen verhandeling, dor en droog. Het is om ons „Christus voor oogen te schilderen" — zooals Paulus schrijft aan de Galaten. Het Formulier geeft overal onmiddellijke toepassing ; 't zegt precies, waar het op aankomt ; brengt ons daardoor tot verslagenheid, maar hoedt er zich angstvallig voor om de verslagen harten der geloovigen kleinmoedig te maken ; integendeel, het komt de kleinen bij de hand grijpen en het steekt de bedeesden een hart onder de riem : „opdat wij vastelijk zouden gelooven" ; wij — arme zondaren.
„Het Avondmaalsformulier doet mij vaak denken" — aldus ds. Boerkoel in „Blijft in Mij" (blz. 39) — „aan een breede rivier, die in wijde, rustige vloeiing in het licht van den hemel weerkaatst ; wij varen in een rank bootje ; telkens klotst het water remmend tegen den boeg, maar we komen toch vooruit en worden veilig gevoerd naar een gouden horizont. Dikwijls heeft het mij getroffen, hoc onder het lezen van dit formulier, dat zeker twintig minuten duurt, 't onafgebroken ademloos stil is in de kerk".
Het is er ons Avondmaalsformulier om te doen, dat we ernstig onszelf zullen onderzoeken en beproeven, om ons dan als arme zondaren, als behoeftige zielen, aan de tafel des Heeren te brengen. De beproeving is niet om wég te blijven, maar om te komen. Om te komen, zooals we zijn.
Dat we niet zijn, die we moeten zijn ; dat we niet hebben, wat we moeten hebben, wil het Formulier gebruiken als prikkel om aan het Avondmaal te gaan, en daar op Christus te zien, die juist daar armen en ellendigen noodigt, om hen er van te spreken, dat ze eenmaal gereinigd zullen worden van alle zonden, en nu mogen bemoedigd worden door het bezit van hun Borg en Middelaar. Die hier voorbijloopt, loopt voorbij den eenigen troost die er is, beide voor leven en sterven. Daarom heeft de Heiland ook gezegd : houdt het Avondmaal in eere, totdat Ik wederkom !
Of het dan plicht en roeping is in de gemeente om zich afzijdig te houden van het Avondmaal ? Het schijnt soms ; het schijnt zelfs dikwijls bij velen 't geval te zijn. Plicht en roeping om wég te blijven.
Om dan het voorrecht, dat Christus aan arme zondaren geeft, te veronachtzamen. Tot hoelang ? Altijd ? Ongelukkig voor degenen, die „in deze zonden blijven en zich niet van harte bekeeren". Want het is zonde, om het brood te versmaden en den wijn te verachten, als de Heiland komt in het midden van Zijn gemeente. Of zullen we wachten, totdat we „zonder eenige zonde" zullen zijn ?
Men heeft wel gelachen om die woorden : nochtans — desniettegenstaande — overmits. Maar die woorden zijn als het kabeltouw, waaraan het schommelend schip wordt vastgelegd, als de ankers, waardoor een verweerde muur voor instorting wordt bewaard. Want we zijn maar menschen, die midden in den dood liggen — als we aan het Avondmaal gaan.
De hand des geloofs moet door een arm zondaar gelegd worden op het Lam Gods. Het gaat om een zien op Christus. „Ik geloof, Heere, kom mijn ongeloof te hulp". „Kom ik dan om, dan kom ik om".
Wat stille, groote, diepe, heilige vreugd kan de Heere dan geven, als we het gebroken brood eten en den vergoten wijn drinken. We mogen op Christus zien, die in den hemel is. Avondmaalganger is tevens hemelganger. Maar om dan als aardbewoner, in de strijdende Kerk te ervaren, dat Hij met ons wil zijn. Hij in ons en wij in Hem.
Hij liet Zijn lichaam voor ons verbreken, om onze schuld te verzoenen.
In Zijne bloedstorting is voor ons vergeving. Wij in Hem gebonden en wij in Hem ontbonden.
Wij met Hem gestorven en wij met Hem opgestaan.
Wij in Hem veroordeeld en wij in Hem vrijgesproken.
„Blijft in Mij", zegt de Heiland nu. „Want gelijk de rank geen vrucht kan dragen van zichzelf, zoo zij niet in den wijnstok blijft alzoo ook gij niet, zoo gij in Christus niet
En daarom vieren we ook telkens Avondmaal, ook nu. Want het Avondmaal is het
middel tot gedurige opvoeding in het geloof. Het is de kracht van onze kracht, het leven van ons leven. En opstaande van de tafel des Heeren, zingen we :
„Ik zet mijn treden in Uw spoor, Opdat mijn voet niet uit zou glijden".
Met het stil gebed :
„Wil mij voor struikelen bevrijden. En ga mij met Uw heillicht voor".
„De Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken Aan Zijn tafel heeft Hij voedsel en drank, die telkens onze krachten vernieuwen. Amen.
HET ONWAARDIGLIJK ETEN EN DRINKEN.
Op deze woorden, voorkomend in ons mooie Avondmaalsformulier, ontleend aan 1 Cor. 11 vers 29, willen we nu nog eens tegelijk wijzen ; gelijk we dat ook vroeger wel deden. Zijn het niet veelal ook dezelfde vragen, die zich in onze kringen voordoen ; die dan ook telkens weer moeten worden besproken ?
Ons Avondmaalsformulier waarschuwt niet een onwaardig zondaar, om aan te gaan aan de tafel des Heeren. Want dan zijn we juist het gepaste voorwerp. Onwaardige zondaren, die dan de toevlucht mogen nemen tot Christus, om te mogen ervaren, dat alles in Hem geschonken is, wat wij missen.
Maar ons Avondmaalsformulier wil ons waarschuwen, dat we niet op een wijze zullen aangaan, welke des Heeren Avondmaal onwaardig is. Door niet recht te onderscheiden wat er geschiedt bij brood en beker. Door niet recht acht te geven, dat het gaat om het lichaam van Christus — gelijk dat in de gemeente van Corinthe helaas ! wel voorkwam, waarom Paulus er over schrijft.
Wie dus gedachteloos, onverschillig, ruw en oneerbiedig tot de tafel des Heeren zou naderen, zou schuldig staan aan deze zonde van „onwaardiglijk eten en drinken". Wie onverschillig in de zonde leeft of in onbekeerlijkheid des harten voortleeft, en toetreedt tot den disch des Verbonds, bezondigt zich in deze.
Dat is het „onwaardiglijk eten en drinken". Maar die zich als een onwaardig zondaar voor God mag kennen en begeerte heeft om Ie eten van het brood en te drinken van den wijn, mag een waardig dischgenoot genaamd worden,
gebruikende brood en wijn, zooals de Heiland wil' dat brood en wijn zullen gebruikt worden, Zóó wil Hij het. Die in zichzelf roemen en op zichzelf vertrouwen, zijn onwaardige dischgenooten. Maar die onwaardige zondaren mogen zijn voor God en op Zijn roepstem komen, zullen waardige Avondmaalgangers zijn. Want voor dezulken wil de Heiland alles zijn, als de juist gepaste en alleszins genoegzame en zeer gewillige Borg en Middelaar. Waarvan Hij bijzonder getuigenis wil geven aan een arm zondaarsvolk bij de breking des broods en als de wijn wordt uitgegoten, zijnde het bloed des Nieuwen Testaments, dat van betere dingen spreekt dan het bloed van Abel.
HET GEBED VÓÓR DE PREDIKATIE VAN CALVIJN
Het Gebed, dat Calvijn gewoonlijk in de weekdiensten gebruikte bij het begin van zijn prediking, luidt aldus :
„Wij zullen onzen goeden God en Vader aanroepen. Hem smeekende, dat het Hem behage Zijn aangezicht af te wenden van zoovele gebreken en zonden, waardoor wij niet ophouden Zijn toorn jegens ons te tarten ; en, naardien wij te onwaardig zijn om voor Zijn Majesteit te verschijnen, dat het Hem behage ons te aanschouwen in het aangezicht van Zijn geliefden Zoon, onzen Heere Jezus Christus, aannemend de verdienste van Zijn dood en lijden als betaling voor al onze zonden, opdat wij in den weg Hem welbehaaglijk zijn. En dat Hij ons toch wil verlichten door Zijn Heiligen Geest tot het rechte verstaan van Zijn Woord, en ons de genade bewijzen, dat wij het aannemen in vreeze en ootmoed, opdat wij daardoor onderwezen worden ons vertrouwen op Hem te stellen. Hem te dienen en te eeren, om Zijnen heiligen Naam in heel ons leven te verheerlijken, Hem de liefde en de gehoorzaamheid gevende, welke getrouwe dienstknechten aan hunne meesters en kinderen aan hunne ouders verschuldigd zijn, aangezien het Hem behaagd heeft ons te roepen tot het getal Zijner dienstknechten en kinderen.
En we willen. Hem bidden, gelijk onze goede Meester ons heeft leeren bidden, zeggende : Onze Vader, Die in de hemelen zijt, enz. Amen.
HET GEBED NA DE PREDIKATIE \AN CALVIJN
Het Gebed, dat Calvijn gewoonlijk in de weekdiensten gebruikte aan het einde van de preek, luidt aldus :
„Wij zullen ons dan nu nederbuigen voor de majesteit van onzen goeden GOD, die ons onderwezen heeft door Zijn Woord, [Hier werd dan kort herhaald het Woord, dat gepredikt was dat hij niet alleen aan ons deze genade bewijze, maar aan alle volken en natiën der aarde, alle arme onwetenden uit de ellendige gevangenschap van dwaling en duisternis terug leidend tot den rechten weg der zaligheid.
Dat het Hem, om dit te doen, behage, oprechte en getrouwe Dienaren Zijns Woords te verwekken, die niet hun eigen voordeel en eere zoeken, maar alleen de verhooging van Zijn heiligen Naam en 't heil van Zijn kudde. Dat Hij daarentegen wille uitroeien alle secten, ketterijen en dwalingen, die zaad zijn van onrust en verdeeldheid onder Zijn volk, opdat wij allen samen in goede broederlijke eendracht leven mogen.
Dat Hij door Zijn Heiligen Geest wille leiden alle Koningen, Vorsten en Heeren, die Zijn zwaard voeren, opdat hunne heerschappij niet zij in gierigheid, wreedheid en tyrannie, noch in een andere booze ongeregelde gezindheid, maar in alle gerechtigheid en rechtmatigheid. Dat wij ook, levend onder hen, hun de eere en de gehoorzaamheid bewijzen, die hun toekomt, en dat wij in den weg van een goeden vrede en gerustheid God dienen in alle heiligheid en eerbaarheid.
Dat Hij alle arme verdrukten wille troosten, dewelke Hij op verschillende wijzen met kruis en droefheid bezoekt : de volken, die Hij bedroeft met pest, oorlog en hongersnood of met andere plagen ; de personen, die getroffen zijn door armoede, gevangenis, ziekte, verbanning of ander lichamelijk leed, of door droefenis des geestes. Dat Hij hun allen geve goede lijdzaamheid, tot dat Hij hun volle verlichting hunner moeiten zende.
Voornamelijk, dat Hij ontferming hebbe met al Zijn arme geloovigen, die in deze Babylonische gevangenschap verstrooid zijn onder de tyrannie van den Antichrist, bijzonderlijk die vervolging lijden om het getuigenis Zijner Waarheid. Dat Hij hen sterke in ware standvastigheid, dat Hij hen vertrooste en aan de booze en verscheurende wolven niet toelate hunne woede tegen hen uit te voeren, maar dat Hij hun geve een ware standvastigheid, opdat Zijn heilige Naam door hen, zoowel in leven als in dood, verheerlijkt worde. Dat Hij al Zijn arme Kerken wille bekrachtigen, die heden arbeiden en aangevochten worden, om den strijd voor Zijn heiligen Naam. Dat Hij omkeere en verstore de raadslagen, machinatiën en ondernemingen van alle Zijne tegenstanders, opdat Zijn heerlijkheid overal schiften en het Koninkrijk van onzen Heere Jezus Christus worde vermeerderd en meer en meer bevorderd.
Wij zullen Hem bidden om al deze dingen, gelijk onze goede Meester en Heere Jezus Christus ons geleerd heeft Hem , te bidden, zeggende : Onze Vader, Die in de hemelen zijt, enz.
Wij zullen ook dezen goeden God bidden ons te geven ware standvastigheid in Zijn heilig geloof, het in ons te vermeerderen van dag tot dag, waarvan wij belijdenis willen doen, zeggende : Ik geloof in God, den Vader, enz. Amen.
[Deze beide gebeden, vóór en na de Predikatie, voorkomend in de Inleiding op de preeken over het boek Job, zijn opgenomen in : Het Gepredikte Woord, preeken van Calvijn, Deel II, uitgave : Wever, Franeker.]
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (13)
In de eerste Christengemeenten wordt kennelijk alles beheerscht door het streven om het nieuwe leven, dat de geloovigen deelachtig zijn geworden, te leiden in de bedding der zedelijke ordinantiën. De glossoialie of het spreken in talen, is van minder waarde dan de profetie, de prediking en de uitlegging des Woords (1 Cor. 14 : 1 v.) en de liefde staat vèr boven het wondergeloof (1 Cor. 13) ; de geestelijke gaven dienen tot stichting der gemeente (1 Cor. 14 : 12) en alle dingen moeten betamelijk en met orde geschieden (1 Cor. 14 : 26, 40). Want God is geen God van verwarring, maar van vrede in alle gemeenten der heiligen (1 Cor. 14 : 33) en de geloovigen zijn leden van één lichaam, die al hunne gaven ten nutte van elkander hebben aan te leggen (Rom. 12 : 4 v. ; 1 Cor. 12 : 12 v.). Ook de gemeenten staan niet los naast elkaar, maar worden saam gebonden door één Geest, éen Heer, éen geloof, éen doop, éen God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen en in allen (Ef. 4 : 4—6) ; ze zijn alle plaatselijke openbaringen van de ééne, heilige, algemeene kerk, waarvan Christus het Hoofd is. (Ef. 1 : 22, 23 ; 2 : 20 ; 5 : 25— 27, enz.).
In hetgeen de Schrift van de Zending verhaalt, waarvan we nu een kort overzicht hebben gegeven, is er natuurlijk veel, dat een tijdelijk en voorbijgaand karakter draagt. Het uitgaan van Jezus' discipelen in het Joodsche land, twee aan twee en zonder eênige uitrusting, het korte verblijf van Paulus in vele plaatsen, om haastig verder te reizen, het compromis, dat in Hand. 15 voor den overgang van de geloovigen uit de Heidenen tot de gemeente gesloten werd, enz., het is alles zeker niet als een bindend voorschrift bedoeld. De Heilige Schrift is ons in geen enkel vak van theologische wetenschap, en dus ook niet in de leer der Zending gegeven, opdat wij haar woordelijk na spreken, maar opdat wij haar denkend verwerken en in het leven toepassen zouden. Indien wij dit in het oog houden, biedt Gods Woord ons een rijkdom van gedachten aan en doet het ook voor den arbeid der Zending beginselen aan de hand, die voor studie en practijk tot een vaste leiddraad kunnen strekken.
Wij zullen goed doen, uit het boven gegeven overzicht ons te blijven herinneren, wat de Heilige Schrift zegt over auteur en orgaan der Zending, over haar beginsel, wezen en doel, over de vereischten der predikers en den inhoud en de wijze der prediking van het Evangelie ; over de stichting en organisatie der gemeenten en zooveel meer. Terstond zuilen we dan beseffen, dat Gods Woord over het gansche werk der Zending, van haar allereerste aanvang af tot hare voleinding toe, een helder licht .laat schijnen. Want dat gansche werk der Zending is toch niet anders dan het werk van Christus zelven, die vernederd werd, maar ook verhoogd is aan de rechterhand Gods, opdat Hij Zijne volheid in de gemeente zou doen wonen en haar eens zonder vlek of rimpel aan den Vader voorstellen zou. Dat is de kracht der Zending en, niettegenstaande alle teleurstellingen, de waarborg van hare zegepraal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 maart 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's