KERKELIJKE RONDSCHOUW
JEZUS IN HET RECHTHUIS
De Zone Gods is door menschen ter dood veroordeeld, omdat Hij gezegd had de Zone Gods te zijn. En het waren menschen, die Jes. 53 zoo dikwijls lazen en daarover spraken. Maar toen zij den Zone Gods in de aldaar beschrevene gestalte zagen, kenden zij Hem niet en hebben Hem niet begeerd, maar veracht en verworpen, den vloek Gods over zich halend, met name óók over hunne kinderen.
Omdat zij hunne eigene gestalte niet kenden, konden zij niet zien, dat Hij als Borg en Middelaar onze gestalte aangenomen had, om daarin voor ons te lijden en te betalen. Maar het moest zóó geschieden als Gods Raad te voren bepaald had, dat geschieden zou en het verwerpen daarvan heeft het oordeel Gods over Zijn erfvolk voltrokken. En niet alleen de Joden hebben zich aan Hem bezondigd en Hem den kruispaal bezorgd, maar ook de heidenen hebben daaraan meegewerkt, zoo met Israël de beide balken van het vloekhout aandragend, waaraan Hij zou hangen als een vervloeking. Dit is geschied, opdat aller menschen ongerechtigheid openbaar zou worden.
Allen, Jood en Heiden, moesten van Hem het herhaalde getuigenis afleggen, dat Hij onschuldig was, dat er geene schuld in Hem gevonden werd, om Hem toch ter dood te veroordeelen. Dit moest zoo geschieden, opdat het aan den dag zou treden, dat, terwijl alle volkeren in Hem gezegend worden, allen den vloek en niet den zegen verdiend hebben ; dat Jezus, als de Borg, voor allen een vloek geworden is, voor alles betaald heeft. En dat het dus alles vrije ontferming, eeuwige liefde en loutere genade is, indien er één zondaar behouden wordt. Want allen hebben aan den dag gelegd, hoe zij God en den naaste haten. Zóó wordt de mensch op het diepst vernederd en God op het hoogst verheerlijkt, en Hem alleen moet alle eer worden gegeven van al Zijn deugden en volmaaktheden. Oók de heidenen, de onbesnedenen hebben tegen Hem gezondigd ; en óók voor heidenen en onbesnedenen wil Hij lijden en hun de besnijdenis des harten verwerven, Hij onschuldig voor de schuldigen gaande in het rechthuis.
Zoo zien wij in alles de oneindige liefde van God tot de allerellendigste zondaren.
Moeten wij niet allen in het rechthuis gebracht worden van wege onze overtredingen van de geboden Gods : gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult geen valsche getuigenis geven ; ja, van wege het schenden van al Gods geboden en rechten en inzettingen ?
Die nu van wege hunne zonden geboeid in een rechthuis gebracht worden, zullen troost vinden voor hunne zielen, wanneer zij met waar berouw zuchten en opzien tot Hem, die om onze zonden gebonden in het rechthuis gebracht werd. Die van wege de waarheid er in gebracht worden, zullen zich niet schamen, maar groote vrijmoedigheid ontvangen, zoo zij den Heere danken : „Heere Jezus! Gij hebt U wel voor mij gebonden in het rechthuis willen laten leiden".
Het is, en dit hebben wij wel te bedenken, Gods bijzondere lankmoedigheid en genadige bewaring zoo wij niet om onze zonden voor een aardschen rechter geleid worden. Maar zeker is, dat er een hemelsch rechthuis bestaat, waar wij allen, ook die den aardschen rechter ontglippen, door den dood heengeleid worden. En wie zal dan in het gericht bestaan ? Immers niemand !
Wel ons, wanneer wij, op den weg naar den rechterstoel Gods, door een waarachtig geloof den troost omhelsd hebben, dien wij vinden in de antwoorden van onzen Catechismus op vraag 38 en vraag 56. Daar lezen we toch, dat Hij onschuldig onder den wereldlijken rechter veroordeeld zijnde, óns daarmede van het strenge oordeel Gods, dat over ons moet gaan, bevrijdde. Als ook : dat God, om het genoegdoen van Christus wille, al mijne zonden, ook mijn zondigen aard, waarmede ik al mijn leven lang te strijden heb, nimmermeer wil gedenken, maar mij uit genade de gerechtigheid van Christus schenken, opdat ik nimmermeer in het gericht Gods kome. Dit is zeker dus, dat de Heere Jezus met dat heengeleid worden voor een aardschen rechter, voor de Zijnen heeft verworven, dat zij hij hun leven mogen vertroost worden met Zijn gerechtigheid en heiligheid, te midden van al hun ongerechtigheden en onheiligheid. En dat zij bij hun dood niet geleid worden voor een wraakvorderenden Rechter van hemel en aarde, en dus niet overgeleverd worden aan de duivelen, maar het blijde woord mogen vernemen : „Komt gij gezegenden des Vaders !"
Als wij zóó zien hoe alles hier naar Gods bepaalden Raad en voorzienigheid gegaan is (Hand. 3 : IS ; 4 : 28), opdat Zijn Woord en de Schrift zouden vervuld worden, zoo ligt daarin voor alle aangevochtenen veel geloofssterkte om zich op Jezus' woorden te verlaten, en dit voor gewis en zeker te houden, dat niets hen overkomt dan naar Gods Raad, en opdat al Zijne dierbare beloftenissen in de Schrift aan hen vervuld worden, het ga hoe het ga. Ook ligt daarin voor ons veel geloofssterkte onder kruis en lijden, als wij de sporen, dat wij op den goeden weg zijn, in het lijden van den Heere en van al Zijne heiligen in de Schrift wedervinden. [Dr. H. F. Kohlbrugge : De vernederde en verhoogde Middelaar, blz. 23—25. Uitgave : J. P. v. d. Tol. Oud-Beijerland. 1939].
DE KINDERDOOP
Prof. Dr Karl Barth. Het boek van Ds Woelderink.
We kwamen in de goede richting, 't Was nog maar het begin ; maar het begin was er dan toch. Het woord van Wormser : „leer de natie haar doop kennen en het volk is gered", begon weerklank te vinden bij velen. Over het verbond Gods werd niet meer gesproken en in onze kringen dorsten velen, ook van de voorgangers, niet te spreken van het verbond. Waar God er altijd van sprak in het midden van het besneden volk van Israël en onze Catechismus en ons Doopsformulier het verbond zet in 't midden van de gedoopte Christelijke gemeente, daar dorst en wilde de mensch er niet van gewagen, in de kerk niet, in het gezin niet, op de school niet, in het midden van het volksleven niet. En daarin kwam nu gelukkig weer verandering ten goede. Het begon minder te gaan om wat de mensch zegt, dan om wat God, de God des verbonds, zegt. Gelukkig !
En ziet, daar komt prof. Barth uit Zwitserland over, om ons land te bezoeken en zet de klok weer een paar eeuwen achteruit en komt weer afbreken wat hier was opgebouwd. Hij wil geen Calvinist zijn, zoo zei hij. Wel wil hij van Calvijn leeren, maar tenslotte is het hem (zoo zei hij) niet om de reformatoren te doen, maar om zelf „in den Bijbel te lezen, om door het Woord, dat ons van zonde en genade spreekt, tot den levenden God te komen (alsof dat óók niet het heilig begeeren was van Calvijn !). En dan geeft Barth een vernietigend oordeel over den Kinderdoop, lezend in zijn Bijbel !
Dat Barth niet gesteld is op den naam „dialectische theologie", juichen we toe. Dat hij niet zoo hoog wegloopt met de Oxford-beweging. Dat hij geen mannen begeert als „ik ben van A, ik ben van B, ik ben van C. enz. — vinden we alles best. Maar dat hij nu hier komt met een vernietigend oordeel over den Kinderdoop, vinden we verschrikkelijk. Zeker, we weten wel, dat er vele menschen zijn, die zich Gereformeerd noemen, die eigenlijk ook niet veel van den Kinderdoop moeten hebben (eigenlijk, zeggen we) ; er zijn ook wel dominees van dat slag. Maar onze stoere belijdenisschriften doen hierin een zoo duidelijke taal, een zoo klaar geluid hooren, dat we er ons altijd weer over verheugen. Laat de Catechismus maar weer onder ons gaan leven, ook op dat punt. „Zal men ook de jonge kinderen doopen ? " Waarop het duidelijk antwoord volgt : „Ja ; want" (ja — want !) „mitsdien zij, zoowel als de volwassenen, in het Verbond Gods en Zijn gemeente begrepen zijn" enz. (Catech. Zondag 27).
Ursinus zegt daarvan in zijn verklaring vele goede dingen. (We komen daarop in de artikelen die over zijn Schatboek gegeven worden, bij gelegenheid wel terug). We noemen nu alleen maar deze zinsnede : „Daarom moeten naar Christus' bevel allen gedoopt worden, die discipelen van Christus zijn, d.i. die leden van de zichtbare Kerk zijn en daarvoor gehouden moeten worden, hetzij zij volwassenen zijn, die hun geloof en bekeering belijden, hetzij zij nog kleine kinderen zijn, in de Kerk geboren. Alle kinderen der geloovigen zijn in het verbond en in de Kerk Gods, tenzij zij zichzelven uitsluiten. Op grond van het voorgaande, valt het gemakkelijk, te oordeelen over de vraag, of de kleine kinderen gedoopt moeten worden. Zijn zij discipelen van Christus en behooren zij tot de Kerk, zoo moeten zij gedoopt worden. En daar het eerste waar is, volgt het laatste als vanzelf. De eerste stelling is duidelijk uit Christus' bevel, de tweede is te bewijzen uit de formule des verbonds en andere plaatsen. De redenen, waarmede de Catechismus bewijst, dat de kleine kinderen gedoopt moeten worden, zijn vier in aantal". Enz. (Verklaring Deel II, blz. 5 en 6).
De kinderdoop is vanouds in de Kerk geëerd en in stand gehouden. Augustinus schrijft : „De geheele Kerk bedient den Doop aan de kinderkens ; hij was niet door Concilies ingesteld, maar was altijd in gebruik". En hij vervolgt, „dat hij zich niet herinnerde ooit van iemand gelezen te hebben, hetzij Katholiek, hetzij kettersch, die beweerde dat aan kinderen de Doop ontzegd moest worden ; de Kerk heeft dien altijd gehandhaafd". De Wederdoopers hebben in hun tijd den kinderdoop veroordeeld, maar er is geen enkele Gereformeerde belijdenis, die hen hierin bijvalt ; integendeel, ze worden hierom ernstig vermaand en veroordeeld ! Gelijk Calvijn schrijft : „Maar indien onwederlegbaar bewezen wordt, dat de kinderdoop geenszins van het bepaalde gezag Gods ontbloot is; zoo hebben wij toe te zien, dat wij, door het omverwerpen van Zijn heilige instellingen, tevens ook den Insteller zelven, d.i. God, niet smaden".
En zal prof. Barth ons nu komen vertellen, dat al dit christelijke een mooie fictie is ? Wij vinden het verschrikkelijk !
En prof. Barth kan dan wel gemoedelijk zeggen : „nu geen tumult, asjeblieft". Maar daarmee is deze zaak niet goedgemaakt.
In dit verband willen we nog eens wijzen op 't boek van ds. Woelderink: „Ons Doopsformulier". Gelijk óók op de nieuwe uitgave van : De Kinderdoop, van Wormser (Drukkerij De Standaard, Amsterdam).
Of wij dan met alles zoo maar instemmen, wat ds. Woelderink in zijn boek schrijft ? Neen — althans zouden wij over een en ander graag nog eens praten. Maar het verheugt ons, dat zij, die reeds critiek leverden met de bedoeling om de zaak, waarom het gaat, te dienen (over anderen spreken we niet), spreken en blijven spreken over „het mooie boek van ds. Woelderink". Onder dezulken willen wij óok behooren. Waarbij we intusschen ons verheugen over alle besprekingen, ook de critische besprekingen, waarbij men in onderscheidene dingen met den schrijver verschilt, omdat we zóó met de zaak, .waarom het gaat, vooruit kunnen komen.
Want het optreden van prof. Barth bewijst in deze, dat wij ons moeten gaan bezinnen op de voorrechten, op de schatten van geestelijk bezit, die ons geschonken zijn en die wij voor onze kinderen moeten bewaren !
We laten nu twee theologen, die critiek oefenden op het boek van ds. Woelderink, aan 't woord komen hier, en wel dr. Berkouwer, die een artikelenreeks gaf in het Calvinistisch Weekblad" en prof. Grosheide, die een beoordeeling schreef in Noord-Hollandsch Kerkblad.
(Wordt voortgezet.)
KERKSTICHTING OP HET ZENDINGSVELD.
Om de wille van de belangrijkheid van deze zaak, ook onder ons urgent, nemen we hier over wat dr. F. L. Bakker, docent aan een Seminarium in Ned. Oost-Indië, daarover zal zeggen op de vergadering van Gereformeerde predikanten in Utrecht. De schets van zijn referaat ziet er zóó uit :
„De ontwikkeling van den Zendingsarbeid in het geheele Oosten laat ons zien, dat daar overal jonge inheemsche kerken ontstaan. Dit brengt voor ons mede, dat de Zending meer moet gaan werken door de organen van de inheemsche Kerken, dan is in de toekomst een veel grooter uitbreiding van het Christendom te verwachten. Maar dit stelt ons ook voor de vraag, of het onze roeping is het hier in Europa in den loop der historie gevormde kerkelijke instituut, zóó maar over te planten naar het Oosten, terwijl daarnaast het probleem van de eenheid der Kerk in het Oosten om een oplossing vraagt.
De Conferentie van Tambaram heeft ons weer laten zien hoe vreeselijk de kerkelijke verdeeldheid van het Westen doorwerkt, ook op het Zendingsveld. In Ned. Indië is de toestand, vergeleken bij andere zendingsterreinen nog gunstig, doordat ieder genootschap zijn eigen terrein heeft, maar ook daar dringt de vraag naar eenheid, b.v. op het Javaansche taalgebied.
Wij treden in de Oostersche wereld op met het Evangelie van Jezus Christus ; het gevolg van die prediking is het ontstaan van het Kerkelijk instituut. Christus is het Hoofd van Zijn Kerk. De regels voor de inrichting van Zijn Kerk heeft Hij in Zijn Woord gegeven en die beginselen moeten worden toegepast. Wij moeten niet onze eigen Kerk in het Oosten brengen, maar de Kerk daar inrichten naar de beginselen, die 'God ons in Zijn Woord gegeven heeft.
Wij moeten ons daarbij wachten voor twee gevaren : 1. De gedachte, dat wij, Westerlingen, daar een Oostersche Kerk kunnen opbouwen ; en 2. De gedachte, dat de ontwikkeling, die de Kerk in het Westen heeft gehad, geen beteekenis heeft voor de Kerk, die ontstaat in het Oosten.
Om te komen tot een Kerk op Java, moeten wij zelf eerst doordrongen worden van het zondige van de verdeeldheid der Kerk ; wij moeten nooit éénheid zoeken ten koste van de Waarheid, en wij moeten ons zelf meer en meer terugtrekken en het zoeken van eenheid overlaten aan de Javaansche Kerken zelf".
Naar het ons voorkomt, zitten in dit woord en in deze beschouwingen van dr. Bakker allerlei gedachten, die de overdenking en uitwerking — overwaard zijn.
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (14)
De Kerkregeering en de dienst der ambten. In vervolg op de artikelen over de Zending willen we nu nog spreken over de stichting der eerste gemeenten, de wijze van Kerkregeering en de dienst der ambten, naar de instelling van Christus. Alle Zendingswerk moet uitloopen op kerkstichting. En de stichting van een kerk houdt de noodzakelijkheid in van de instelling der ambten, om te komen tot een gezonde wijze van kerkregeering, noodig tot de ontplooiing van het kerkelijk leven in het midden der wereld. Want de verkiezing Gods omvat een gansch groote schare uit alle geslachten, talen, volken en natiën, en deze verkiezing is zeer zeker persoonlijk en heeft bepaalde, Gode bij name bekende menschen lot voorwerp, maar zij kiest dezen zoo uit en voegt hen op die wijze samen, dat zij met elkander vormen kunnen den tempel Gods, het lichaam en de bruid van Christus. De verkiezing stelt zich de schepping van een organisme ten doel, dat is : de verlossing, vernieuwing en verheerlijking eener herborene menschheid, die de deugden Gods verkondigt en Zijn Naam op haar voorhoofd draagt. Als God deze verkiezing uitvoert in den tijd, dan doet Hij dit dan ook in den weg van het verbond der genade. En in dat verbond neemt Hij nooit een enkel persoon los van alle anderen op, maar Hij roept in dien eenen persoon tegelijk zijn gezin en zijn geslacht. Zoo deed Hij bij Adam, bij Noach, bij Abraham ; zoo doet Hij nog bij ieder, dien Hij uit den dienst der wereld in Zijne gemeenschap overbrengt.
Hij richt Zijn verbond op met hem, dien Hij heeft uitverkoren en dien Hij roept, zeggende: ik wil uw God zijn en de God van uw zaad. Dat verbond bevestigt Hij dan van kind tot kind.
Aan deze organische werkzaamheid Gods beantwoordt in het hart en in het leven van alle geloovigen een sociale trek, een zucht naar gemeenschap, niet alleen met God Zelven, maar ook met al Zijn volk. In het algemeen is er geen macht ter wereld, die de menschen zoo hopeloos verdeelt en ter anderer zijde ook weer zoo innig samen bindt als de godsdienst. Maar buiten het Christendom valt de godsdienstige gemeenschap bijna altijd samen met die van een stand of een volk. Het is alsof de godsdienst daar niet sterk genoeg is, om zonder die steunsels op eigen beenen te staan ; er is daar nergens eene Kerk in eigenlijke zin. Maar in het Christendom is dat anders, waarbij dan de vragen aangaande de Kerk, alsook die van de verhouding van Kerk en Staat zich met kracht doen gelden. Dat is inhaerent aan het Christendom.
Onder Israël strekten volk en Kerk, generaal genomen zich nog even ver uit ; ze dekken elkaar. Israël is het door God tot Zijn eigendom uitverkoren volk en Kanaan is des Heeren land.
De scheiding tusschen volk en Kerk kwam onder de Oude Bedeeling op, met vorming van het gezelschap der vromen, maar de voltrekking daarvan zien we duidelijk in de dagen des Nieuwen Testaments. Het volk gaat onder leiding van Schriftgeleerden en Parizeen Christus in Zijn Messiasschap verwerpen en wil van Zijn geestelijk Koninkrijk niet weten. Over land en volk, over stad en tempel worden dan tenslotte de oordeelen Gods uitgestort. Het Israël, dat den Christus verwerpt, is niet meer het ware Israël en de geloovigen worden voortaan genoemd het zaad Abrahams, hebbende het geloof van Abraham (Hand. 15 : 14 ; Rom. 9 : 25, 26 ; 2 Cor. 6 : 16 —18 ; Gal. 3 : 29 ; 6 : 16 ; Hebr. 8 : 8—10 ; Jac. 1 : 1, 18 ; 1 Petr. 2:9; Openb. 21 : 3, 12). Er komt meer en meer onderscheid tusschen het Israël naar het vleesch en naar den geest (Rom. 2: 28, 29 ; 9 : 8 ; 1 Cor. 10 : 18).
Wie van de Joden Christus verwierpen zijn de echte Joden niet. Zij zijn niet de besnijding, maar de versnijding (Fil. 3:2) ; zij zijn ongeregelden, ijdelheid-sprekers, verleiders en vervolgers der geloovigen (1 Thess. 2 : 14— 16 ; Tit. 1 : 10, 11) ; de Joden, die de gemeente van Smyrna lasteren, zeggen wel, dat zij Joden zijn, maar zij zijn het niet. Zij zijn veel meer eene synagoge des Satans (Openb. 2 : 9 ; 3 : 9). Zoo gingen Joden en Christenen uiteen, en de belijders van Christus, die eerst nog beschouwd werden als eene secte onder de Joden, (Hand. 24 : 5, 14 ; 28 : 22) kregen in Antiochië een eigen naam, den naam van Christenen (Hand. 11 : 26). Er kwam scheiding tusschen de synagoge der Joden en de gemeente of kerk der christenen, waar Christus erkend werd als het Hoofd der gemeente.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's