MEDITATIE
„En is van Simon gezien". Lukas 24 vers 34b.
PASCHEN
Het verbaast ons niet, maar wij kunnen het zeer goed verklaren, dat de apostelen in hun prediking en in hun brieven voortdurend op het feit der opstanding ons wijzen als op één van de hoofdgebeurtenissen in de geschiedenis des hèils. Hoe ontelbaar vele zijn toch de lichtstralen, die het geloovig hart uit den hof van Jozef van Arimathea tegenkomen. Door Zijn verrijzenis is de Christus krachtig bewezen te zijn de Zoon van God, heeft Hij een heerlijk loon ontvangen voor den arbeid Zijner ziel, waar de Vader Hem uitermate heeft verhoogd en Hem een naam gegeven boven allen naam. Door Zijn verrijzenis heeft de Middelaar als rijken bruidschat aan Zijn Kerk geschonken de bezegeling van de waarachtigheid en zekerheid van haar verzoening met God, want gelijk Hij is overgegeven om onze zonden, zoo is Hij opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Maar wij kunnen het feit der opstanding ook nog van een andere zijde beschouwen. Het brengt niet alleen vreugde en troost aan Gods Kerk in het algemeen, maar het doet zijn kracht gevoelen in het leven van elk persoonlijk geloovige. Het licht van den Paaschmorgen werpt zijn schijnsel ook in de vensteren van de ziel van eiken Zioniet. Hoe treffend kwam dit reeds uit op den dag der heerlijke verrijzenis zelf. Uit ook hierin, - dat de Opgestane Levensvorst niet het allereerst is verschenen aan de elven tezamen, maar aan twee afzonderlijke personen. : onder de vrouwen aan Maria Magdalena, onder de discipelen aan Simon Petrus.
Petrus is gevallen, diep gevallen. Zal Jezus nu niet het woord aan hem vervullen : wie Mij verloochenen zal voor de menschen, dien zal Ik ook verloochenen voor Mijn Vader, Die in de hemelen is ? O, Petrus ziet zich als de verschrikkelijke verloochenaar. Ach! God moet Zijn gena vergeten, nooit meer van ontferming weten — ja. Hij heeft Zijn barmhartigheên, door Zijn gramschap afgesneên. Er is geen hoop meer, er kan geen hoop meer zijn. Zoo heeft Petrus ongetwijfeld die dagen na den dood van zijn Meester doorleefd. Hoogstwaarschijnlijk is hem daarbij ter oore gekomen het gerucht van den gruwelijken zelfmoord van Judas. En dat brengt een nieuwe schok. Want o, hoe klein is de schrede tusschen het verraad van dien discipel en zijn eigen hardnekkige verloochening. Nu blijkt het, hoe waar het woord van Jezus was : Simon, Simon, de satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe. Petrus voelt zich verpletterd door het bewustzijn van zijn schuld, ja, hier is gevaar voor wanhoop, voor onherstelbare vertwijfeling.
Is er voor dit gebroken leven nog hoop ? Ja, want de Heere zegt : Ik woon in de hoogte en in het heilige en bij dien, die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make den geest der nederigen en opdat Ik levend make het hart der verbrijzelden. Hier is zulk een nederige, hier is zulk een verbrijzelde. Hier is in deze bittere tranen de breking van een menschenhart, de droefheid naar God, die een onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid. Er is ook onvruchtbaar berouw, berouw, dat geen berouw is, maar enkel spijt en wrevel om de ellendige gevolgen der zonde. Dat is het berouw van een Ezau en een Judas. Hier is dat echte berouw van den verloren zoon, die geen raad meer met zichzelven weet en tot zichzelven gekomen, zegt: Ik ben niet meer waard Uw kind genaamd te worden en ik kan toch niet buiten U! Dat berouw snikt in het gebroken zuchten van Petrus' ziel, het vloeit voor het aangezicht Gods naar buiten in de bittere tranen. „En als hij nog verre was, zag hem zijn vader en werd met innerlijke ontferming bewogen". Niemand heeft Petrus' zuchten en aanklachten gehoord. Dat is niet voor menschenoog en menschenoor bestemd. Maar hier gaat de gelijkenis van den verloren zoon in vervulling. De hemelsche Vader ziet Zijn verloren zoon wederkeeren. En toeloopende. viel hij hem om zijn hals en kuste hem. Ja, Jezus, in Wien de Vader Zijn groote liefde ons heeft geopenbaard, heeft Zijn gevallen discipel niet vergeten. Deze gegevene des Vaders heeft en houdt een plaats in Zijn ontfermend Middelaarshart, als Hij den bangen uitgang te Jeruzalem gaat volbrengen, veroordeeld, gegeeseld, geslagen, gekruisigd en van God verlaten wordt. Bij Zijn opstanding op den Paaschmorgen is Zijn eerste gedachte aan Petrus.
Reeds moet de engel zóó de opstandingsboodschap aan de vrouwen brengen: „Doch gaat henen, zegt Zijn discipelen en Petrus " En als de Levensvorst Zijn discipelen opzoekt, dan heeft Hij eerst vóór anderen Petrus gezocht: ,,De Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien".
Op den Paaschmorgen gaan de vrouwen uit naar het graf en als dan Maria Magdalena de steen van het graf afgewenteld ziet, denkt zij terstond aan graf roof en snelt naar Petrus en Johannes, om de apostelen te waarschuwen en mannelijke bijstand van hen te verkrijgen, daar zij als vrouw in deze ontzettende omstandigheden krachteloos en machteloos en geheel verlegen staat. En dan treffen we Petrus aan bij Johannes. Gelukkig, Petrus is in goed gezelschap. Dan ijlen beiden naar 't graf en dan lezen we in Johannes 20, dat ze eerst beiden tegelijk loopen, maar dan komt er in dat samengaan een oogenblik, waarop Johannes Petrus vooruitsnelt. Dat is in het leven van Petrus wel de eerste maal, dat hij achteraan komt. Hoe dichter Petrus bij het graf des Heeren komt, des te meer vertraagt hij zijn schreden. Gevoelt ge : Petrus gaat gebukt onder de volle zwaarte van zijn verloochening. Wat is die Petrus dan klein geworden. Wij zien Petrus' berouw in dien tragen stap.
Beiden keeren terug naar huis en dan, even later, komen de vrouwen boodschappen aan Petrus : „De Heere is waarlijk opgestaan". De vrouwen vertellen, dat een engel hun meegedeeld had, dat de Heere opgestaan was en erbij gezegd had : Gaat henen, zegt Zijnen discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galilea. Zegt Zijn discipelen en Petrus. Zegt Zijn discipelen en vergeet vooral Petrus niet. O, Petrus Wordt er apart bijgenoemd. Ben ik daar ook bij, denkt Petrus. Ja zeker. Petrus, de eerste gedachte van den Opgestanen Heiland is aan u. Petrus. Gij zijt door hem met name genoemd.
Petrus houdt het niet langer uit, hij wordt overstelpt van blijde ontroering. Hij zoekt de eenzaamheid op. En daar in de eenzaamheid, daar ineens helder licht rondom hem, daar is de Heere en de Heere roept hem en Petrus valt aan Zijn voeten en snikt uit zijn bitter berouw over zijn zonde.
Zoo gaat Christus, opgestaan uit de dooden, allereerst uit, om de verlorenen te zoeken. Hij gaat uit tot Petrus, dien hij nog zoo met name gewaarschuwd en die Christus vervloekt had, het uitsprekende : Ik ken dien mensch niet. Petrus had Christus verloochend, maar Christus verloochende Petrus niet, dat kon Hij niet. In Zijn groote lankmoedigheid gaat Hij tot Petrus het eerst onder de discipelen. Menschelijk gesproken, zouden wij verwachten dat de Christus, nu Hij in heerlijkheid was verrezen, indien Hij nog aan Petrus verscheen, zich het laatst aan hem zou hebben geopenbaard. Eenige straf, zoo zouden wij zeggen, moest hij toch wel ondergaan.
Zoo ja, zouden wij zeggen. Maar onze redeneeringen en berekeningen worden hier ten eenenmale omvergeworpen. Christus verschijnt aan dezen ontrouwen discipel het eerst. Christus oordeelt niet, zooals wij menschen zoo geneigd zijn te doen, naar den maatstaf der waardigheid, maar vraagt naar de behoefte. Waar de diepste en schrijnendste behoefte gevonden wordt, daar ijlt Christus allereerst henen, dragend in Zijn verheerlijkte handen den schat van Gods allesvergevende liefde. Tot de kleinen in zichzelf, tot de armen en behoeftigen, snelt Jezus henen. Wie was er thans kleiner en behoeftiger dan juist Petrus ? Zou Christus Petrus vergeten ? Neen, juist Petrus had het zoo dringend noodig, Jezus te ontmoeten en zoo komt Jezus tot hem in de eenzaamheid.
Zie, plotseling staat daar de beminde Meester voor hem, in al den glans Zijner heerlijkheid. Niet meer als de afgetobde Man van Smarten, maar als de Vorst des levens, de Heere der heerlijkheid. Wij zwijgen hier eerbiedig stil en diep, zeer diep prenten wij ons in de ziel deze openbaring van Gods allesvergevende liefde, van onpeilbare genade, van goddelijk mededoogen: de Levensvorst met Simon Petrus alleen. Daar wordt de rust gesmaakt onder de vleugelen van Gods ontferming, daar wordt aan Petrus de verzekering eener volkomene schuldvergiffenis geschonken en door hem met gebogen hoofd en beschaamd aangezicht aanvaard. Daar worden de psalmen der verlossing geboren:
Loof Hem, die u al wat gij hebt Hoeveel het zij, genadig wil misdreven. vergeven.
Zoo ging het Petrus en zoo gaat het allen, die, gelijk hij, in de schuld vielen voor God en om genade leerden smeeken. Dat is altijd zoo de weg: door berouw tot de schuldvergiffenis, alleen door de onrust heen tot de rust, alleen door den onvrede tot den vrede. Alleen stervende aan onszelf vinden wij het leven. Zoo valt er toch iets te zeggen over de ontmoeting van den Levensvorst met Petrus, omdat dit altijd deze weg is : De offeranden Gods zijn een gebroken geest, een gebroken en verslagen hart zult Gij, o God, niet verachten. Als Petrus den Heiland ziet, dan valt hij aan Zijn voeten en snikt het uit:
'k Wil mijn misdaan, die U tergen. Niet verbergen, ik bedek voor U die niet. 'k Ben vanwege al mijn zonden, Die mij wonden, Vol van kommer en verdriet.
Het eerste is zelfaanklacht, zelfmishagen. Het eerste is : een doode te zijn bij den Levensvorst. Misschien zeide Jezus wel allereerst tot Petrus : Vrede zij u, om hem gerust te stellen. „Vrede zij u", dat zegt Hij immers bij vele van Zijn verschijningen. Vrede, dat is het eerste woord, dat van den Opgestane uitgaat. Zie op Mij, het Lam Gods, Petrus, dat de zonden wegneemt. O, nauwelijks heeft Petrus nog woorden kunnen vinden om vergeving af te smeeken, of Jezus heeft hem al zijn schuld kwijtgescholden. Bij God is het vrede en bij. u, Petrus, kan het vrede zijn : uw zonden zijn u vergeven. En als Petrus dan zou zeggen : o Heere, ik ben zoo bang het weer te doen, weer te vallen in mijn boezemzonde, dan klinkt het uit Jezus' mond : Zie op Mij, den Levensvorst, levenskracht en leven geef Ik u ; Ik, Die den dood overwon. Jezus vindt die diepe, oprechte verslagenheid bij Petrus en deelt als de Vorst des levens de vruchten uit van Zijn kruis : Sta op, uw zonden zijn u vergeven, Petrus. De Heiland mag bij Petrus de eerste schooven dragen in de schuur. Petrus' zielenood is voorbij. Hij heeft genade verkregen. Daar, in de eenzaamheid is rust, vrede en zaligheid gekomen in Petrus' ziel.
Als gij innerlijk ontrust zijt, zoek daarvoor dan geen genezing in de verstrooiing der wereld of in edelen arbeid. Genezing is alleen te vinden in de eenzaamheid, in de binnenkamer, achter de gesloten deuren, als gij daar God om genade smeekt. Petrus heeft genade verkregen en wordt dan weggezonden naar de discipelen. Hij was door 's Heeren hand versterkt en opgericht en mag nu op zijn beurt de bedrukte jongeren versterken door hun de boodschap van de opstanding te brengen. De discipelen hadden die blijde tijding reeds uit den mond van Maria Magdalena gehoord, maar zij geloofden haar niet. Zij hadden bovendien van de vrouwen het wonder vernomen, maar haar taal leek hun ijdel geklap. Maar als nu Petrus tot hen komt, niet meer radeloos en wanhopig, maar met blinkend aangezicht, om hun dezelfde blijmare te verkondigen, dan zijn de moedelooze mannen terstond overtuigd, dat Christus leeft, ja, die overtuiging is zoo diep, dat zij den Emmaüsgangers toeroepen : De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien. Nu de Heere Simon verschenen is, moet de twijfel zwijgen. De vrouwen krijgen gelijk. Petrus' woorden wekken geloof. Bij Petrus is de bange zielenood, de crisis voorbij; hij is dezelfde niet meer als gisteren en eergisteren. Zijn gelaat en houding en stem zijn weer anders dan gisteren en hijzelf is een nieuw, een heel nieuw mensch geworden. De crisis is voorbij. Zoo heeft de Levensvorst hem gemaakt. Hij komt tot de gebrokenen van hart, gelijk Petrus. Daarhenen gaat Hij het eerst, omdat Hij daar het meest noodig is. Gelooft gij, dat Christus zoo is ? Zegt uw hart u : Ja, zoo is mijn Heiland; den doode brengt Hij tot het leven. Mij, doode, mij, arm en verloren zondaar, gaf Hij het leven.
Petrus heeft in die bange dagen veel geleerd. Hij heeft geleerd wat het beteekent: te sterven aan zichzelven; hij heeft geleerd wat ootmoed was. Daarom kon hij later in één zijner zendbrieven zoo dringend aan zijn lezers schrijven : Zijt met de ootmoedigheid bekleed, want God wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade. O, heb toch kleine gedachten van uzelf. In Petrus komt telkens zoo duidelijk uit, hoe gevaarlijk het is, om te steunen op eigen kracht. Door zeer diepe wegen en ten koste van smartelijke ervaringen heeft hij moeten leeren, dat het kind Gods niet in eigen kracht, maar door genade alleen sterk staat. Daar is niemand ter wereld, die hem zooveel verdriet heeft berokkend en zooveel schade toegebracht als hijzelf. Maar Petrus staat daarin toch volstrekt niet alleen. Daal eens af in uw eigen zieleleven, dan komt ge tot de ervaring, dat zoo dikwijls uw hart spreekt, gelijk het zijne: dit of dat zal mij nooit overkomen! tot zulk een boosheid ben ik niet in staat. Maar de oogenblikken, waarin wij zoo ons uitspreken, zijn de zwakste en gevaarlijkste in ons leven. De diepe val van een Petrus, die natuurlijk niet buiten het bestuur Gods is omgegaan, had dan ook geen andere bedoeling dan om Petrus aan zichzelven te ontdekken. Daar moet iets in hem verlevendigd, daar moet iets in hem verdiept worden, dat maar al te dikwijls sluimerde : zijn mishagen aan zichzelven.
Luther moet eens hebben gezegd in de echte, forsche Luthertaal: Als ik Petrus zou moeten schilderen, dan zou ik schrijven op elk haar van zijn hoofd: vergeving der zonden, vergeving der zonden. Ja, daar is vergeving der zonden voor arme, verloren zondaars. Ach, zoo menigeen durft dikwijls niet tot Christus gaan. Zoo menigeen roept, lettend op eigen diepe verdorvenheid : Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak inkomt. Zoo spreekt elk, die iets kent van het waarachtig mishagen aan zichzelf, dat den apostel Paulus deed belijden : ik weet dat in men, dat is in mijn vleesch, geen goed woont. Maar nu is juist dit het eigenaardige, dat juist, wanneer wij onszelven mishagen, Christus een welbehagen in ons vindt. Wij meenen, dat onze schandelijke onreinheid den heiligen Koning, den Levensvorst, zich van ons doet keeren, dat onze zware schuld Zijn hart voor ons sluit. En dan verstaan wij niet, dat zonden, die wij elkander en onszelven niet kunnen vergeven, door Hem zouden kunnen worden uitgewischt. Doch ziet nu op Petrus ! Hij heeft letterlijk niets overgehouden, ja, hij is een gebroken man, een toonbeeld van de ellende, waarin iemand vervalt, die voor een tijd door de genade wordt losgelaten.
Hij heeft den lijdensbeker van zijn Meester door zijn diepzondig bederf nog bitterder gemaakt, want meer pijn dan haat van openbare vijanden, doet de ontrouw van oprechte vrienden. Zoo heeft hij niets meer om op te pleiten. Het: ,,Heere, ik zal dit" en „Heere ik zal dat", waarin hij vroeger zoo sterk was, is nu verstomd, volkomen verstomd. Doch nu is hij juist, waar hij zijn moet. Nu, in den ernst van zijn onvoorwaardelijk berouw, is hij een geschikt voorwerp, waarin de verhoogde Middelaar de kracht en den rijkdom Zijner genade kan openbaren. Nu mag hij opstaan, getroost, bemoedigd, versterkt.. Maar dan heeft hij de les geleerd, dat alleen Gods genade hem tot Petrus, tot rotsman maakt en dat hij, waar die genade hem slechts een oogenblik verlaat, gelijk is aan de baren der zee, die van den wind herwaarts en derwaarts bewogen, tegen de rotsen breken moeten.
Ge zijt nooit te slecht voor Hem. Juist zondaren als Petrus neemt Hij in genade aan. De Verrezene zoekt de vrucht van den arbeid Zijner ziel. Petrus is de eerste op den opstandingsdag en daarna volgde een groote schare, die in Hem hun Zaligmaker, gelijk Petrus, vonden. Zijt ge één uit die schare ? Rijze dan de bede bij u op : O Heere, leer mij, mijzelven te verloochenen geheel en al. Leer mij te breken met alle ijdel zelfvertrouwen. Leer mij te steunen op Uw genade alleen, gelijk Gij dat Petrus geleerd hebt.
Och, Heer, geef thans Uw zegeningen, Och, Heer, geef heil op dezen dag. Och, dat men op deez' eerstelingen Een rijke oogst van voorspoed zag.
Vinkeveen,
G.den Duijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's