WAT CALVIJN ONS LEERT
De hoogste Profeet en Leeraar.
Christus is ons gegeven tot den hoogsten Profeet en Leeraar, tot een eenigen Hoogepriester en tot een eeuwigen Koning. Ziedaar het drievuldig ambt van den Middelaar.
Daarom is Hij Christus dat is Gezalfde genaamd. De Vader heeft Hem tot deze drievuldige waardigheid gezalfd.
Onder de Wet werden Profeten, Priesters en Koningen met heilige zalfolie gezalfd tot het ambt.
Caivijn merkt op, dat Christus vooral ten aanzien van Zijn Koninkrijk Gezalfde wordt genaamd, maar wil dezen titel toch ook niet loslaten voor de Profetische en Priesterlijke waardigheid.
Jesaja 61 : 1 spreekt van de profetische zalving : De Geest des Heeren is op mij, omdat de Heere Mij gezalfd heeft om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen, Hij heeft mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om den gevangenen vrijheid uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis. Om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren etc.
Zoo werd Hij dus gezalfd om een Verkondiger te zijn van de genade des Vaders.
Deze zalving heeft Christus niet alleen voor zich zelven ontvangen om het leeraarsambt te bedienen, maar ook voor Zijn gansche lichaam d.i. de kerk, opdat de kracht van Zijn Geest bestendig zou zijn over de prediking van het Evangelie.
Voorts is de verschijning van dezen hoogsten Profeet en Leeraar ook het einde van alle Profeten, m.a.w. Het Evangelie is de waarachtige en genoegzame leer en behoeft geen aanvulling van vreemde stukken.
Dit voorrecht van den Christus boven alle profeten wordt bijzonderlijk gemeld door de stem uit den Hemel: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem. {Matth. 3 : 17).
De uitbreiding dezer zalving tot het lichaam des Heeren wordt gemeld: Joel 2 : 28 : Uw zonen en uw dochteren zullen profeteer en, uw jongelingen zullen gezichten zien.
Paulus zegt, dat Hij ons is gegeven tot wijsheid en dat in Hem alle de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn. (1 Cor. 1 : 30; Col 2 : 3).
Deze plaatsen ziet Calvijn een weinig anders. Zij bedoelen niet zoozeer de kracht des Geestes over Christus lichaam dan wel de buitengewone verhevenheid van Christus' grootheid te schetsen en dat buiten Hem geen kennis gevonden wordt. Zij, die Hem leeren kennen en omhelzen, omvatten in Hem de schatten der hemelsche wijsheid.
Vandaar dan ook Paulus woord in 1 Cor. 2:2: Ik heb niet voorgenomen onder u iets anders te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd.
De eeuwige Koning.
Wat het Koninkrijk van Christus aangaat, wijst Calvijn er in de eerste plaats uitdrukkelijk op, dat de natuur van het Koninkrijk geestelijk is.
Daaruit immers kan worden afgeleid, waartoe het dient, wat het ons toebrengt, mitsgaders Zijn kracht en eeuwigheid.
Daniël teekent de eeuwigheid van Zijn Koninkrijk (2 : 44) en in Lucas I wordt die eeuwigheid toegepast op de zaligheid des volks.
Caivijn wil deze tweeledig verstaan hebben. Eenerzijds ziet de eeuwigheid op het lichaam der kerk, anderzijds op de leden van Christus' lichaam bijzonder.
In den eersten zin verstaat hij Psalm 89: Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn en Zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon, enz.
God belooft daarin, dat Hij door de hand van Zijn Zoon in eeuwigheid Zijn Kerk zal regeeren en beschermen.
Datzelfde ziet Calvijn ook in Jesaja 53 VS. 8 : Wie zal Zijn leeftijd uitspreken.
Telkens wanneer de eeuwigheid van Christus wordt betuigd zal men gedenken, dat daardoor de eeuwigheid van de kerk wordt bevestigd.
In dit verband wijst hij ook nog op Psalm 2.
Op zich zelf laat zich deze nadruk verklaren uit de verdrukking van de kerk in de dagen van Calvijn.
Hij wijst dus op de beloften Gods voor Zijn Kerk en op haar onuitroeibare toekomst in Christus Jezus, die Zijn Kerk in stand houdt. Het bekende lied van Luther: „Een vaste burcht is onze God", vertolkt dezelfde behoefte aan troost en vastigheid.
Zonder eenigen twijfel heeft Calvijn ook terecht op het eeuwig welzijn van Gods Kerk de aandacht gevestigd, gelijk de eeuwigheid van den Koning stellig ook op de eeuwigheid van Zijn Kerk ziet.
Het gaat niet over de eeuwigheid Zijner Godheid, maar over de eeuwigheid van Zijn koningsschap en heerschappij. Er wordt dus een betrekking gelegd tusschen Christus en Zijn Kerk.
Over dit punt behoeft geen verschil te zijn.
Wel doet zich de vraag voor, hoe Calvijn dit verband in overeenstemming denkt met de in het voorafgaande uitgesproken meening, dat alles wat met het Middelaarsschap saamhangt toch weer een zeker tijdelijk karakter draagt. Immers als God alles zal zijn in allen, zal de vereeniging met God een ander karakter dragen.
Daaruit zou men dus nemen, dat Calvijn aan een opheffing van het Middelaarsschap heeft gedacht. De zoo even genoemde uitspraak over de eeuwigheid van Christus' heerschappij schijnt dat niet te bevestigen, al zal de voleindiging van het werk der verzoening veranderingen brengen.
Hij gewaagt ook van het onveranderlijk besluit Gods, waardoor Hij Zijn Zoon tot eeuwigen Koning heeft gezet.
En toch zal zoo straks blijken, dat hij aan een voleindiging van het Middelaarsambt voor de Kerk denkt.
Aangaande de eeuwigheid, voor zooveel deze betrekking heeft op de leden van Christus' lichaam, deze wil Calvijn als een vermaning tot en versterking van de hope van een gelukzalige onsterfelijkheid zien.
Al het aardsche is tijdelijk en vergankelijk, maar het eeuwig Koninkrijk van Christus is geestelijk.
Wat zou het ons baten, zoo vraagt Calvijn, onder de heerschappij van den hemelschen koning te zijn, indien wij geen andere vrucht dan naar den stand van dit aardsche leven mochten verwachten ?
De gelukzaligheid ons in Christus beloofd, is niet gelegen in uiterlijke voordeelen, maar in het hemelsche leven.
In deze wereld bestaat een voorspoedige en gewenschte toestand des volks in overvloed van goederen en binnenlandschen vrede, maar ook in krachtige hulpmiddelen tot bescherming des volks tegen geweld van buiten.
Alzoo verrijkt ook Christus de Zijnen met alle dingen, die tot de zaligheid der ziel noodig zijn en versterkt hen met kracht, waardoor zij onoverwinnelijk blijven staan tegen de stormen van geestelijke vijanden.
Christus is meer om onzentwil dan om Zijnentwil Koning, zoowel naar het inwendige als naar het uitwendige, opdat wij met de gaven des Geestes van welke wij van nature ontbloot zijn, zouden vervuld worden naar de mate, die Gode welbehagelijk is.
Uit die vruchten kunnen wij gevoelen, dat wij waarlijk met God vereenigd zijn tot gelukzaligheid.
Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijken schijn, dewijl het binnen in ons is. (Luc. 17, 20, 21). Want 't Koninkrijk Gods is niet spijs en drank, maar rechtvaardigheid, vrede en blijdschap door den Heiligen Geest. (Rom. 14, 17).
Zoo is het geen aardsch Rijk, dat aan het verderf is onderworpen, maar geestelijk, hetwelk onze harten optrekt naar het eeuwige leven, opdat wij de aardsche rampen en tegenspoeden, honger, koude, verachting, schande en zwarigheden, met geduld en lijdzaamheid zouden dragen. Wetende en daarmede tevreden zijnde, dat onze Koning ons nimmermeer zal verlaten, maar onzen gebrekkelijkheden te hulp zal komen, totdat wij onzen strijd volstreden hebben en tot de zegepraal worden opgeroepen.
Hij zal ons immers deel geven aan alles, wat Hij van Zijn Vader ontvangen heeft. Hij zal ons wapenen met Zijn macht, versieren met eer en heerlijkheid, verrijken met Zijn schatten en geeft ons een overvloedige oorzaak tot roem en vertrouwen, opdat wij onversaagd tegen den duivel, de zonde en den dood strijden mogen.
Zoo wil Hij ons met Zijn gerechtigheid bekleeden, opdat wij allerlei smaadheden zouden dragen, en vervult ons met Zijn gaven, opdat wij ter Zijner eere vruchten zouden voortbrengen.
De zalving des Konings.
Zijn zalving is niet geschied met uiterlijke zalfolie. Maar Hij wordt de Gezalfde Gods genaamd, omdat de Geest der wijsheid, des verstands, des raads, der sterkte en der vreeze Gods op Hem rustte. (Jesaja 11:2). Dat is de vreugdeolie, waarmede Hij gezalfd is boven Zijn medegenooten. (Ps 45 : 8).
Hij is niet rijk geworden voor zichzelf, maar opdat Hij Zijn overvloed in de hongerige en dorstige zielen zou uitstorten: De Vader heeft Hem medegedeeld den Geest niet met mate en uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen genade voor genade. (Joh. 1 : 16). Uit deze fontein vloeit den geloovigen de verscheidenheid der gaven toe naar de mate der gave van Christus.
Van deze zalving werd een zichtbaar teeken gezien bij den Doop van Christus, toen de Geest in de gedaante van een duif op Hem rustte.
Door dien Geest worden wij levend gemaakt en versterkt. En daar is geen kracht, inzonderheid belangende het hemelsche leven, die ons niet door dien Geest wordt ingedruppeld, welke in Christus Zijn zetel heeft.
Calvijn brengt hiermede den naam Christenen in verband, welke hij opvat als gezalfden.
Daaraan knoopt Calvijn voorts een opmerking vast, die antwoord geeft op de vraag, welke wij zoo even hebben opgeworpen, n.l. aangaande de eeuwigheid van Christus' Koningschap in verband met 1 Cor. 15 : 24 en 28) „Dan zal ook de Zoon zelve onderworpen worden, opdat God zij alles in allen.
Inderdaad blijkt, dat Calvijn het Middelaarsschap niet verder uitstrekt, dan zoolang wij van God uitwonen. Alzoo is Christus, zoolang wij van God uitwonen, de Middelaar om ons allengskens tot de volmaakte gemeenschap met God te brengen.
Christus is de Gezant des Vaders, en als zoodanig is Hem alle macht des Rijks toebetrouwd. God wil door Zijn tusschenkomst de Kerk regeeren en beschermen." Hij is gezet aan de rechterhand des Vaders, opdat Hij het Hoofd der Kerk zou zijn. (Efeze 1 : 20 en 22).
In de voleinding zoo leert Calvijn zal God door Zichzelf het eenige Hoofd der Kerk zijn, omdat het ambt van Christus in de bescherming der Kerk dan volbracht zal wezen.
Hij heeft den Persoon eens Middelaars aangenomen, opdat Hij uit den schoot des Vaders en uit Zijn onbegrijpelijke heerlijkheid nederdalende, tot ons naderen zou.
Met dat al is Calvijns verklaring niet duidelijk en voor zoover duidelijk niet bevredigend. Weliswaar spreekt, hij alleen over de Middelaarsbetrekking tot de Kerk en niet b.v. tot de schepping als geheel. Hij gewaagt telkens van een vereeniging van den Vader en de gemeente der uitverkorenen. Deze is door het werk van den Middelaar tot stand gebracht, maar zal zij zonder "den Middelaar onderhouden worden ?
Beteekent de onderwerping van den Zoon aan den Vader, dat Hij ook ophoudt een Middelaar te zijn ?
Intusschen is het van veel meer belang, waartoe ook Calvijn ons vermaant, dat wij dezen Koning de gehoorzaamheid en de eere brengen, die Hem toekomt, en dat wij bedenken, hoe Hij ook tot den Rechter is gesteld, die de wereld zal richten in het laatste oordeel.
Dit mag als het laatste stuk Zijner regeering worden geteekend, zoo besluit
Calvijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's