De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

20 minuten leestijd

NAAR UTRECHT!
Net hebben we de radio afgezet. We hebben geluisterd naar het woord, door Z.Exc. dr. Colijn, onzen eminenten Minister-President, op vaderlijke wijze gesproken tot ons volk. Neen, wij gelooven ook niet dat er eenig direct gevaar dreigt. Onze verhoudingen met onze genabuurde volken en regeeringen is, dank zij de voorbeeldige regeering van onze Geliefde Vorstin en het verstandig beleid van de raadslieden der Kroon, goed ; uitnemend zelfs. Waartusschen anderen natuurlijk wel eens willen stoken, zooals er menschen zijn, die altijd, nacht en dag, niets liever doen dan kwaad spreken en kwaad stoken. Ze staan er mee op en ze gaan er mee naar bed. Verschrikkelijke menschen, die voor zichzelf een plaag zijn en voor anderen een kwelling. Maar — gelukkig staat het met ons land, dank zij Gods goedheid en der regeering wijs beleid, goed. Evenwel — er is „latent gevaar". Donkere wolken pakken zich gedurig saam aan den altijd onheilspellenden horizont. En daarom — ja, wij zetten wel boven dit stukje : „Naar Utrecht !" — Maar wie weet, wat de volgende week brengen zal. Nu reeds zijn onze zonen en broeders, jonge mannen en vaders gemobiliseerd. Zuiver als voorzorgsmaatregel ; gelukkig. Zonder dat er eenig direct gevaar dreigt. Maar... de tijden zijn boos. De wereld is vol beroering. Haat en nijd en afgunst vervullen de lucht en bederven de goede onderlinge verhoudingen. De een vertrouwt den ander niet. En de verwarring en de ellende wordt met den dag grooter. Staan we aan den vooravond van den dag, dat de hel zal losbreken over Europa, over heel de wereld ? Dat de volkeren in een diepen afgrond, in een bodemlooze zee van ellende zullen neerstorten ? Waarbij men zweert en blijft zweren bij eigen „resoluutheid en kracht". Och, arme. We denken met groote weemoed aan de dagen van Augustus 1914
Gelukkig, dat we weten en gelooven mogen : de Heere regeert. Ook dr. Colijn mocht het ons volk nog weer eens toeroepen ; opdat, we tot Hem onze toevlucht zouden nemen en op Hem ons betrouwen stellen ; intusschen onze plicht doende, onze roeping vervullende, ons werk voortzettend.
Indien het dan Gode behaagt, gaan we Donderdag 20 April a.s. naar Utrecht, ter vergadering. Zij 't in Gods gunst ; om te mogen ervaren Zijn hulp en bijstand ; Zijn zegeningen en gunstbewijzen.
„Behoud, o Heere, Uw werk, in het midden der jaren", is onze bede. En we nemen de oud-Hollandsche spreuk over : ,,Bewaart de vesting, versterkt de kracht".

DE KINDERDOOP
Prof. Dr Karl Barth. Het boek van Ds Woelderink (2)

We zouden hier nu laten volgen wat mannen als dr. Berkouwer in Calvinistisch Weekblad en prof. Grosheide in Noord-Hollandsch Kerkblad in hun bespreking van het boek van ds. Woelderink naar voren brengen, naast hun waardeering, ook hun critiek. Waarbij we nu ook nog zouden kunnen laten volgen wat prof. dr. K. Dijk in De Bazuin in een korte recensie zegt ; waarbij vooral uitkomt dat prof. Dijk onwrikbaar vasthoudt aan de leer van de veronderstelde wedergeboorte, waartegen juist ook in de Gereformeerde Kerken telkens meer bezwaren worden ingebracht, zóó zelfs, dat men wil aandringen op algeheele herroeping van de verklaring van de Synode, te Utrecht gehouden in het jaar 1905. Maar omdat prof. Dijk van voornemen is een artikelenreeks aan het boek van ds. Woelderink te wijden, zullen we de recensie uit De Bazuin nu maar laten rusten.
Dr. Berkouwer schreef zeven artikelen en beëindigt zijn bespreking met waardeering en critiek op de volgende wijze (17 Maart '39):
Het is ongetwijfeld reeds velen opgevallen, dat er in Gereformeerden kring nog al eenig verschil bestaat in de waardeering van Woelderink's boek. Er zijn er, die zijn boek met enthousiasme hebben begroet als een waarlijk historisch-reformatorische belichting van het Doopsformulier en een zuiver Schriftuurlijke visie op den rijkdom van het Verbond en z'n beloften, terwijl anderen hun bedenkingen meenden te moeten inbrengen. Hoe dat verschil in waardeering te verklaren is ?
Een niet te onderschatten factor in de beoordeeling moet gezocht worden in Woelderink's strijd tegen mysticisme en piëtisme. Hij wil tegenover deze stroomingen, die de vastigheid des Verbonds ondergraven, wijzen op de onwankelbare vastheid van het genadeverbond en zijn beloften. En velen hebben op grond hiervan zijn boek geprezen.
Maar ik geloof, dat men op deze wijze aan Woelderink's studie niét ten volle recht laat wedervaren ; en er dreigt daardoor groote verwarring. Want Woelderink wijst heel scherp aan de gevaren van het mysticisme en piëtisme ; belicht de vele gevaren, die het gezonde geloofsleven bedreigen — maar daarmee is de wijze, waarop de strijd tegen die gevaren gevoerd wordt, op zichzelf nog niet gerechtvaardigd. En 't komt aan op de wijze, waarop die gevaren worden gekeerd en bestreden, anders ontkomt men er toch niet aan. We moeten zeker op onze hoede zijn voor subjectivistische interpretatie van onze belijdenisschriften en van het doopsformulier. Maar de strijd in zijn boek heeft Woelderink gebracht op allerlei terreinen, waarop het allerminst noodzakelijk was, de wapens te voeren.
Bij Woelderink ligt de groote bezorgdheid, de angst, dat op de één of andere wijze het mysticisme of piëtisme de poorten van het kerkelijk erf zal binnensluipen. Maar zijn aandacht is dan zóó geconcentreerd op één punt en één vijand, dat het gevaar dreigt, dat vrienden en vijanden niet scherp meer onderscheiden worden. Woelderink 's beschouwingen over het Verbond en z'n beloften vinden haar kracht èn haar zwakheid in de polemiek. En hij, die liet doopsformulier heeft willen plaatsen in het volle licht van de Reformatie en van de Gereform. belijdenisschriften, heeft 't nu niet alléén in dit licht geplaatst.
„We worden door Woelderink's interpretatie van het doopsformulier weer teruggeleid tot hernieuwde bezinning op de reformatorische Verbondsbeschouwing en het is de taak van allen, die Woelderink's.boek bestudeeren, den goeden en zuiveren weg te zoeken".
„Het Roomsch-Katholicisme verwijt den Protestanten, dat ze al spoedig verdeeld geraakt zijn over wat toch allereerst verbinden moest : het testament van Christus : het Avondmaal. Het is inderdaad aangrijpend, dat er hierover zóó veel verschil bestaat. Maar dat geldt niet minder van het Verbond Gods. Ieder die er van spreekt of er over schrijft, getuigt van den wonderen rijkdom van het Verbond des Heeren met Zijn volk en van de schatten, die daarin liggen besloten.
En toch rijst rondom de belijdenis van het Verbond telkens weer de discussie, ook in onzen tijd. Maar dat mag ons niet moedeloos maken. Het kan ons slechts prikkelen om voort te gaan in het onderzoek van dezen „rijkdom", ons door de Heilige Schrift geopenbaard, opdat we niet dwars door de discussies heen van dezen rijkdom vervreemden !"
Prof. Grosheide schrijft in N.-Hollandsch Kerkblad :
„Het is niet zoo eenvoudig, iets over dit boek te schrijven. Aan den éenen kant is veel goeds te zeggen. Ds. Woelderink betoont zich een goed geschoold theoloog. Hij schrijft teeder, met gevoel. Ieder merkt, dat de schrijver met heel zijn ziel achter zijn boek staat. Hij nam de pen op voor de eere Gods en het heil van Zijn volk. Ik moet ook de groote eerlijkheid van ds. Woelderink roemen. Hij haalt niet naar zich toe. Er zijn Gereformeerde belijdenisschriften, waarmede ds. Woelderink 't niet eens is. Daar komt hij rond voor uit en probeert niet het verschil weg te redeneeren. Alles dingen, die te prijzen zijn.
Maar nu moet ik helaas op een keerzijde wijzen.
Ds. Woelderink komt voor 't groote vraagstuk te staan van verkiezing en verbond.
En in plaats van te erkennen, dat dit vraagstuk voor menschen niet op te lossen is en te erkennen, dat hier twee zijden zijn, die we beide moeten vasthouden, verklaart ds. Woelderink alle redeneeren op grond van de verkiezing voor te verwerpen speculatie en wil hij redeneeren alleen op grond van het verbond.
Dat acht ik in de eerste plaats in strijd met de Schrift.
Als Paulus, Efeze 1 vers 11, schrijft : gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem voor de grondlegging der wereld, dan staat daar, geredeneerd op de wijze, waarop ds. W. over het verbond schrijft, dat alle leden der gemeente hoofd voor hoofd uitverkoren zijn. En in de tweede plaats acht ik het gevaarlijk, te redeneeren, zooals ds. W. doet, voor de practijk van het geestelijk leven, omdat het gevaar gaat dreigen, dat de kinderen Gods niet zullen leeren roemen in de onveranderlijke verkiezing, vgl. 1 Thess. 1 vers 4.
En theologisch acht ik de wijze van betoog in dit boek gevaarlijk, omdat alle theologie, die den eenen factor der Schrift verwaarloost, in den grond der zaak het redeneeren stelt, waar het geloof moest doen zwijgen en aan haar eigen eenzijdigheid dreigt te gronde te gaan.
Ds. Woelderink gaf ons 'n belangrijk boek, waaruit veel te leeren valt en waarover ik nog veel meer zou kunnen schrijven, had ik meer ruimte.
Nog deze éene opmerking : men kan den schrijver toegeven, dat in de eerste periode der Hervorming meer het spontane geloof heeft gesproken en dat later de redeneering is gekomen.
Maar is het niet altijd zoo, dat na de eerste bloeiperiode de vragen over de bijzonderheden komen en dat die ook moeten worden beantwoord ? Toen de Catechismus niet voldoende bleek, moesten de Dordtsche leerregels komen en het is gelukkig, dat ze gekomen zijn.
We hopen, dat onze predikanten dit boek ernstig zullen bestudeeren, maar dan zóó, dat zij het vergelijken met andere litteratuur, in de eerste plaats met Schrift en belijdenis. Dan kan het boek nut verspreiden".
We moeten dus aan de studie. Want er valt over deze dingen nog wel iets te zeggen. Ook over dingen, waarover reeds honderden jaren geschreven is. Denk b.v. aan de woorden „in Christus geheiligd".
Bovendien weten we, dat we altijd dreigen éénzijdig te worden ; en daarvoor moeten we dan heel ernstig waken.
Erger nog is, als „kwaad ons rijdier is".
Dan komen we heelemaal in de sloot terecht en de waarheid wordt er niet mee gediend.

PROF. K. SCHILDER en PROF. K. BARTH
In „De Bazuin" schrijft prof. dr. K. Dijk over prof. Schilder, die in Amerika z'n rondreis maakt en over prof. Barth, die een tournee maakte aan de verschillende Universiteiten in Nederland en d^e ook de Theologische School te Kampen opzocht en daar sprak voor de studenten der Gereform. Kerken. Blijkbaar „zit" men een beetje met dat laatste, en bleef dat bezoek niet zonder kritiek, waarom prof. Dijk daarover dan schrijft, om het ietwat „uit de doekjes" te doen ter verklaring en vergelijking.
„Wanneer ik" — aldus prof. Dijk — „deze twee mannen in één verband noem, doe ik dit zeker niet, omdat dit verband een gemeenschap van geesteseenheid zou beteekenen. Wie den strijd der geesten kent weet, dat deze beide mannen diametraal tegenover elkaar staan en Barth in zijn dialectische „theologie" door niemand zóó fundamenteel is beoordeeld en veroordeeld als door Schilder. Toen in ons land veler oogen nog ongeopend waren voor het gevaar der Barthiaansche dualismen, heeft Schilder reeds gewaarschuwd en geworsteld, zooals hij met onstuimige liefde voor de waarheid worstelen kan". „Barth is dan ook, dit kan ik enkele bezorgde naturen verzekeren, niet naar Kampen gekomen en niet in Kampen ontvangen als een, die om zijn verlossend woord met vreugde kon begroet worden ; hij heeft alleen op zijn tournee door ons Vaderland ons studenten-corps miet overgeslagen, omdat ook dit corps meewerkt in de federatie van de theologische faculteiten".
Hier schijnt het (we willen het tusschen haakjes even opmerken) alsof de reis vat prof. Barth naar Kampen van den professor is uitgegaan ; terwijl wij dachten — en meenen te weten — dat de uitnoodiging van de studenten is uitgegaan ; die Barth ook wel eens wilden zien en hooren !
„Zoo is Schilder naar Amerika gegaan, en Barth in Nederland gekomen. Zoo heeft Schilder zijn stem in de nieuwe wereld doen hooren en Barth gesproken in het oude Holland.
Zoo is daar geluisterd naar den „brilliant" professor uit Kampen en hier naar den beroemden hoogleeraar uit Bazel.
„En, dit scherpe verschil mag ik" — aldus prof. Dijk — „nu wel stellen, zoo is daar gehoord de verdediging van de Gereformeerde waarheid in overeenstemming met de nooden van dezen tijd en hier de oppositie niet alleen tegen de Gereformeerde belijdenis, maar zelfs tegen het christelijk leerstuk van den Kinderdoop, die door alle eeuwen in de Christelijke Kerk gezien is als een instelling van Christus.
Schilder, de Gereformeerde, en Barth, de Doopersche.
Ik schroom niet, deze laatste kwalificatie te gebruiken. In heel zijn theologie is dit doopersch dualisme te merken. Het komt uit in zijn distantie-leer en in zijn contrasten tusschen het verticale en het horizontale vlak ; het openbaart zich in zijn opvatting van het Koninkrijk der hemelen en van onze christelijke roeping ; het zit in zijn onzuivere Godsidee en zijn genadebegrip en het is nu heel sterk aan den dag getreden in zijn bezwaren tegen den Kinderdoop. Maar in een theologie, waarin voor het verbond geen plaats is, kan de leer van den Kinderdoop zich ook niet handhaven".
Prof. Schilder is dus blijkbaar, volgens prof. Dijk, de Gereformeerde dogmaticus in de Gereformeerde Kerken. Maar wij meenen toch de laatste jaren wel eens gehoord te hebben van een brochuren-reeks, waarin gehandeld wordt over deformatie in het midden van de Gereformeerde Kerken. Of hebben we dat zoo heelemaal mis ? ....
Nog even doorgaande met het onderwerpprof. Barth, schrijft prof. Dijk dan verder :
„Barth heeft zich ook op verschillende plaatsen uitgelaten over de christelijke vereenigingen en onze christelijke actie, en zijn beweringen kwamen hierop neer, dat van een christelijke organisatie, zooals wij die kennen, geen sprake kan wezen. Hoe zal de zondige mensch, die met al zijn werk onder het oordeel staat, in dit horizontale vlak' christelijke politiek enz. kunnen voeren ? En hoe kan hij, de nietige, tegenover God, den gansch-Andere, medewerken tot bevordering van de komst van Zijn Koninkrijk ? "
„Dit standpunt was wel niet nieuw voor ons, maar het is goed, dat Barth het nog eens duidelijk uitgesproken heeft, omdat ons nu opnieuw gebleken is, hoeveel gevaar er in zijn optreden schuilt. Krijgt hij gelijk, dan is het met heel onze christelijke actie gedaan ; dan kunnen we onze Scholen met den Bijbel wel sluiten ; onze christelijke politiek wel laten varen ; onze christelijk-sociale actie prijs geven, en dan blijft er alleen over een algemeene activiteit, die de gelijkschakeling ten goede komt".
Tegelijk, dat we bovenstaand lazen in „De Bazuin", lazen we 't geen dr. J. Ch. Kromsigt van Rinsumageest schrijft in het Hervormd weekblad „De Gereform. Kerk", over Barth, naar aanleiding van zijn optreden in Groningen, waar hij sprak over de „Souveranitat des Wortes Gottes in der Entscheidung des Glaubens", over „de Souvereiniteit van het Woord Gods in de beslissing des geloofs".
Dr. Kromsigt doet voorloopig slechts enkele vragen, als : is Barth noch Calvinist, noch Lutheraan, maar een synthese van beiden, en dan meer 't laatste dan het eerste wat betreft zijn beschouwing van de verhouding van Kerk en Staat, van de albeheerschende plaats, toegekend aan de rechtvaardiging uit het geloof en andere punten ? Is hij meer paulinisch dan Paulus zelf, op de manier van Marcion ? Ook wat de verhouding van Ouden Nieuw Testament en van schepping en verlossing betreft ?
Is hij baptist of darbist ? Staat hij in ieder geval dichter bij de Wederdoopers dan bij Calvijn ? Is hij antinomiaan, wetsverwerper ? Verwacht hij in zijn eschatologische prediking alles zóó zeer van de toekomst, dat zijn „troostprediking een narcose brengt, die voor het heden doet berusten in chaotische toestanden ? Verwerpt hij daarom b.v. op ethisch gebied de openbaring van wedergeboorte en nieuw leven in zijn bestrijding van nieuw- Calvinisme eenerzijds en Groepsbeweging anderzijds ?
Is hij deïst ; die in zijn bestrijding van het pantheïsme, dat alleen God in ons kent, vervallen is tot het andere uiterste van het deïsme, dat alleen God boven ons kent, met Wien voor ons schepselen geen of alleen een willekeurig, gedurig onderbroken contact bestaat ?
Dr. Kromsigt, die al deze vragen stelt, wijst ten slotte op de beteekenis van Barth als reactie tegen Schleiermacherianisme, waaraan de ethische theologie voorheen mank ging, ziek van subjectivisme.

De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (15)
Er komt scheiding tusschen de synagoge of vergadering der Joden en de gemeente of kerk als de vergadering der Christenen.
Het woord gemeente komt in onzen Bijbel telkens voor in de beteekenis van de vergadering of gemeenschap der Christ-geloovigen. Het woord kerk, waarschijnlijk afgeleid van een Grieksch woord, dat (huis) „des Heeren" beteekent, maar komt alleen voor in de verbindingswoorden : kerkbewaarster en kerkroover. (Hand. 19 vers 35, 37). De Statenoverzetters gaven ongetwijfeld aan het woord gemeente de voorkeur, omdat deze de vergadering der geloovigen aanduidt in hunne onderlinge gemeenschap, terwijl het woord kerk haar meer doet denken als georganiseerd in een instituut. Maar beide woorden worden toch door elkander gebruikt. In de belijdenisschriften is er voortdurend van kerk sprake : Ned. Gel. bel., art. 27—32 ; Heid. Gat. Zondag 7 en 21. De gemeente van Christus is hier op aarde niet bestaanbaar zonder eene bepaalde organisatie, welke zij dan ook van haar Hoofd, Koning en Heer, ontving ; en de kerk van Christus, ofschoon op bepaalde wijze georganiseerd, is en blijft naar haar wezen altijd eene vergadering van geloovigen. Beide woorden : gemeente en kerk, vormen dus geene tegenstelling, maar bezien dezelfde vergadering van geloovigen van een ander standpunt, en vullen op schoone wijze elkander aan.
Christus laat duidelijk telkens voelen, dal Zijne gemeente de plaats van het volk Israël vervangen zal. Als Hij spreekt van Zijn gemeente, duidt Hij daarmee aan de schare Zijner belijders (Matth. 16- vs. .18 ; 18 vs. 17). Met het woord gemeente vat Hij allen saam, die eenmaal door het woord der apostelen in Hem gelooven zouden. Hij gebruikt het zoo algemeen mogelijk. Maar in overeenstemming met de ontwikkelingsgang der Kerk, krijgt de naam gemeente ook een meer bijzondere beteekenis en wordt zij toegepast op de plaatselijke vergadering der geloovigen, die te Jeruzalem was, enz. (Hand. 2 vs. 47 ; 5 vs. 11 ; 8 vs. 1 ; 11 vs. 22 enz.). Toen door de prediking ook elders vergaderingen van geloovigen ontstonden, werd de naam van gemeente ook op, elk van die plaatselijke vergaderingen toegepast. De gemeente van Jeruzalem was geen genootschap, dat elders af deelingen stichtte, maar de kerk van Christus, die algemeen is, openbaarde zich hoe langer hoe meer van plaats tot plaats, waar de vergaderingen van geloovigen evengoed gemeenten des Heeren zijn als te Jeruzalem of elders.
Zoo is er sprake van de gemeente te Antiochië (Hand. 11 vs. 26 ; 13 vs. 1), van gemeenten in Lystre, Derbe en het omliggende land, in Syrië en Cilicië enz. (Hand. 14 vs. 23 ; 15 vs. 41 enz.) Paulus geeft voortdurend aan elke plaatselijke vergadering van geloovigen, in Rome, Corinthe, Efeze, Filippi, Colosse, enz. den naam van gemeente en spreekt rlienovereenkomstig ook in het meervoud van (ie gemeenten, die in het landschap van Galatië of Judeazijn (Gal. 1 vs. 2, 22). Hierbij bleef het zelfs niet. De geloovigen, die op een bepaalde plaats woonden, kwamen van tijd tot tijd, soms zelfs dagelijks (Hand. 2 vs. 46) en al spoedig geregeld op eiken Zondag (1 Cor. 16 VS. 2) ; Hand. 20 vs. 7 ; Openb. 1 vs. 10) samen ; in het eerst in het huis van een of anderen broeder of zuster, dat daarvoor geschikt was.
(Wordt voortgezet.)

DE OPENBARE SCHOOL ZAL EEN NIEUWE TOEKOMST BRENGEN.
Uit de Statistieken blijkt, dat de Openbare of neutrale Overheidsschool tusschen 1925— '35 voor een zevende part is afgebrokkeld. In 1935 bedroeg bet aantal leerlingen van de Openbare School een derde van het totaal der schoolgaande kinderen in Nederland (32, 5 procent).
Rome heeft op 't oogenblik op de Roomsche Scholen het grootst aantal leerlingen ; waarvan de oorzaak is 'n relatief-wassend kindertal. Men heeft al berekend, dat méér dan de helft der leerlingen van de laagste klassen (dus de kinderen van de laatste jaren !) Roomsch zijn.
Bij de afbrokkeling en aftakeling der Openbare School komt ook telkens de „geestelijke" grondslag ter sprake, vooral in een land als Nederland, met 'n „theologisch" volk, zooals óns volk veelszins is. Dit „geestelijk" beginsel is neergelegd in de formule van Art. 42 der L.O.-wet 1920 : „opleiding der leerlingen tol alle Christelijke en maatschappelijke deugden". Men ziet, dat is nog al wat ! Alle deugden moeten daar geleerd worden, en dan wel alle Christelijke en alle maatschappelijke deugden !
Geen wonder, dat over dien grondslag van opvoeding èn onderwijs (want, ziet men wel, dat de school niet alléén voor onderwijs, maar ook voor opvoeding gebruikt moet worden ? ) telkens weer een woordje valt ; niet alleen onder de „Christelijken", die zeggen, dat zonder Christus van geen Christelijke deugden en zonder Gods Woord van geen Christelijke opvoeding en geen Christelijk onderwijs sprake kan zijn. Hoe zouden „kinderen" bun weg mogen instellen en maken zonder te luisteren naar de stem des , .Vaders" ? Hoe zouden „Christenen" veilig kunnen gaan zonder Christus, die toch zegt : zonder Mij kunt gij niets doen ? Waarom zullen we dan zoo eigenwijs in onzen zondigen weg in betrekking tot het schoolonderwijs volharden ? Wij hebben noodig : Scholen met den Bijbel !
Ook uit den kring van Openbare onderwijzers, die van den Bijbel op School niet willen weten (anders kozen ze toch voor : de School met den Bijbel? ), „zitten" eigenlijk met die omschrijving van den „geestelijken" grondslag der Overheidsschool, volgens Art. 42. De heer Daalder, redacteur van Het Kind, ontwierp onlangs een nieuwe geestelijke basis. Hij formuleerde dezen grondslag aldus (schrik niet !) :
„De Openbare School is een inrichting, die bij haar onderwijs geen voorkeur geeft aan een der bestaande geloofsbelijdenissen of ideologieën. Zij heeft haar eigen eenvoudige, maar onwrikbare en door ieder bij rustige bezinning te aanvaarden grondprincipe : de broederschap aller menschen, onafhankelijk van ras, natie, geloof, ontwikkeling, rang of stand. Zij noemt alles „kwaad", wat menschen van elkaar verwijdert, „goed", wat hen vereenigt. En zij is er van overtuigd, dat deze waarheid ondanks alles wat op het tegendeel schijnt te wijzen, in toenemende mate aan de imenschheid bewust wordt. Het is haar taak, deze broederschap te helpen ontwikkelen".
Men ziet : in deze formuleering van den heer Daalder (tot welk ras of tot welke religie hij behoort, is ons onbekend) zou het woord „Christelijk" uit Artikel 42 L.O.-wet komen te vervallen ; en het zou gaan om „de broederschap aller menschen", met een onafhankelijke moraal inzake goed en kwaad ; kiezend voor het utilistisch standpunt : wat voor den mensch aangenaam lijkt, is goed, wat voor den mensch onaangenaam lijkt, is kwaadl!
Voor een der bestaande geloofsovertuigingen (en wel de „Christelijke") zou niet meer gekozen worden. Elke geloofsovertuiging, van welk ras en van welke natie ook, is evengelijk ; en voorkeur (b. v. voor de „Christelijike") wordt beslist verboden. De neutraliteit tot in het allernegatiefs doorgevoerd. Alleen „de broederschap aller menschen" is het doel en de grondslag van alle schoolopvoeding en onderwijs.
Duidelijk is, dat hier, door de tijdsomstandigheden beïnvloed, gekozen wordt tegen het Nationaal-Socialisme en dat de heer Daalder de Openbare School wil gaan gebruiken tot bestrijding van het Nationaal-Socialisme. En de „Christelijike" deugden kunnen daarbij dan 'blijkbaar wel gemist worden. Waarmee men strijden wil en waarvoor men (positief genomen) strijden wil — wordt niet gezegd ; maar ook zelfs het woord „Christelijke deugden" moet weg.
En — van de bijzondere School gaat men dan verklaren, dat daar geen oog is voor den nood der wereld, voor de ellende des levens, voor den grooten strijd der beginselen ! Dat is alleen maar bij de Openbare School 'het geval. En dan, zooals de nieuwe omschrijving van den „geestelijken" grondslag van die school het aangeeft ! Goed is, wat de mensch goed noemt, kwaad is, wat de mensch kwaad noemt, en verder over geen geloof en belijdenis praten !
Wat is de mensch toch lief en vreedzaam en goed en braaf — in eigen oog ! Als men het maar aan hem overliet, dan zou alles wel terecht komen ! Het zou spoedig een paradijs op aarde zijn ! En de Openbare onderwijzers van het slag van den heer Daalder, die van geen ras en van geen geloof weten willen, zouden de bewoners kunnen zijn van een nieuwe maatschappij, vol liefde en geluk !
Zal men nu nooit wijs worden ?
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's