De Heidelbergsche Catechismus
naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (18)
Groot onderscheid is er derhalve tusschen de deugden der wedergeborenen en der nietwedergeborenen. Want : 1. de goede werken der wedergeborenen geschieden onder voorlichting van het geloof en behagen Gode ; bij de niet-wedergeborenen staat dit anders ; 2. de wedergeborenen doen hunne werken ter eere Gods ; de niet-wedergeborenen en de huichelaars hebben 'Gods eer niet op het oog, maar doen het naar eigen lust en tot eigen eer. 3. de werken der wedergeborenen gaan gepaard met innerlijke gehoorzaamheid en ernstige lust om God te volgen ; de nietwedergeborenen en huichelaars hebben voor het uiterlijke een betamelijke levenswijze, maar de innerlijke gehoorzaamheid wordt gemist. Hun deugden zijn daarom ook geen ware deugden, die uit de vreeze Gods geboren worden en op de eere Gods gericht zijn. Het is slechts een vertoon met een masker. 4. De onvolmaaktheid van de werken der wedergeborenen wordt bedekt door de voldoening van Christus ; de zonde, aan deze werken klevende, wordt hun niet toegerekend, noch hun verweten, dat zij de gaven Gods door hunne zonde bezoedelen. De deugden der niet-wedergeborenen daarentegen, ofschoon op zichzelve goed, zijn en blijven zonden door een bijkomstige omstandigheid en worden door vele andere zonden bezoedeld, zonder dat er behoefte is aan verzoening. 5. De goede werken der niet-wedergeborenén worden door God geëerd alleen met tijdelijke belooningen ; en niet omdat zij Gode welbehagelijk zijn, maar om hen zelven en anderen te noodigcn tot uiterlijke eerbaarheid en ingetogenheid, beide voor het menschelijke geslacht zoo noodig. Dit zijn bewijzen van Gods algemeene goedheid. De werken der vromen daarentegen neemt God door Christus aan en vereert ze met tijdelijke en eeuwige belooningen, gelijk er ook staat : „De godzaligheid is tot alle dingen nut, hebbende de belofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens". (1 Tim. 4 VS. 8). Ten slotte : door de werken, van God bevolen te volbrengen, verkrijgen de wedergeborenen verzachting van straf, zoodat :niet met andere boosdoeners nog zwaardere dingen lijden. De wedergeborenen verkrijgen niet alleen, dat ze minder zwaar lijden, maar ook dat zij volkomen bevrijd worden.
Als men nu zou tegenwerpen : dat het goede bij de niet-wedergeborenen toch zonde is, en dat ze daarom dan ook dat goede maar niet moesten doen, dan is ons antwoord, dat men zeer zeker alles wat van zich zelf zonde is, moet nalaten, maar wat goed is, moet van de zonde gezuiverd worden. Men moet het goede dus niet nalaten, maar het doen, naar het bevel Gods.
De uiterlijke tucht en ingetogenheid ook bij de niet-wedergeborenen zijn zeer noodig, en wel om de volgende vier oorzaken : 1. om het bevel Gods ; 2. om de straffen te vermijden, welke op schending van die tucht volgen ; 3. om den vrede en de menschelijke maatschappij in stand te houden ; 4. opdat de volharding in openbare misdaden den toegang tot de bekeering niet afsnijde.
Zoo is dan het onderscheid tusschen de zonden der wedergeborenen en der niet-wedergeborenen groot. Want zooals boven, voornamelijk bij de tweede onderscheiding gezegd is, bij alle wedergeborenen blijven tot nog toe vele overblijfselen van de zonde, als : 1. de erfzonde ; 2. vele dadelijke zonden : zonden van onkunde, van nalatigheid en van zwakheid ; deze erkennen en betreuren zij zelven, zij strijden er tegen en zoo verliezen zij er een goed geweten en de vergeving der zonden niet door. 3. Sommigen vervallen somtijds tot gronddwalingen of tot zonden tegen het geweten ; om deze zonden verliezen zij een goed geweten en de gaven des Heiligen Geestes, ja bij volharding tot den einde toe, zouden zij hierom veroordeeld worden ; maar zij gaan in deze niet verloren, omdat zij in dit leven zich nog bekeeren.
Het onderscheid, waarin de wedergeborenen, zoo zij zondigen, van 'de goddeloozen verschillen, is drieërlei : 1. bij God is het eeuwige voornemen om de uitverkorenen te zaligen ; 2. bij de wedergeborenen, zoo zij zondigen, komt er tenslotte toch berouw ; 3. als zij vallen, blijft bij hen een zeker zaad van geloof en bekeering over. Dit zaad is soms meerder en sterker en weerstaat de zonde, dat zij niet in gronddwalingen of heerschende zonde vallen ; soms is het minder en meer kwijnend, zoodat 'het overwonnen wordt voor een tijd door de verzoekingen, maar toch werkt het dit uit, dat wie eens waarlijk bekeerd is, niet geheellijk van God afvalt ; zie bij David, Petrus, enz. : Rom. 7 vs. 16 ; Luk. 22 VS. 32 ; 1 Joh. 3 vs. 9 ; 1 Petrus 1 vs. 23 ; Jesaja 42 vs. 3 ; Psalm 37 vs. 24.
Van deze dingen treffen we niets aan bij de niet-wedergeborenen, maar bij hen is alles juist andersom.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's