UIT DE HISTORIE
Luthers verklaring van Paulus' brief aan de Galaten.
Paulus' prediking niet van menschelijken oorsprong; de apostel is geen menschenbehager, maar weet zich dienaar van Christus ; hoofdstuk 1 vers 10—12. (I)
Predik ik nu menschen of God ? Vers 10.
Dit wordt met denzelfden ijver gezegd als het voorgaande. Het is, als wil de apostel betoogen : Ben ik, Paulus, die in de gemeenten openlijk gepredikt heb, dan zoo onbekend ? Zijn mijn scherpe aanvallen en vele schermutselingen tegen de Joden zoo in het verborgen geschied ? Uit mijn redevoeringen en vele kwellingen, die ik doorgestaan héb, is 'och, meen ik, voldoende gebleken, of ik menschen, dan wel God zoek te behagen. Want iedereen ziet, dat ik door mijn prediking mij overal vervolgingen op den hals haal, benevens de grootste en bitterste haat van eigen volk en alle menschen. Ik toon dus genoeg, dat ik door mijn prediking niet de gunst of dcti bijval van menschen zoek, maar de weldaden Gods en Zijn eer op het oog héb, ten einde die te verheerlijken.
Zonder te roemen kan ik zeggen, dal wij met onze leer niet streven naar de gunst van menschen. Want deze houdt in, dat alle menschen van nature Goddeloos zijn : kinderen des toorns. Wij veroordeelen 's menschen vrijen wil, als ook zijn eigen kracht, wijsheid, gerechtigheid en eiken vorm van eigenwilligen Godsdienst. In één woord : Wij zeggen, dat er in ons in het geheel niets is, dat in staat is, om genade en vergeving van zonden te verdienen ; maar wij verkondigen, dat wij deze gaven uitsluitend en alleen verkrijgen kunnen uit loutere barmhartigheid Gods om Christus' wil. De hemelen vertellen Gods eer en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk, terwijl gansch het menschdom en al zijn werken onder den vloek liggen. Een prediking met dergelijken inhoud is waarlijk niet geschikt, om Ibij de menschen en de wereld in de gunst te komen. De wereld kan namelijk niet heftiger en bitterder in toorn ontsteken, dan wanneer haar wijsheid, gerechtigheid, Godsdienst en vermogens veroordeeld worden. Door deze beste en hoogste gaven der wereld te veroordeelen, vleit men haar stellig niet ; veeleer haalt men zich haar haat en noodlot op den hals, gelijk jnen wel spoedig ondervinden zal. Wanneer wij namelijk alle menschen en hun streven, dat oogenschijnlijk heel best is, veroordeelen, dan kan het niet anders, of wij zullen terstond zeer bitteren haat gewaar worden, benevens vervolgingen, uitbanningen, veroordeelingen en den dood te doorstaan hebben.
Wanneer men andere dingen wel weet te onderscheiden, zoo zegt Paulus, — waarom kan men dan niet zien, dat ik Goddelijke en geen menschelijke zaken verkondig ? De oorzaak hiervan ligt in het feit, dat ik met mijn leer geen menschen zoek te behagen, maar Gods barmhartigheid, die ons in Christus geopenbaard is, wensch te verheerlijken. Streefde ik naar de gunst van menschen, dan zou ik al hun eigen werken niet veroordeelen. Want juist doordat ik 's menschen werk veroordeel, dit wil zeggen : doordat ik aan de hand van Gods Woord, wiens dienaar en apostel ik ben, het Goddelijk vonnis uitspreek over alle menschen, zeggende, dat zij zondaren, Goddeloozen, onrechtvaardigen, kinderen des toorns, gevangenen van Satan en dus veroordeeld zijn, en dat zij niet uit de werken gerechtvaardigd kunnen worden, noch door de besnijdenis, maar alleen door de .genade en het geloof in Christus, — juist daarom wek ik bij alle menschen een onverzoenlijken haat op. Want dat zij zoo zijn, willen zij allerminst hoor en ; veeleer wenschen zij als wijs, rechtvaardig en heilig geprezen te worden. Uit dit alles blijkt genoegzaam, dat ik geen dingen leer die „naar den mensch" zijn. Op dezelfde wijze spreekt ook Christus in Johannes 7 vs 7, als Hij zegt : „De wereld kan ulieden niet haten, maar zij haat Mij, omdat Ik van haar betuig, dat haar werken boos zijn". En in Johannes 3 vers 19 : „Dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht ; want hunne werken waren boos". Hieruit, zoo zegt de apostel, kan genoegzaam verstaan worden, dat ik Goddelijke zaken leer ; want ik predik alleen de genade, barmhartigheid, weldaden en eer van God. Wie deze dingen verkondigt, zegt Christus, komt na, wat zijn Heer en Meester hem bevolen heeft, en verheerlijkt niet zich zelf, maar Hem, wiens apostel hij is ; zoo iemand brengt en leert het waarachtige Woord van God. Ik voor mij onderwijs dan ook alleen maar hetgeen mij van Godswege opgedragen is ; ook verheerlijk ik niet mij zelf, maar Hem, die mij gezonden heeft. Bovendien laad ik den toorn en verachting van Joden en heidenen op mij, waaruit blijkt, dat hetgeen ik leer waarachtig, zuiver, zeker en Goddelijk is. Er kan ook geen andere (laat staan een betere) leer zijn, d; ir die, welke ik verkondig. Derhalve moet elke andere leer, welke niet hetzelfde leert als die van mij, namelijk, dat alle menschen zondaars zijn, en alleen door het geloof in Christus gerechtvaardigd kunnen worden, noodzakelijkerwijze valsch, onzeker, Goddeloos, lasterlijk, vervloekt en duivelsch zijn. Dit oordeel treft ook allen, die haar onderwijzen en aannemen. Met Paulus betuigen wij dan ook zeker en gewis, dat alle leer, die van de onze verschilt, vervloekt is. Want wij zoeken door onze prediking geen bijval van menschen of gunst van vorsten, bisschoppen of dergelijke lieden, maar alleen de gunst van God, wiens genade en barmhartigheid wij ook uitsluitend prediken ; alles wat van ons is, vertreden wij met voeten en veroordeelen wij. Wie dus een ander evangelie leert, dat met het onze in strijd is, •— van zoo iemand zeggen wij met vrijmoedigheid, dat hij door den duivel gezonden en dus vervloekt is.
Of zoek ik menschen te behagen ?
Dit wil zeggen : ben ik dienstbaar aan menschen of aan God ? Steeds geeft Paulus de valsche apostelen een zijdelingsche steek. Zij toch, zoo zegt hij, zoeken menschen te behagen en vleien hen ; daardoor hopen zij op hun beurt zich zelf aan hen te verheerlijken. Omdat zij verder geen haat en vervolgingen van menschen verdragen willen, Leeren zij de besnijdenis, ten einde aan een vervolging ter wille van Christus' kruis te ontkomen.
Paulus zegt hier : ik zoek geen menschen te behagen ; ook begeer ik niet, dat zij mijn leer prijzen, en mij als een uitstekend leeraar roemen. Het is mij genoeg, wanneer God een welgevallen in mij heeft. Weliswaar maak ik de menschen hierdoor vijandig ; ik ondervind dat dagelijks ; want zij beloonen mij met smaad, lastering, gevangenis en zwaard. De valsche apostelen daarentegen houden zich op met menschelijke inzettingen, die voor het verstand aangenaam en aannemelijk zijn ; daardoor hebben zij vrede, en verwerven zij de gunst en den bijval des volks ; wat zij nastreven, bereiken zij ; en door iedereen worden zij geprezen en geroemd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's