De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

14 minuten leestijd

DE KINDERDOOP VERBOND EN DOOP
Wij hebben terloops al eens gewezen op de keurige uitgave van het mooie boek van Wormser over den Kinderdoop, door de drukkerij „De Standaard" te Amsterdam verzorgd. (1938). Men weet, dat dè heer J. A. Wormser (de deurwaarder), die eenigen tijd bij de Afgescheidene Kerk behoord heeft en daar zelfs een poosje ouderling is geweest, weer tot de Hervormde Kerk is teruggekeerd en ons zijn buitengewoon mooi boek heeft gegeven over den Kinderdoop, beschouwd met betrekking tot het bijzondere, kerkelijke en maatschappelijke leven.
Dat boekje is ontstaan uit een reeks artikelen, met al de voordeelen van rust en dui­delijkheid, maar ook met de nadeelen van gedurige herhalingen. Maar zóó is het telkens toch herdrukt, tot vijfmaal toe.
Nu is er echter een zesde druk verschenen, ietwat ingekort, door weglating van de herhalingen, die bij het schrijven van artikelen soms noodig zijn, maar natuurlijk overbodig geacht moeten worden, als het geheel in een boek is saamgebracht. Ds. J. A. Schep heeft deze 6de druk verzorgd, en heeft er nauwkeurig voor gezorgd, dat weggelaten werd wat inderdaad overtollig was — en zelfs hinderlijk door de herhaling —, maar tegelijk heeft de bewerker er voor gewaakt, dat niets anders gegeven wordt, dan wat Wormser zelf geschreven heeft.
„In beschouwingen, die breedvoerig handelen over destijds bestaande toestanden, zijn coupures aangebracht. Een en ander met het oog op het welslagen dezer uitgave in een tijd als de onze, die afkeerig is van breedvoerige betoogen. Intusschen mocht aan het werk van Wormser geen schade worden toegebracht. Het moest zijn werk blijven. Vandaar dat zijn betoog hier en daar wel is bekort, maar overigens in geen enkel opzicht gewijzigd. Zelfs niet in de cursiveeringen, die alle van Wormser zelf zijn. Het is alleen Wormser, die in de volgende bladzijden spreekt, en het is Wormser geheel".
„In het gedeelte, dat loopt van blz. 39—110, is trouwens nagenoeg geen enkele coupure aangebracht. Hier behandelt Wormser het Doopsformulier. Dat is de hoofdzaak van zijn geschrift. Hier kon en mocht niet ingrijpend besnoeid worden".
„In de tweede plaats is het geschrift in 21 nieuw gevormde hoofdstukken verdeeld, waarvoor titels zijn gekozen. De oorspronkelijke uitgave heeft slechts een vrij willekeurige verdeeling in een tiental stukken, zonder eenig opschrift. Wederom een gevolg van het feit, dat het hier aanvankelijk tijdschrift-artikelen betrof. Overzichtelijkheid was er op deze wijze in 't minst niet. Dit euvel is thans, naar ik hoop, afdoende verholpen. Natuurlijk heb ik mij, in de formuleering der titels, geheel aangesloten aan het betoog en de woordkeus van Wormser". „Dat al te zeer verouderde taalvormen door die van tegenwoordig vervangen zijn, spreekt vanzelf".
„Ten slotte werd door mij een Naamen Zaakregister samengesteld, alsmede een Tekstregister, waardoor het naslaan van een en ander vergemakkelijkt wordt".
„De bewerking dezer uitgave was voor mij een weelde des harten. Verplicht als ik was het geschrift van Wormser tallooze malen te herlezen, in de meest geconcentreerde aandacht, ondervond ik de waarheid van Groen's getuigenis : „Het is hier als in de goudmijn : hoe dieper men graaft, hoe meer de arbeid beloond wordt".
Aldus de bewerker, ds. Schep.
We willen uit dit boek van Wormser, dat zoo uitnemend over den Kinderdoop, over Doop en Verbond, handelt, een en ander vertellen, in de hoop, dat velen met Groen zullen getuigen : hier is waarlijk een goudmijn ! We laten hier volgen de titels van de 21 Hoofdstukken, waarin 't boek nu verdeeld is:
1. Een gedoopte natie — een christelijke natie (blz. l—S).
2. Verwaarloozing der belijdenis : onkunde aangaande den Doop (blz. 9—15).
3. De Doop van allen ernstig te nemen, (blz. 16—21).
4. Men spreke niet van „gedoopte Heidenen", (blz. 22—26).
5. De troost van den Doop geroofd door „bekrompenheid", (blz. 27—31).
6. Recht en doel van den Doop. (blz. 32 —36).
7. De Doop betuigt en verzegelt wat wij in God hebben, (blz. 37—42).
8. De Doop vermaant en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, (blz. 43—49).
9. De Doop voor „de kleine kinderen der geloovigen". (blz. 50—56).
10. De kinderen gedoopt „uit kracht des Verbonds". (blz. 57—63).
11. „Daarom heeft God voormaals bevolen hen te besnijden", (blz. 64—69).
12. De Doop — de besnijdenis der N.-Testamentische Kerk. (blz. 70—74).
13. De Doop, ruimer van omvang en strekking dan de besnijdenis, (blz. 75—80).
14. De Doop, het water der besnijdenis, (blz. 81—87).
15. Door genadeverbond en Doop tot zekerheid van persoonlijke verkiezing, (blz. 88—94).
16. Baptistische opvattingen over Kerk en Doop. (blz. 95—100).
17. Door den Doop Jezus Christus ingelijfd, (blz. 101—105).
18. Het geloof in Gods Verbondsbelofte bestreden door vrome menschen. (blz. 106 —110).
19. De gedoopte natie tot dienst van God verplicht, (blz. 111—115).
20. De gedoopte natie van haar God vervreemd, (blz. 116—122).
21. Lichtpunten, (blz. 123—127).
(Wordt voortgezet)

HET GEZAG DER MEERDERE VERGADERINGEN.
't Gedweep met de autonomie of volstrekte zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente en het autonoom zelfbeschikkingsrecht van den Kerkeraad, raakt gelukkig wat uit. Dat is in de dagen van de Doleantie zoo'n furie geweest, alsof de plaatselijke Kerk alléén maar op de wereld is en de plaatselijke Kerkeraad alléén maar gezag heeft. Men was verliefd op die „autonomie", wat letterlijk beteekent : „zijn eigen wet stellen", met „zelfbeschikkingsrecht". Het was een veel te ver doorgedreven: „eigen heer en meester zijn", waarbij alle saamhoorigheidsgevoel en éénheidsbewustzijn van de algemeene Kerk verloren gaat, of althans ten zeerste wordt bedreigd en sterk geschaad. Het werd als zonde geacht, te spreken en te schrijven van : de Gereformeerde Kerk van Nederland, en het moest en het zou uitsluitend zijn : de Gereformeerde Kerken van Nederland.
De Wezelsche Artikelen reeds kunnen ons leeren, dat het spreken en schrijven van : de Gereformeerde Kerk van Nederland, allesbehalve verkeerd is. Maar dat het verkeerd is zoodanig de autonomie van de plaatselijke gemeente naar voren te schuiven en te accentueeren, dat de éénheid en de saamhoorigheid der algemeene Kerk verloren gaat. Want natuurlijk is er een zekere zelfstandigheid van de plaatselijke Kerk en van den plaatselijken Kerkeraad. Natuurlijk is er plaatselijk een raad der Kerk, die met zeker gezag bekleed is. En b.v. de Kerkeraad van Bodegraven heeft niets te zeggen in de gemeente Alphen. Maar Bodegraven en Alphen leven niet als Kerken, die autonoom zijn en zelf haar wetten maken en ordeningen stellen en dan verder niets met elkaar te maken hebben. Want de hoofdzaken van het kerkelijk leven hebben ze gezamenlijk, èn in de belijdenis èn in de Kerkorde. Al. kunnen en mogen er plaatselijk allerlei verordeningen van ondergeschikt belang gemaakt worden, maar dan tenslotte toch ook weer in gebondenheid aan en in overeenstemming met de bepalingen van de algemeene Kerk.
Er is altijd volledige en uitvoerige correspondentie ; de plaatselijke Kerken behooren tot één en dezelfde Classis ; ze behooren tot één en dezelfde Provinciale Synode (zie de Dordtsche Kerkorde) enz. enz. En de domineerende wetten en bepalingen en verordeningen worden tenslotte gemaakt en vastgesteld door de gezamenlijke Kerken, waarbij men dan niet maar mag spreken van adviezen, of vriendelijke raadgevingen, maar van besluiten en verordeningen, waaraan men gebonden is. De Independenten willen hiervan niet weten, maar de Gereformeerden wel.
En zoo is er ook — neem bijv. in de Gereformeerde Kerken— het gezag van de Synode. Wat op en door de Synode — waar de Kerken saamkomen door haar afgevaardigden, naar de bepalingen, die voor héél de Kerk gelden — aangenomen wordt, is aangenomen voor al de Kerken en is bindende regel overal. Want de plaatselijke Kerken zijn zeer zeker „complete" Kerken, met de volledige ambten en de diensten, maar dan vereenigd in en onder één Kerkverband, waarbij van autonomie of zelfbeschikkingsrecht geen sprake is. Zoowel geestelijk als financieel is men onderling verbonden en gebonden. En die plaatselijke Kerken, die zich niets zouden willen aantrekken van de gemeenschap, zouden zondigen tegen God en menschen. We zijn elkanders leden en Christus is ons Hoofd.
Het is opmerkelijk, dat in den laatsten tijd, in den kring der Gereformeerde Kerken, op het gezag der meerdere vergaderingen, het gezag der Synodes, telkens nadrukkelijk gewezen wordt.
Prof. Hepp deed het nog weer eens in verband met de besluiten van de Synode van Arnhem inzake hetgeen Kerkeraden moeten doen met aanhangers van N.S.B, en CD.U. (Nationaal-Socialistische-Beweging en Christelijk-Democratische Unie). En prof. Grosheide geeft een artikel in N.-Hollandsch Kerkblad, waarin hij nog weer eens beschrijft, dat er in den Bijbel wel sprake is van het gezag der Synode, maar nergens van het gezag van den Kerkeraad. „Raadpleegt men het N. T., dan staat het met dat gezag van den Kerkeraad niet zoo eenvoudig. De eigenlijke Kerkeraad komt in het N.T. slechts éénmaal voor en wel in 1 Tim. 4 vs. 14, waar het woord „ouderlingschap" beter vertaald kan worden met presbyterium of Kerkeraad". „Van een optreden met gezag is hier dus nauwelijks sprake". „Nergens lezen wij' in het N.T. een beschrijving van een Kerkeraadsvergadering, op de manier, als Hand. 15 een meerdere vergadering beschrijft. Noch in Filipp. 1 vs. 1, noch in Hand. 14 vs. 23 ; 20 vs. 17 ; Titus 1 vs. 5, is er sprake van gezamenlijk optreden als Kerkeraad".
„Nu moet men ons" — aldus prof. Grosheide — „niet misverstaan ; alsof wij zouden willen beweren, dat wel de Synode en niet de Kerkeraad in het Woord Gods is gegrond ; en dat wel de laatste, doch niet de eerste met gezag is bekleed. Wij zouden bijna de stelling aandurven, dat het zóó van zelf spreekt, dat de Kerkeraad gezag heeft, dat dit in de Schrift niet met zoovele woorden behoefde te worden uitgesproken".
Maar „men moet niet de voorstelling geven, dat volgens de Schrift de Kerkeraad ongetwijfeld gezag heeft en de meerdere vergadering niet, want het gezag van de meerdere vergadering is in den grond der zaak gemakkelijker uit de Schrift te bewijzen, dan dat van den Kerkeraad".
„We mogen in het algemeen wel wat voorzichtig zijn met het iets Schriftuurlijk noemen. Er wordt in onze dagen wel eens heel wat naar de Schrift genoemd, wat het nog niet zoo dadelijk verdient".
Wanneer het dus gaat om het zeggenschap van de meerdere vergadering over den Kerkeraad, dan", — aldus prof. Grosheide — „verwijzen we weer naar Hand. 16 vs. 4 en we wijzen tegelijk op Art. 36 van onze Kerkorde, waar, volkomen terecht, wordt gesproken van een „zeggen", dat is van een gezag, dat de meerdere vergadering heeft over de mindere. Het gaat dan ook aanbeveling verdienen, om het woord advies ten aanzien van de besluiten der meerdere vergaderingen te vermijden. Wij hooren in dat woord te veel een raadgeving, waaraan men zich niet behoeft te storen. En zoo is het niet. Er is een bindend advies".
Dat men soms niet weten wil van het gezag der meerdere vergaderingen, vindt in meer dan één ding z'n oorzaak. „In den Kerkeraad" — aldus prof. Grosheide — „komen de ambtsdragers bijeen van een bepaalde gemeente. En dan is het niet aangenaam, wanneer daar een besluit van een meerdere vergadering komt, dat het anders voorschrijft, dan men het zelf heeft gedaan en zou willen. Men gevoelt dat als een soort ingrijpen van buiten af. Zeker, dat is het niet, maar zoo wordt het haast vanzelf gezien en het is niet zoo gemakkelijk om zich daaraan te onderwerpen".
„Daarmede komen we tot een laatste punt. Wij zijn allen menschen, die ons niet gaarne aan anderen onderwerpen. En vooral, wanneer we slechts weinig gezag kunnen oefenen, handhaven we gaarne het beetje, waarover we beschikken. Het kost ons, Nederlanders, immer moeite, om eigen gedachten prijs te geven en ons te stellen onder die van anderen. Daar hebben we ook op kerkelijk gebied rekening mee te houden, opdat we strijden tegen de zonde. Afwijken van de besluiten van de meerdere vergadering staat eerst vrij, als zij formeel (machtsmisbruik) of materieel (wat de inhoud betreft) in strijd zijn met het Woord onzes Gods".
Wij zullen verstandig doen, te luisteren naar het woord van prof. Grosheide, die ons aanmaant niet zóó maar dit of dat „naar de Schrift" te noemen, waartoe de Heilige Schrift ons geen vrijheid geeft.
Ook zouden we kunnen zeggen, dat iets wel naar de Schrift is, ook al staat het niet zoo woordelijk in de Schrift, als het toch inderdaad uit de Schrift is af te leiden.

De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (16)
De gemeente van Christus, gedacht als de algemeene en gansch groote schare der uitverkorenen, komt hoe langer hoe meer van plaats tot plaats tot openbaring in de belijdenis van Zijn Naam, als vruchtgevolg van de prediking des Woords, onder de werking des Heiligen Geestes. Aan al de plaatsen van des Heeren heerschappij worden de harten dan geopend voor hetgeen door de Apostelen en Evangelisten gesproken wordt. Zoo komt de Kerk des Heeren tot openbaring te Jeruzalem, maar ook te Antiochië, Korinthe, Efeze, enz. Nergens blijven dan de geloovigen, die met hun kinderen in de gemeente Gods en in het Verbond des Heeren begrepen zijn, dan los van elkander staan. Voor een individualistisch leven is in de gemeente van Christus, waarvan Hij het Hoofd is en de geloovigen de leden, geen plaats. Overal doet de God des Verbonds Zijn volk, Zijn gemeente, in ordelijk verband samen leven, als leden van één huisgezin. Ef. 1 VS. 22, 23 ; 4 vs. 15, 16 ; Col. 1 vs. 18, 24. Het is de bruid des Lams, die voor haar man wordt versierd, Ef. 5 vs. 32 ; 2 Cor. 11 vs. 2 ; Openb. 21 vs. 2 ; het huis en de tempel Gods, door de apostelen gebouwd op den grondslag Christus, 1 Cor. 3 vs. 10—16 ; of volgens een andere toepassing van het zelfde beeld : opgebouwd op het fundament der apostelen en profeten, met Christus als hoeksteen en de geloovigen als levende steenen, Ef. 2 vs. 20— 22 ; 1 Tim. 3 vs. 15 ; 1 Petr. 2 vs. 5 ; Openb. 21 VS. 3. Het is een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, om te verkondigen de deugden Desgenen, die hen uit de duisternis geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht. 1 Petr. 2 VS. 9.
Die openbaringen van het lichaam van Christus, van de Kerk des Heeren, zijn alle nog zeer gebrekkig, gelijk de apostelen telkens in al hunne brieven getuigen ; maar zij zijn desniettemin openbaringen van eene werkelijkheid, die er achter ligt ; verwezenlijkingen van een besluit Gods, dat zich zelf uitvoert van geslacht tot geslacht. Daarom moge het waar zijn, dat het verschil tusschen ideaal en werkelijkheid groot is, nochtans zou het geheel in strijd zijn met het Woord Gods, indien men, om de wille van de gebreken en de tekortkomingen, de werkelijkheid van de gemeente van Christus, in haar heerlijkheid, zou loochenen. In Christus, die haar kocht met Zijn bloed, ligt de gansche gemeente des Heeren, gelijk de vrucht in het tarwegraan, besloten. Zij is dus geen idee en geen ideaal zonder meer, maar eene werkelijkheid, die wordt en worden kan en worden zal, omdat zij er reeds is. Zoo verkeert de gemeente in voortdurende verandering ; zij werd reeds vergaderd van het begin der wereld af en wordt vergaderd tot aan haar einde toe. Dagelijks gaan er van haar af, die den strijd volstreden, het geloof behouden, de kroon der rechtvaardigheid verworven hebben, en nu samen uitmaken de triomfeerende Kerk, de gemeente der eerstgeborenen en van de geesten der volmaakte rechtvaardigen, Hebr. 12 VS. 23. En dagelijks worden aan de gemeente op aarde, aan de strijdende Kerk hier beneden, nieuwe leden toegevoegd, die in de gemeente zelve geboren of door den arbeid der Zending uit de volken haar toegebracht zijn.
Deze beide deelen der gemeente : de strijdende- en de triomfeerende Kerk, behooren bijeen.
Zij zijn de voor- en de achterhoede van het ééne groote leger van Christus. Die ons voorgegaan zijn, vormen thans rondom ons heen eene wolke van getuigen, die tijdens hun leven getuigenis van hun geloof hebben afgelegd en ons daardoor vermanen tot lijdzaamheid en trouw. Zonder ons konden zij niet, en zonder hen kunnen wij niet volmaakt worden, Hebr. 11 vs. 40. Eerst alle heiligen samen kunnen ten volle begrijpen de grootte der liefde van Christus en vervuld worden tot al de volheid Gods, Ef. 3 vs. 18, 19. De geschiedenis loopt dus door, totdat wij allen zullen komen tot de éénigheid des geloofs en der kennis van den Zone God? , tot een volkomen man, tot de mate der grootte der volheid van Christus, Ef. 4 vs 13.
(Wordt voortgezet.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's