NIENKE
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen.
Maar nu komt het moeilijke en gevaarlijke tevens. Wat den Heiland voor de Zijnen deed pleiten : „Vader, ik bid niet, dat Gij hen wegneemt uit deze wereld, maar hen bewaart voor den booze ? "
„Die zekere mensch uit de gelijkenis viel op den Weg van Jeruzalem naar Jericho onder de moordenaren. Dat kan, zelfs op dien weg, en dat geeft te denken en dat leert voorzichtig te zijn. Hoe groot het complot was, hetwelk hem daar overviel, staat er niet, maar Jezus spreekt in 't meervoud. Ach, feitelijk is hun getal legio en wordt het nooit recht geweten, omdat zij in de duisternis werken en uit hinderlagen plotseling verschijnen, om even vlug te verdwijnen. Juist dat doet alle uur in perikel zijn. ..Daar staat absoluut niet, dat de man zèif oorzaak is geweest door deze vijanden te worden overvallen, doordat hij een zijweg insloeg en juist daar gemakkelijk kon worden overrompeld. Integendeel, men ging den koninklijken weg en daar werd hij het slachtoffer zijner belagers. Niettegenstaande hij uit Jeruzalem kwam en naar Jericho ging.
Zoo liggen er aan den heirweg van het leven talloos velen meer, overrompeld als zij werden door een vijand en toen half dood geslagen, en toen naakt uitgeschud. Misschien wel menschen, die vanwege hunne vroomheid geteld werden onder de kinderen Gods en daar ook werkelijk bij hoorden. Want de satan gaat rond als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zou kunnen verslinden en spaart daarbij vooral het volk des Heeren niet. Niemand is veilig voor hem. Overal loert hij. Over tal van wapenen beschikt hij ; op de zwakste zijde, op het geschiktste moment valt hij aan, om dan van alles te berooven en tot eene bespotting en aanfluiting aan den weg van het leven neer te werpen !
„Zoo zijn er onnoemelijk velen, overal, en zij liggen daar, hulpeloos en verlaten, omdat niemand zich over hen ontfermt ; omdat zij door allen verlaten werden, omdat hun zelf de kracht ontbreekt om wederom op te staan.
„Wellicht, dat er heel velen zijn, die over hen spreken, doch zonder de hand naar hen uit te steken
„Daar op den weg van Jeruzalem naar Jericho, in de schaduw van het heiligdom Gods, op 't veel betreden pad der vromen, zullen zij hun dood vinden, als God het niet verhoedt en de menschen zich hunner niet ontfermen !
„Maar wie zou dit laatste doen ? Men kent immers dien „zekeren mensch" niet. Men heeft niets met hem uit te staan, omdat hij een vreemde is. Ook al stond men misschien met hem in den tempel, bij het altaar, of onder de zegenende handen van den priester, of in de ure des gebeds en des lofs tot God. Die eenheid is voor velen alleen, dat zij af en toe binnen de tempelwanden zijn. Zoodra de dienst is afgeloopen, gaat elk zijns weegs en beheerscht de Kaïnsvraag : Ben ik mijns broeders hoeder ? de meeste levens.
„Wat heeft men te maken met dien „zekeren mensch" ? Als het nu eens een Zacharias of Nicodemus of Gamaliel was geweest, maar „een zeker mensch" ! Heeft niet elk genoeg aan eigen pak ? En heeft niet elk zijn eigen strijd, en zijn eigen zorg, en zijn eigen verdriet en leed en rouw ? En eischt het gejaagde, gedrukte, harde leven niet om voor zichzelf te werken met inspanning van alle krachten, zonder daarbij zich te bemoeien met anderen ? Wie, die nog tijd en gelegenheid heeft voor een ander aan zijne zijde, vooral voor degenen, die naakt werden uitgeschud en nu half dood aan den weg liggen ?
„En bijgeval kwam een zeker Priester den weg af", sprak de Heer. Hier óók geen naam genoemd, maar wel de plaats aangeduid, die hij in het openbare leven innam, en deze maakt hem tot een gewichtig man.
En die Priester ging dienzelfden weg, waarop een „zeker mensch" was neergeslagen.
„Is dat niet naar het leven ? Dat de één staan blijft, waar de ander valt ? Dat de een in 's levens overvloed wandelt, waar de ander berooid neerligt ? Dat de een lacht en het lachend leven vol goudglans vroolijk tegengaat, waar de ander schreit, omdat hij in handen van moordenaren viel ? Gaan bruiloft en begrafenis, blijden en droeven, vromen en goddeloozen, niet denzelfden weg ?
„Ook de priesters Gods, die het heilige hebben te bedienen, staan in het volle leven en ook aan hen blijft niets menschelijks vreemd. Ach, dat zij zichzelf daarvan altijd maar diep bewust waren, en dat de gemeente dit ook maar nimmer vergat ! Dat de schatten van het Huis des Heeren hier beneden in aarden vaten gedragen worden en dat déze zeer teer en breekbaar zijn.
„Hier gaat een Priester dienzelfden gevaarlijken weg, waar even te voren een wandelaar overrompeld werd, en déze gaat vrij uit. Voor hem schijnbaar geen gevaar, omdat voor hem hier geen vijand schijnt te zijn. Een gelukkig man. Een begenadigd man. Die in den Tempel van Gods geestelijke dingen mocht roemen en daar werd ingeleid in het heilgeheim der Verlossing. Die dus óók als een begenadigde eene bijzondere roeping voor dit leven heeft, om zijn licht te laten schijnen over allen, die in duisternis of op 's levens wegen verdwaald zijn, ver van 't Vaderhuis en het Vaderhart !
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's