WAT CALVIJN ONS LEERT
Van den eenigen Hoogepriester.
Christus is een heilig en onbesmet Middelaar, die ons door Zijn heiligheid met God verzoent.
Door den rechtvaardigen vloek, die op ons ligt, is de toegang tot God gesloten. God is op ons vergramd naar eisch van Zijn ambt als Rechter. Daar moest een zoenoffer tusschen komen, waardoor de Priester Gods toorn stillen en gunst verkrijgen mocht.
Daarom moest Christus met een offer te voorschijn komen. Alleen door de zuivering der zonden zou God verzoend worden. De Priesters onder de Wet gingen niet zonder bloed in het heiligdom, opdat de geloovigen zouden weten, dat zulk een offer noodig ware.
Zoo stelt Calvij'n kortelijk den inhoud van Hebr. 7 v.v. voor, om aan te toonen, dat de eere van 't Priesterschap alleen aan Christus toekomt. Het belang van deze zaak blijkt ook uit Ps. 110 vs. 4 : Gij zijt Priester in eeuwigheid, naar de ordening van Melchizedek.
Wijl ons gebed geen toegang vindt, tenzij er verzoening is gedaan, zoo moet men bij den dood van Christus beginnen, vanwaar de kracht en de nuttigheid van Zijn priesterambt tot ons komt.
Christus is een eeuwige Voorspraak, door Wiens voorbidding wij genade verkrijgen.
Daaruit komt het vertrouwen voort en de vrijmoedigheid om te bidden en de rust der consciëntie.
God heeft een welgevallen aan hetgeen door den Middelaar geheiligd is.
Zoo draagt Christus de Persoon van een Priester, niet alleen om door een eeuwige verzoening de genade Gods te verwerven, maar ook om ons in de gemeenschap des Heeren op te nemen.
Want wij, die in ons zelf onrein zijn, zijn nochtans priesters in Hem, offeren Gode ons zelf en al ons goed, treden vrijelijk in het hemelsche heiligdom, zoodat de offeranden en de gebeden des lofs, die va.n ons voortkomen, aangenaam zijn en van goede reuke voor God. (Openb. 1 vs. 6: ik heilige Mij zelven voor hen. (Joh. 17 VS. 10).
Christus heeft ons tegelijk met Zichzelven den Vader toegeëigend. Daarom mogen wij Gode behagen, alsof wij heilig waren, indien wij met Zijn heiligheid zijn bekleed.
Daartoe behoort ook de zalving des heiligdoms, waarover Daniël spreekt. (Daniël 5 VS. 34).
Met grooten nadruk wijst Calvijn op het eenige offer en algenoegzame priesterschap van Christus tegenover de leer van de Mis, die een voortdurend offer van Christus leert.
Het ambt van den Verlosser.
Er is onder den hemel geen anderen Naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.
Daarom zullen wij, die in ons zelven vervloekt, dood en verloren zijn, alleen in Hem gerechtigheid, verlossing, het leven er. de zaligheid zoeken.
De naam Zaligmaker komt den Heere niet toe van de menschen, maar is Hem uit den hemel door den Engel toegebracht, die een verkondiger was van den Raad Gods, wijl Hij gezonden was om Zijn volk zalig te maken van hun zonden.
Het ambt eens Verlossers is Hem opgelegd, opdat Hij ons tot een Zaligmaker zou zijn. (Matth. 1 vs. 21. Luc. 1 vs. 31).
Doch ook zoo zou onze verlossing nog een onvolmaakte zaak zijn, indien Hij ons niet door gestadigen voortgang leidde tot de hoogste zaligheid.
Geheel onze zaligheid heeft in Hem haar zetel. Wijken wij ook maar een handbreed daarvan af, dan wijken wij ook van onze zaligheid af. Calvijn brengt hier een woord van Bernardus in herinnering, n.l. dat de Naam van Christus niet alleen licht, maar ook spijze is, dat die Naam ook olie is, zonder welke alle spijze der ziel dor is. Die Naam is zout, zonder hetwelk onsmakelijk is alles, wat er wordt opgedischt, hij is honig in den mond, melodie in het oor, verheuging in het hart en tegelijkertijd medicijn. Alle andere overleggingen zijn onwijsheid.
Hoe is de zaligheid in Hem verkregen ? Vooreerst door de verzekerdheid, dat Hij is de Werkméester der zaligheid, maar dan ook door omhelzing van die dingen, waardoor ons geloof voortdurend wordt vast gemaakt, met verwerping van alles wat ter linker of ter rechter zijde zou kunnen afvoeren van den weg.
Immers niemand kan in zichzelven afdalen, of hij zal een vertoornd God vinden, zoodat hij heeft uit te zien om Hem tevreden te stellen, dewijl Hij betaling eischt. Zoolang een zondaar niet verlost is, rust de vloek op hem. De Heere is een Rechter, die de overtreding van Zijn Wet niet ongestraft laat.
God is onze vijand geweest, totdat Hij in Christus met ons bevredigd is geworden.
En toch kan Hij ons in den Zoon zulk een pand der liefde niet schenken, tenzij Hij ons van te voren reeds in goedgunstigheid omhelsd had.
Dat schijnt dus met elkander in strijd te zijn.
Toch spreekt de Heilige Schrift het duidelijk uit, dat God den menschen een vijand is geweest, totdat zij door Christus' dood wederom tot genade gebracht zijn. Calvijn wijst hier op plaatsen als Rom. 5 VS. 10 : „Want indien wij, vijanden zijnde, met God verzoend zijn door den dood Zijns Zoons, veel meer zullen wij verzoend zijnde, behouden worden door Zijn leven. Galaten 3 vs. 10—^13, waar gesproken wordt van den vloek en de verlossing door Christus. Voorts Coloss. 1 vs. 21 v.v.: En Hij heeft u, die' eertijds vervreemd waart en vijanden door het verstand in de booze werken, nu ook verzoend.
Daarin staat klaar en duidelijk onze toestand buiten Christus geteèkend. Indien wij dit niet verstaan, kunnen wij ook de weldaad der verlossing niet waardeeren. Bij wijze van voorbeeld gaat Calvijn verder: Indien God u, toen gij nog een zondaar waart, gehaat had en naar uw verdiensten van zich geworpen had, zoo stond u slechts een schrikkelijk verderf te wachten.
Maar nu Hij om Zijn Zelfs wil en uit onverdiende goedertierenheid u in Zijn genade behouden heeft en niet heeft toegelaten, dat gij van Hem vervreemd werdt, heeft Hij u uit dat gevaar verlost.
Wanneer iemand dit bedenkt, zal hij gevoelen hoeveel hij aan Gods barmhartigheid verschuldigd is. Hoeveel beter zal hij gevoelen, welk een Voorbidder hij in Christus in den hemel heeft, die den toorn Gods heeft verzoend door Zijn bloed.
Het is een onbegrijpelijke zaak voor ons, maar daarom toch waarachtig. God kan de ongerechtigheid niet beminnen. Zoo is de ongerechtigheid, welke ons vervult, den haat Gods waardig. Wij staan voor God schuldig wegens onze verdorven natuur en zijn der verdoemenis onderworpen.
Nochtans wil de Heere niet verderven, hetgeen Hem zelf toekomt en zoo vindt Hij nog iets, hetwelk Hij lief heeft. Wel zijn wij door eigen schuld zondaren, maar wij blijven Gods schepselen. Wij hebben ons den dood op den hals gehaald, maar God heeft ons ten leven geschapen. Aldus wordt Hij door een onverdiende liefde gedreven ons in genade aan te nemen.
Daar is echter een strijd tusschen de gerechtigheid en de ongerechtigheid. God kan ons niet opnemen, zoolang wij zondaars blijven. Zoo moest de oorzaak Zijner gramschap weggenomen, om ons met Hem te verzoenen, gelijk Hij in Christus' dood gedaan heeft, te niet doende al wat boos in ons is, opdat Hij ons, onreinen, heilig en rechtvaardig voor Zijn aangezicht stellen zou.
Omdat Hij ons eerst heeft liefgehad, verzoent Hij ons met Zichzelven. Wij hebben echter nooit eerder een volkomen en vaste gemeenschap met Hem, dan wanneer Christus ons met Hem tezamenvoegt. Zoo moeten wij dus op Christus het oog vestigen. Daarom zegt Paulus, dat die liefde, waarmede Hij ons vóór de schepping heeft liefgehad, in Christus is gegrond geweest. (Efeze 1 VS. 4).
Ook de oude kerk heeft dat beleden, zooals men van Augustinus kan leeren. Want hij zegt, dat God niet is begonnen ons lief te hebben, nadat wij door het bloed Zijns Zoons met hem verzoend waren, maar van voor de grondlegging der wereld, opdat wij met Zijn Eeniggeboren Zoon Zijn kinderen zouden zijn, eer wij nog iets waren.
Men moet dat niet zoó verstaan, alsof Christus ons met den Vader verzoend zou hebben, opdat Hij ons zou beginnen lief te hebben, maar zóó, dat God ons tevoren heeft liefgehad, met Wien wij vanwege de zonde in vijandschap waren. Want Christus is voor ons gestorven, als wij nog vijanden waren. (Rom. 5 vs. 8).
God had ons lief op een wonderbare en goddelijke wijze, toen wij Hem haatten. Maar God haatte ons, voorzoover wij anders waren dan Hij ons gemaakt heeft. Hij haat in ons wat wij gedaan hebben en heeft lief, wat Hij gemaakt had.
Ziedaar, wat Augustinus zegt.
Hoe heeft Christus de zonde en de vijandschap tegen God weggenomen ?
Door den ganschen weg Zijner gehoorzaamheid, zooals Paulus zegt: Gelijk door 'de ongehoorzaamheid van èènen velen tot zondaars gesteld zijn, zoo zullen ook door de gehoorzaamheid van eenen, velen tot rechtvaardigen gesteld worden. (Rom. 5 vs. 19).
Hij breidt de oorzaak der vergeving, die ons van den vloek der Wet verlost, elders uit tot het gansche leven van Christus : Wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God Zijn Zoon uitgezonden, geworden uit een vrouw, geworden onder de Wet, opdat Hij degenen, die onder de Wet waren, verlossen zou. (Gal. 4 vs. 4).
Zoo heeft Christus ook betuigd, dat in Zijn Doop een deel der gerechtigheid volbracht werd, omdat Hij daarin gehoorzamelijk het bevel des Vaders nakwam. (Matth. 3 VS. 15).
Van den aanvang af, dat Hij de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, heeft Hij het rantsoen onzer verlossing betaald. De Heilige Schrift schrijft dit echter inzonderheid aan Zijn dood toe.
Daarom wordt in de Artikelen des Geloofs zeer juist van de geboorte van Christus overgegaan tot Zijn dood en opstanding, waarin het kort begrip der volkomen verlossing gelegen is.
Hierdoor wordt echter het overige Zijner gehoorzaamheid niet uitgesloten, want Paulus zegt: dat Hij Zichzelven vernietigd heeft, de gestalte eens dienstknechts aangenomen hebbende, en dat Hij Zijn Vader gehoorzaam is geweest tot den dood des kruises. (Philip. 2 vers 7, 8). Zijn vrijwillige onderwerping neemt daarin de eerste plaats in. Hij stelt Zijn leven voor de schapen. In denzelfden geest spreekt Jesaja 53 VS. 7 : Als een lam, dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders.
Zoo moeten wij voor vast houden, besluit Calvijn, dat God door geen andere wijze kon worden verzoend dan doordat Christus, Zijn eigen genegenheid terzijde stellende, Zichzelven aan den wil Gods onderworpen heeft: „In de rol des boeks is van Mij geschreven. Ik heb lust, o Mijn God, om Uw welbehagen te doen. Uw Wet is in het midden Mijns ingewands. Toen zeide Ik : Zie, Ik kom. (Ps. 40 : 8, 9);
Er is dus alle reden, de oorzaak van ons leven in den dood van Christus te zien, aangezien ook de consciëntie geen rust kan vinden dan in de offerande, waardoor de zonden verzoend worden.
Voorts wijst Calvijn op de veroordeeling van Christus voor Pontius Pilatus. Dit is geschied, opdat wij zouden weten, dat de straf, die op ons was, op den Rechtvaardige is gekomen, zooals ook door Jesaja wordt betuigd. (Jes. 53 vs. 5).
Het was dus ook niet onverschillig, welken dood de Christus sterven zou, of liever verkiezen zou. Indien Hij door moordenaars ware omgebracht, zou Zijn dood geen schijn van verzoening hebben gebracht.
Maar nu is Hij opgetreden in den persoon van een aangeklaagde en beschuldigde en gerechtelijk veroordeeld tot den dood. Hij is onder de misdadigers gerekend (Jes. 53 VS. 12). En dat, opdat Hij voor de zonden in den dood ging.
Daarbij komt, dat dezelfde Pilatus, die Hem heeft overgegeven tot den kruisdood. Zijn onschuld betuigd heeft. Zoo heeft Hij dan betaald, hetgeen Hij niet geroofd heeft. (Psalm 69 vs. 5).
De Christus wordt ons dus voorgesteld in den persoon van een boosdoener, ofschoon Hij onschuldig is, zoodat Hij niet om Zijn eigen boosheid, maar om de boosheid van anderen heeft geleden.
Zoo is dan onze vrijspraak daarin gelegen, dat de straf, die op ons lag, op Hem is gekomen. Hij heeft de rechtvaardige wrake Gods op Zich genomen, opdat wij ons gansche leven lang niet beangst zouden zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's