De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Arabieren-woekeraars in Indië

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Arabieren-woekeraars in Indië

4 minuten leestijd

„Zijn ze niet prachtig om te zien, die Arabieren met hun lange gewaden en wijde mantels ? Zie, de statige gestalte van dien ouden man met zijn witten baard, met dien rijk en kleurig geborduurden doek als een tulband om zijn hoofd gewonden, en met zijn stok in de hand ! Lijkt hij niet sprekend op de plaat van Mozes in onzen kinderbijbel ? En die andere jonge Arabier, met zijn roode fez zoo losjes op het hoofd, lijkt die niet op David, die voor de Ark huppelde ? Zie de vrouwen met zwarte oogen en zwart kroeshaar, en die kinderen met belletjes aan de enkelringen ! Zijm het niet allen levende illustraties van het Oude Testament ?
Daarginds staat een heel groepje bij elkaar, druk gesticuleerend, te praten; er is een vendutie en daarbij zijn ze altijd vooraan. Ze bespreken de kansen en de koopjes, en nu lijken ze op een heel andere plaat. Op welke ? Nu lijken ze op de Farizeën bij het smeden van hun valsche plannen !
Ja, dat zijn het, Farizeërs van de ergste soort ! Zij hebben de wet en de profeten. Zij hebben hun eigen moskeen, waar geen Javaan mag binnentreden, en dat terwijl als hoogste eigenschap van den Islam altijd wordt aangeprezen de éénheid der geloovigen over de geheele wereld. Zij zijn immers het heilige, uitverkoren volk uit het heilige land Arabië. En ze zijn rijk, schatrijk. Ze bezitten huizen, soms heele straten tegelijk ; ze rijden in prachtige auto's, zij hebben uitgestrekte landerijen, zij het ook op naam van een Javaansche vrouw, die ze tot dit doel getrouwd hebben, naast hun andere vrouwen, omdat een vreemdeling op Java geen grond mag bezitten.
Hoe worden zij zoo rijk ? Toch zeker miet van den handel in ordinaire katoentjes, die ze soms op de pasar te koop aanbieden? Neen,
deze katoentjes dienen maar als dekmantel, of misschien als introductie. De grond van hun bestaan, van hun rijkdom, van hun vreeselijke en onnaspeurlijke invloed op de menschen van dit Javaansche land, is woeker, en niets dan woeker ! Zij zijn in dit land gekomen en vaak gretig 'binnengehaald om den eeuwigdurenden en overal voorkomenden honger naar contanten te stillen van den Javaan en den kleinen Indo-Europeaan, die leven van altijd voorschot, en die met graagte voor een gulden, nu in de hand, er twee terug zullen geven aan het eind van de maand. Zij vangen die onnoozele vliegjes in hun spinnenweb en zuigen ze uit tot den laatsten druppel bloed. En niemand die het ziet, hoe ze in hun duivelsche heksenketels die arme slachtoffers levend, langzaam, doodmartelen, — niemand, dan sommige laaghartige advocaten, die, met aanzien bekleed en met goud gelardeerd, na luttele jaren kunnen repatrieeren. En niemand die er iets tegen kan doen, ook de rechter niet, die de eischen van deze Arabieren bijna altijd moet toewijzen, dank zij hun listigheid en die hunner advocaten".
„Schutz, een eenvoudige Indo-Europeaan, heeft veel geld noodig. Hij leent van Oemar ƒ 200.— en teekent daarvoor een accept van ƒ 350.—. Van Achmed leent hij óók nog ƒ 200.— onder dezelfde voorwaarden. Hij is dus ƒ 700.— schuldig, maar ontvangt slechts ƒ 400.— ; een vervalsching met 75 %. De geldschieters eischen ieder ƒ 10.— per maand, dat is 60 % rente van het werkelijk ontvangen bedrag. Als Schutz een maand geen rente kan betalen — en dat komt nogal eens voor — dan is hij voor die maand voor onbetaalde rente ƒ 42.— schuldig aan die twee. Want de bloedzuigers werken als compagnons samen, vooral als de zaak critiek begint te staan ! De hoofdsom blijft het zelfde en na jaren hebben de twee geldschieters het zóó ver gebracht, dat, als aan één de ƒ 200.— is afgelost, de ander, acht jaar daarna, een rente van honderd maanden a ƒ 42.— (wegens het honderd maal in gebreke blijven van de verschuldigde ƒ 10.—) eischt, en de rechter veroordeelt Schutz tot het betalen van een som van ƒ 4200.- -.
„Zelfs gebeurt het, dat de geldschieter het zóó weet te richten, dat de hoofdsom, als die terug betaald wordt, niet in ontvangst genomen wordt en de rente blijft dan maar dóórgaan, eindeloos !"
Zoo vertelt mevrouw Swaan—Koopman in haar boek : Vrouwen in Indië. (Uitgave : H. J. Paris, Amsterdam).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

De Arabieren-woekeraars in Indië

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's