UIT DE HISTORIE
Paulus' prediking niet van menschelijken oorsprong; de apostel is geen menschenbehager, maar weet zich dienaar van Christus ; hoofdstuk 1 vers 10—12. (II).
Luthers verklaring van Paulus' brief aan de Galaten.
Want indien ik nog menschen behaagde, zoo ware ik geen dienstknecht van Christus. Vervolg vers 10.
Dit alles moet betrokken worden op heel het ambt en de bediening van Paulus, opdat er een soort tegenstelling zou ontstaan met zijn vorigen wandel in hel Jodendom. Hel is, als hij wil zeggen : Meent gij, dat ik nog menschen behaag, zooals ik vroeger gedaan heb ? Ook in hoofdstuk 5 vers 11 schrijft hij : „Indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd ? " Hier zegt de apostel als het ware : Ziet en verneemt ge dan niet dagelijks, welk een zwaren strijd ik voer, en aan welke groote vervolgingen en rampen ik bloot sta ? Nadat ik bekeerd en lol het apostelambt geroepen ben, heb ik nimmer menschen door mijn prediking zoeken te behagen, maar alleen God, dat wil zeggen : door hetgeen ik leer, streef ik uitsluitend naar de eer en roem van God, niet naar die van menschen.
Paulus zegt deze dingen, om aan te toonen, hoe bedriegelijk en arglistig de valsche apostelen er op uit zijn, hem bij de Galaten gehaat te maken. Uit zijn prediking en geschriften hebben zij oogenschijnlijke tegenstrijdigheden opgezocht, (gelijk ook vandaag de tegenstanders uit ónze boeken doen), en oj) deze wijze hebben zij den apostel er van willen overtuigen, dat hij dingen leert, die mei elkaar niet in overeenstemming zijn. Daarom zeiden ze, dat men Paulus geen geloof moest schenken, maar de besnijdenis en de Wel in acht behoorde te nemen. Paulus zelf, zoo spraken ze, heeft zulks door eigen voorbeeld goedgekeurd, omdat hij; volgens de Wet Timotheüs heeft laten besnijden, en zich met vier mannen in den tempel te Jeruzalem liet reinigen, alsook, omdat hij te Kenchreën zijn hoofd heeft laten scheren. (Handelingen 16 vers 3 ; 21 vs. 26 ; 18 vs. 18). De lasteraars doen het namelijk voorkomen, dal Paulus deze dingen deed, omdat ze noodzakelijk waren, en hij er toe gedwongen werd krachtens een bevel en het gezag der andere apostelen, terwijl hij in werkelijkheid alleen maar wilde tegemoet komen aan de zwakheid van hen, die nog geen juist inzicht hadden in de Christelijke vrijheid ; hij wilde dezulken niet ergeren. Op de lasteringen der valsche profeten antwoordt Paulus dan aldus : De zaak zelf loont genoegzaam aan, in hoeverre hetgeen men mij toedicht, teneinde mijn Evangelie te verkeeren en de Wet en de besnijdenis weer in te voeren, met de waarheid in overeenstemming is. Want indien ik de Wet en de besnijdenis predikte, en 's menschen eigen vermogens en streven aanprees, dan zou ik niet door de menschen gehaat worden, maar hun aangenaam zijn.
Maar ik maak u bekend, broeders, dal het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naai' den mensch ; want ik heb het ook niet van een mensch ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus. Vers 11 en 12.
Deze woorden zijn het thema van deze verhandeling ; tegenwerpingen en een verdediging volgen lot aan hel einde van hel tweede hoofdstuk ; het is een doorloópende geschiedenis, welke Paulus hier geeft. Hieronymus wringt zich angstvallig in allerlei bochten, en hij geeft zich veel moeite, om in het geheel samenhang te ontdekken, maar de zaak, waar hel om gaat, roert hij niet aan, omdat hij niet in aanmerking neemt, wal Paulus wil, en waarop hij het oog heeft.
Het thema van deze verhandeling is dit : Mijn Evangelie is niet naar den mensch ; ook heb ik het niet van een mensch ontvangen, maar door de openbaring van Jezus Christus. Hierop legt hij voortdurend den nadruk, en hij bevestigt met een eed, dat zijn Evangelie niet geleerd is door een mensch, maar ontvangen is door de openbaring van Jezus Christus. Hij zweert, omdat hij niet anders kan, opdat de Galaten er geloof aan zouden hechten, en zij niet den valschen apostelen het oor zouden leenen, welke door hem als valsche leugenaars bestraft worden, aangezien zij gezegd hebben, dat Paulus zijn Evangelie van de apostelen ontvangen en geleerd heeft.
Wanneer Paulus zegt, dat zijn Evangelie niet naar den mensch is, dan wil hij daarmede niet aanduiden, dat het niet in den mensch zijn oorsprong neemt, want dat spreekt vanzelf, aangezien ook de valsche apostelen er zich op beroemen, dat hun leer van God, en niet van een mensch afkomstig is. Doch Paulus wil zeggen, dat hij hel Evangelie door geen ambt van menschen geleerd heeft, noch ontvangen door middel van een mensch, maar uitsluitend en alleen door de openbaring van Jezus Christus. Wil iemand echter een andere onderscheiding maken, dan mag hij dal mijnentwege doen.
De apostel loont hier in het voorbijgaan aan, dat Christus niet alleen mensch, maar tegelijk waarachtig God en mensch is, wanneer hij opmerkt, dal hij zijn Evangelie niet ontvangen heeft door middel van een mensch. Paulus heeft zijn Evangelie namelijk ontvangen op den weg, toen hij naar Damascus reisde, waar Christus hem verscheen en tol hem sprak. Ook later heeft Hij met hem gesproken in den tempel te Jeruzalem (Hand. 22 VS. 18), maar op den weg ontving hij hel Evangelie, gelijk Lucas in Handelingen 9 verhaalt.
Ten einde de laster der valsche profeten van de hand te wijzen, die er op uit waren, Paulus bij de Galaten gehaat te maken, wordt hij gedwongen, van deze dingen gewag te maken. Zij deden hel namelijk voorkomen, dal de apostel Paulus veel minder in beteekenis was dan de discipelen van de andere apostelen, die hetgeen zij leerden en onderhielden, van de apostelen zelf ontvangen hadden, wier handel en wandel zij ook gedurende langen tijd hadden kunnen aanschouwen. Hetzelfde, als genoemde discipelen, zou ook Paulus van de apostelen ontvangen hebben, alhoewel hij zulks ontkent. Waarom, zoo zeiden de valsche apostelen, zoudt gij. Galaten, liever een man van minder beteekenis gehoorzamen, en het gezag van de apostelen zelf verachten, die toch opzieners en leeraars zijn niet alleen van Galatië, maar ook de gemeenten op den ganschen aardbodem ?
Met weinig moeite hebben de valsche apostelen dus de Galaten, die nog niet bevestigd waren in het geloof, en nog geen wortel geschoten hadden, bedrogen, wijl zij nog zwak stonden in hun vertrouwen op God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's