De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

6 minuten leestijd

Johannes 21 vs. 17.

PETRUS, HOUDT GE VAN MIJ ?
En in die wondere nacht kwam een vraag tot Petrus, die hem door merg en been trok : Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan deze ?
Wat moet hij hierop antwoorden ? Hij, die zijn Meester driemaal verloochend heeft, toen hij in gehuichelde verontwaardiging schreeuwde : Ik ken dien mensch niet!
En nu die alles-beslissende vraag. Simon! (dat is z'n voornaam. Zijn Meester wil nog tot hem spreken als een man tot zijn vriend!) Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij liever dan deze!
Hebt gij Mij lief met uw geheele hart, met uw gansche ziel, met al uw krachten ?
En dan fluistert Petrus : Heere, Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik van U houd !
Het is al meer gezegd, en ik wil den lezer er ook nu weer op wijzen, dat in onze bijbelvertaling tweemaal het woord liefhebben gebruikt wordt, maar eigenlijk gebruiken de Heere Jezus en Petrus twee verschillende werkwoorden.
Christus gebruikt het sterke woord : liefhebben ! liefhebben met heel ons hart.
Maar Petrus gebruikt een woord, dat veel zwakker is, hij durft niet te zeggen : Heere, ik heb U lief, dat is veel te groot! daar is zijn levenswandel niet naar geweest ! En daarom antwoordt Petrus : Heere, ik houd van U !
En dan vraagt Christus ten tweeden male : Simon! zoon van Jonas, hebt gij Mij lief ? lief mét uw geheele ziel ?
Petrus buigt het hoofd; hij durft dat sterke, dat groote woord : liefhebben, niet in zijn mond te nemen!
Dat mag Johannes misschien zeggen, of Joseph van Arimathea of Nicodemus, maar hij, Petrus, moet voortaan maar in de achterste rij gaan staan.
En weer antwoordt hij : Heere, Gij weet dat ik van U houd!
En nu laat Christus zien, dat Hij voor zijn Simon een teere en een goede Herder is, een Herder, die het schaap niet met de stok naar de kudde ranselt, maar die indaalt in de nood en in de verlegenheid van Zijn discipel. Want als Christus voor de derde maal Zijn vraag stelt, dan gebruikt Hij het zwakkere werkwoord van Petrus en Hij zegt: Simon, zoon van Jonas, houdt ge van Mij ?
En dan bréékt er iets in Petrus ! . Hij wordt bedroefd, de tranen komen in zijn oogen. In dit oogenblik laat hij zich met al zijn armoede en met al zijn ontrouw en schuld vallen aan het hart van Christus en hij fluistert: Heere, Gij weet alle dingen! Gij weet, dat ik een ellendeling geweest ben, dat ik U verraden heb bij het vuur, maar Heere, Gij weet ook dat ik U niet missen kan. Gij weet, dat ik van U houd!
Dit gesprek had plaats in de stilte van de nacht! Ver weg in Jeruzalem waren de Farizeërs aan het vergaderen! Die menschen hadden het druk ! Daar werd gestemd, daar werd gedebatteerd ! Daar loerde men op elkaars woorden! Daar vochten Sadduceën, Parizeen en Schriftgeleerden.
Maar hier op het strand, in de stille nacht, zonk de vraag van Christus als een dieplood in de ziel van Petrus-: Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief ?
Christus liefhebben, wat is dat eigenlijk ? Vraag dat nu eens aan dien moordenaar aan het kruis! Aan den man, die met den vloek van zijn leven voor de poorten van den dood hing. Die fluisterde : Ik ontvang straf, waardig hetgeen ik gedaan heb!
Die moordenaar, die daar als een stuk ellende aan het kruis genageld hing en die met de vertwijfeling in zijn oogen vroeg: Heere ! denk aan mij!
En dan het antwoord : Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn!
Die moordenaar kende onze Psalmberijming niet, maar ge kunt er zeker van zijn dat het gezongen heeft in zijn ziel en dat hij in al zijn pijn wel had kunnen juichen:
God heb ik lief, want die getrouwe Heer Hoort mijne stem, mijn smeekingen, mijn klagen.
Als het in ons leven vastloopt! Als ge door het Woord van God zóó gegrepen wordt dat ge ziet dat Judas uw broeder is en dat Herodes uw broeder is, dat Kaïn uw broeder is, dat Adam uw broeder is, als we ons zelf gaan zien in ons meeheulen met de wereld, in ons hinken op twee gedachten, in ons menschenbehagen en menschenvrees, in onze zelfzucht — dan komen de dagen, waarin alles in deze wereld en alles in onze ziel ons toeroept: Waar, waar is nu uw God ?
Dan hebt ge niets aan allerlei menschen in uw omgeving, die met verhitte hoofden „vechten" voor allerlei kleingeestige kwesties in het kerkelijk leven. Dan hebt ge niets aan artikelen in uw krant, waarin menschen elkaar verdacht maken in hun heiligste bedoelingen.
Neen ! als de Heere ons laat vastloopen, als Jezus Christus als de Groote Herder Zijn zielszorg op ons gaat toepassen, dan voert Hij ons in de stilte !
En dan komt vroeg of laat de vraag op onze ziel branden : Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij lief?
En het antwoord op deze levensvraag wordt altijd weer gegeven onder den voet van het kruis.
Dan zijn de wonden van Christus onze zonden.
Dan ligt in dien Man van Smarten al onze nood en onze ellende geopenbaard!
onze nood en onze ellende geopenbaard! Dan móéten wij belijden : Ja, ik kost U die slagen, die smarten en dien hoon. Maar dan ligt in dien Christus ook geopenbaard het Vaderhart Gods, het welbehagen, dat in Eeuwigheid Hem bewoog !
En als de vraag komt: Hebt gij Mij lief ? dan buigen wij met Petrus het hoofd ; er bréékt iets in ons, we begrijpen die liefde niet (en dat voor mij, en dat voor mij). Is het geen droom ? Is het niet te heerlijk ? te mooi ? En wij fluisteren :
Heere, Gij weet alle dingen, mijn zonden, mijn zonden, maar Gij weet óok dat ik U liefheb met héel mijn ziel — neen, dat durven wij niet te zeggen, ons leven getuigt zoo tegen ons, we moeten woorden vinden en we kunnen geen woorden vinden laten we maar op de achterste rij gaan staan Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet dat ik van U houd ,
Zoo vieren we écht Paaschfeest, en zóó hebben wij elke dag weer noodig de Pinkster-Geest, want met Petrus staan wij elke dag weer klaar om onze twee vingers in de hoogte te steken! Maar Hij bidt voor ons ! Dat is de troost!
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's