KERKELIJKE RONDSCHOUW
HET KERKELIJK VRAAGSTUK
Men zegt ten opzichte van de geschiedenis en den toestand van onze Hervormde Kerk : ,,Gereformeerden, denkt er aan, dat de periode van 1816 en latere jaren er óók bij hoort. De Hervormde Kerk is daardoor anders geworden, dan zij in de na-reformatie jaren was. Met die geschiedenis van geest en hoofdzaak, met die geschiedenis van het vrijzinnig beginsel in onze Vaderlandsche Kerkgeschiedenis, moet gij, Gereformeerden, daarom rekening houden. De Hervormde Kerk is niet meer, wat zij vroeger was. Gij zult haar moeten aanvaarden en erkennen zooals zij nu is ; zo niet anders".
Hierop is ons antwoord : Zeker, helaas behoort de geschiedenis van 1816 en volgende jare Jaren er óók bij ; en het vrijzinnige beginsel heeft veel bedorven over héél de linie. Maar dat alles geeft nog geen recht om alles in onze Hervormde Kerk nu te bederven. Integendeel, al dat vrijzinnig bederf hoort niet in onze Hervormde Kerk thuis ; is in strijd met haar geschiedenis, haar grondslag, haar belijdenis en haar leven. En al dat vrijzinnig bederf is er in gekomen, toen de machthebbers der wereld misbruik konden maken van den desolaten toestand van Kerk en volk, in en na de revolutiedagen. En nu moet wat bederf is, weer naar buiten gedreven worden ; wat zonde is, moet weer losgelaten worden. Daarvan spreekt God óók in de geschiedenis tot onze leering ; dat is een stuk van Zijn Godsopenbaring ; als we het maar zien door de bril van Gods Woord ! Dan zal het ons ook treffen, dat er bij den profeet Jeremia staat : „Zal men vallen en niet weder opstaan ? Zal men afkeeren, en niet wederkeeren ? spreekt de Heere". (Jer. 8 vs. 4).
Allerwege en over heel de linie zijn inderdaad in de Hervormde Kerk de sporen van het vrijzinnig misdrijf te zien. Maar dan zeggen we niet, zonder meer : dat hoort er nu óók bij ! Neen, dan zeggen we : het Christendom, naar de Schriften, is in de Hervormde Kerk door de vrijzinnige beginselen niet overwonnen ; en de beginselen der Waarheid Gods moeten weer met kracht gaan werken, om, na gevallen te zijn, weer op te staan, en na afgekeerd te zijn, weder terug te keeren tot den rechten weg. Wat verkeerd is geweest, moet naar buiten uitgedreven worden door de kracht van het levend Christendom en wat verkeerd gebogen is, moet weer worden recht gezet.
Zoo leert de geschiedenis, dat we moeten letten op de teekenen der tijden ; als we gezondigd hebben, wij en onze Vaderen, moeten we niet in de zonde blijven liggen, maar moeten we, bewust van het verbond Gods, den Heere vasthouden en op Hem hopen, om Hem te volgen naar Zijn Woord, doende Zijne geboden en acht gevend op Zijne inzettingen.
Ongedoopten en niet-belijdende leden in de Geref. Kerken.
In „Credo" schrijft ds. N. Buffinga, van Rotterdam, brieven aan correspondenten over geestelijke- en kerkelijke aangelegenheden. Iemand had hem nu gevraagd, wat de oorzaak kon zijn, dat in de dorpen bij de Friesch- Groningsche grens er zooveel menschen zijn (of waren) die meeleven met de Gereformeerde Kerk, zich bij die Kerk rekenen, en toch geen belijdenis doen, ja vaak niet eens gedoopt zijn ?
En deze correspondent voegt er dan een lijstje bij van het aantal niet- en doopleden in de classis Kollum, in de classis Drachten, in de classis Dokkum en in de classis Grootegast. Zoo zijn in de classis Kollum, in de gemeente Augustinusga-Surhuizum 74, in Buitenpost 90, in Burum 50, in Eestrum 50, in Kollummerpomp 60 in Twijzelerheide 100, in Zwagerveen 75 van deze niet- en doopleden. In de classis Drachten : in Harkema-Opeinde 250, in Siegerswoude 85, in Surhuisterveen 70, in Ureterp 80 van zulke menschen. In de classis Dokkum : in de gemeente Broek onder Akkerwoude 90, in Wierum 60 ; terwijl b.v. in Gerkesklooster-Stroobos (classis Grootegast) het getal 150 wordt genoteerd, enz.
Een totaal aantal van ongeveer 1500 wordt door dezen correspondent opgegeven (gegevens uit het Kerkelijk Jaarboek 1939).
In genoemde gemeenten is het nu niet door onverschilligheid enz., dat men zoo handelt ; want men leeft daar mee, en toch blijft men „maar" dooplid ; óok zijn er, die zelfs niet gedoopt zijn. Door allerlei wonderlijke beschouwingen is men vervreemd van de leer van het genadeverbond, en ten opzichte van het doen van belijdenis en het aangaan aan het Avondmaal, houdt men er allerlei „kenmerken" op na, waaraan men niet beantwoordt en daarom „doet men het niet" en „blijft men maar weg".
Ds. Buffinga zegt o.a. : „In vroeger tijd werd deze opvatting door de toen gangbare prediking in de hand gewerkt. Was de Dienaar des Woords na de verklaring van den tekst tot de toepassing gekomen, dan werden „de hoorders" ingedeeld in verschillende groepen van : vast verzekerden, toevluchtnemenden, bekommerden, zoekers, onbekeerden. De meeste jonge menschen deelden zich altijd maar in bij de onbekeerden. Zij immers konden plaats en tijd van hun bekeering niet aangeven. Bij sommigen die toch graag als bekeerden wilden worden aangemerkt, leidde dit dikwijls tot het doen van fantastische verhalen, waarbij angst-obsessies en daaruit geconcludeerde bekeering niet zeldzaam waren. Men hoorde op het Kerkepad meermalen vertellen, dat bepaalde personen op wonderdadige wijze gegrepen waren. En dit werd als vereischte voor allen gesteld. Er is in de harten der opgroeiende jeugd hierdoor heel wat twijfel en vrees gezaaid".
„De gedachtenwereld op religieus gebied om te zetten en in zuiverder banen te leiden, eischt veel geduld en veel trouw, veel tact en. veel wijsheid. De zuivere prediking van Gods Woord verdrijft ten slotte onschriftuurlijke opvattingen" — aldus ds. Buffinga.
De Zending in de Heilige Schrift of Eene leer van de Zending (17)
De gemeente van Christus is een organisme, een levend lichaam. Er zijn onderscheidene leden, die elk in het geheel een eigen naam en plaats, taak en roeping ontvangen. Waren zij allen maar één lid, waar zou het lichaam zijn ? 1 Cor. 12 vs. 19. Gelijk het lichaam één is en toch vele leden heeft, en al de leden van het ééne lichaam, vele zijnde, toch maar één lichaam zijn, zoo is het ook met de gemeente van Christus gesteld, 1 Cor. 12 VS. 12. Elk lid der gemeente ontvangt dus van Christus eene eigene gave, hoe bescheiden en klein die ook wezen moge, en met die gave heeft hij niet zich zelf, maar de gemeente te dienen. Een iegelijk moet naar den aard der gave, die hij ontvangen heeft, deze bedienen aan de broederen, gelijk het aan goede verzorgers van de velerlei genade Gods betaamt, 1 Petrus 4 vs. 10. Hij ontving die gave niet voor zich zelve, maar tot hetgeen oorbaar is, 1 Cor. 12 VS. 7, tot stichting der gemeente, 1 Cor. 14 VS. 12 ; om er mede zorg te dragen voor anderen, gelijk dezen voor hem, 1 Cor. 14 VS. 25.
In deze rijke verscheidenheid is en blijft de gemeente van Christus dus eene eenheid. Dat wil niet alleen zeggen, dat er altijd slechts ééne Kerk geweest is en is en zijn zal, doch er ligt ook in opgesloten, dat die ééne Kerk altijd en overal de zelfde is, met dezelfde weldaden, voorrechten, goederen. Het is niet eene éénheid, die er van buiten af aan toekomt, die door dwang wordt opgelegd, door een contract tot stand wordt gebracht, tijdelijk tegen een gemeenschappelijken vijand aangegaan wordt, zelfs komt zij niet uit de sociale instincten van het religieuze leven op ; maar zij is geestelijk van aard; zij rust, zij heeft haar grondslag en haar voorbeeld in de éénheid tusschen den Vader en Christus als den Middelaar, Joh. 17 VS. 21—23. Deze éénheid komt op uit Christus als den Wijnstok, die al de ranken uit zich zelf voortbrengt en voedt. Joh. 15 VS. 5, als het Hoofd, uit Wien het geheele lichaam zijn wasdom verkrijgt, Efeze 4 VS. 16. En zij wordt tot stand gebracht door den éénen Geest, met wien wij allen tot één Vader geleid worden, 1 Cor. 12 vs. 13 ; Efeze 2 VS. 18 ; 4 VS. 4. De liefde des Vaders, de genade des Zoons en de gemeenschap des Heiligen Geestes zijn het deel van ieder geloovige, van elke plaatselijke gemeente en van de gansche gemeente in haar geheel. En daarin ligt hare diepe, onverbreekbare, onvergankelijke eenheid.
Om deze éénheid der gemeente op aarde heeft Jezus gebeden. Joh. 17 vs. 21. En de apostel Paulus stelde haar voor als eerst in de toekomst ten volle tot stand komende, Ef. 4 VS. 13. Maar, hoe gebrekkig en onvolmaakt deze éénheid der gemeente op aarde ook is en blijven zal, toch is het volstrekt geen spel der verbeelding, zonder grondslag in de werkelijkheid. Integendeel, zij bestaat en komt min en meer zuiver in het leven der gemeente uit. Zij is niet alleen in het onzichtbare aanwezig, doch dringt ook in het zichtbare door. In de gemeente te Jeruzalem werd zij daarin openbaar, dat alle broeders en zusters, na door den doop in de gemeente opgenomen te zijn, volhardden in de leer der apostelen, in de gemeenschap, in de breking des broods, in de gebeden, Hand. 2 vs. 42. Zij waren één hart en ééne ziel, en aan een iegelijk deelde men uit, naar dat hij van noode had. Hand. 2 vs. 44, 45 ; 4 vs. 32—35. Toen later ook in andere plaatsen gemeenten werden gesticht, bleef die eenheid der geloovigen bewaard.
Wel kwamen er telkens ernstige botsingen. Zelfs een Petrus verschilde een oogenblik met Paulus, die hem daarover op waardige wijze een berisping toedient. Gal. 2 vs. 11—14, maar de apostel der Heidenen, die ook den Joden een Jood en allen alles werd, hieid het groote doel der éénheid voor oogen en drong in alle gemeenten op liefde en op vrede aan. Zij waren toch allen één lichaam, hadden één Geest, één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader, die boven en in allen was, Efeze 4 VS. 4—^^6. Door den dood van Christus was de middelmuur des afscheidsels verbroken en waren heiden, Joden en Heidenen, met elkander verzoend en tot éénen nieuwen mensch gemaakt, Ef. 2 vs. 14 v. Zij behoefden ook niet allen precies gelijk te zijn, want een lichaam onderstelt juist verscheidenheid van leden, die met hunne onderscheidene gaven het geheel hebben te dienen, 1 Cor. 12 vs. 4 v., en hadden elkanders vrijheid te eerbiedigen, Rom. 14. In de belijdenis van Christus als Heer waren zij één, 1 Cor. 12 vs. 3, en zij stonden allen onder éénen plicht, alles te doen ter verheerlijking Gods, Rom. 14 vs, 6—8 ; 1 Cor. 10 vs. 31 ; Col. 3 vs. 17. Paulus heeft zegen op dezen zijn arbeid gehad ; de tegenstelling is langzamerhand verdwenen, en de eenheid der gemeente bleef bewaard.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's