UIT DE HISTORIE
Paulus' prediking niet van menschelijken oorsprong ; de apostel is geen menschenbehager, maar weet zich dienaar van Christus ; hoofdstuk 1 vers 10—12. (UI) Vervolg vers 11 en 12.
Luthers verklaring van Paulus' brief aan de Galaten.
De zaak der rechtvaardigmaking is dus lastig : niet op zich zelf, want in den grond is zij alleszins vast en zeker, maar wat óns betreft. Ook ik zelf ervaar dat dikwijls, want ik weet heel goed, hoe vaak ik worstelen moet in uren van duisternis. Ook , weet ik, hoe menigmaal ik de stralen van Evangelie en genade als in dikke wolken plotseling verlies. En ten slotte weet ik, hoe ook zij, die geoefend zijn en met zekeren tred voortwandelen, langs glibberige paden gaan. Dit neemt echter niet weg, dat wij van de zaak der rechtvaardigmaking een volkomen kennis hebben, want wij kunnen haar leeren, 't geen een stellig bewijs is, dat wij haar verstaan. Niemand toch kan anderen onderwijzen in hetgeen hij zelf niet weet. „Het vermogen om onderwijs te kunnen geven", zoo zegt iemand, „is een bewijs van kennis". Waar wij ons dus in den tegenwoordigen strijd bedienen moeten van het Evangelie, dat een woord van genade, troost en leven is, — daar dringt de Wet, die een woord is van toorn, droefheid en dood, zich naar voren, om tumult te veroorzaken, en schrik te verwekken, welke niet minder groot is, dan die, welke ontstond door den schrikkelijken en vreeselijken aanblik van den berg Sinaï ; zoo kan ook een enkele bedreiging uit de Heilige Schrift alle troost wegnemen en in nevelen hullen, en alles, wat in ons is, kan dan zoozeer verslagen worden, dat wij de zaak der rechtvaardigmaking, de genade, Christus en het Evangelie, heelemaal vergeten.
Voor zoover een en ander dus aan óns ligt, is de kwestie lastig, omdat wij dikwijls ongestadig van aard zijn. Verder zijn wij voor de helft onze eigen tegenstander ; wij hebben namelijk ons verstand en onze redelijke vermogens tot vijanden. Bovendien strijdt het vleesch tegen den geest, wijl het eerste niet stellig kan aannemen, dat Gods beloften waarachtig zijn. Daarom scherpen wij voortdurend in, dat de kennis van Christus en het geloof geen zaak of daad van den mensch is, maar eenvoudig een gave Gods, die het geloof in ons werkt en onderhoudt. Gelijk nu God het geloof in de eerste plaats schenkt door Zijn Woord, — zoo oefent, vermeerdert, bevestigt en voleindigt Hij het ook door dat Woord. Derhalve bestaat de zuiverste Godsdienst en de Sabbat aller Sabbatten hierin, dat men zich oefent in de Godzaligheid, en het Woord hoort en betracht. Daarentegen is er niets gevaarlijker, dan het hebben van een afkeer van dat Woord. Wie zóó koud is, dat hij meent genoeg ontvangen te hebben, en langzamerhand een walg van Gods Woord krijgt, — die heeft Christus en het Evangelie reeds verloren, en zoo iemand begrijpt van hetgeen hij meent te kennen, maar betrekkelijk weinig. Laat daarom ieder oprecht mensch alle pogingen inspannen en krachten aanwenden, en er naar streven, om deze leer nauwkeurig te leeren kennen en bewaren. Laat hij daartoe in een deemoedig gebed bestendig God aanroepen, en zonder ophouden Gods Woord bestudeeren en overpeinzen. En wanneer wij ons alle mogelijke moeite getroost hebben, dan nóg zal een en ander ons moeilijk genoeg vallen, want wij hebben geen vijanden, die wij gering kunnen schatten, maar ze zijn integendeel zeer geweldig, sterk en onvermoeibaar, als daar zijn : ons vleesch, allerlei gevaren der wereld, de Wet, de zonde, de dood, Gods toorn. Zijn gericht en de duivel zelf, die nooit ophoudt, ons te verzoeken : van binnen door zijn vurige pijlen, en van buiten door de valsche apostelen, opdat hij, zoo niet allen, dan toch verscheidenen van ons ten val zal kunnen brengen.
Het is wel een schoon-schijnend en krachtig argument geweest, dat de valsche apostelen aanvoerden. Ook heden ten dage worden er velen door bewogen, namelijk door de opmerking, dat de apostelen en de heilige vaders benevens hun opvolgers iets zus of zoo geleerd hebben, en dat de kerk het nu ook zoo gevoelt en leert. En derhalve, zoo redeneert men verder, is het onmogelijk, dat Christus Zijn kerk zoovele eeuwen heeft laten dwalen; gij alleen zoudt verstandiger zijn, dan zoovele heilige mannen en de gansche kerk tezamen!
— Op deze wijze valt de duivel ons listiglijk door middel van zekere vergiftige huichelaars aan, terwijl hij zich verandert in een engel des lichts. Deze lieden toch spreken aldus : wij bekommeren ons niet om den paus en de bisschoppen, groote verachters en vervolgers als ze van Gods Woord zijn ; ook verachten wij de huichelarij en bedriegerijen der monniken ; doch wij hegeeren, dat het gezag der heilige katholieke kerk onaangetast blijve ; zooals zij het gedurende vele eeuwen gevoeld en geleerd heeft, zoo hebben ook de leeraren der oudste kerk het gevoeld en geleerd, en zij waren heilige mannen, die grooter en knapper zijn geweest dan wij zijn. Wie zijt gij, om het te durven wagen, van hen allen van meening te verschillen, en er een andere leer op na te houden ? — Wanneer de Satan zoo scherp spreekt, en met 's menschen vleesch en verstand samenspant, dan wordt het geweten verschrikt en tot wanhoop gebracht, tenzij gij vastberaden tot u zelf komt en zegt: de heilige Cyprianus, Amhrosius, Augustinus, zelfs Petrus, Paulus, Johannes of een engel uit den hemel mogen iets anders leeren, — ik voor mij ben er zeker van, dat ik geen menschelijke, maar Goddelijke dingen verkondig, namelijk, dat ik Gode alles, en den menschen niets toeschrijf !
Ik herinner mij, dat, in het begin van mijn zaak, D. Staupitz, die toen een achtenswaardig man en vicaris der Augustijner-orde was, eens tot mij zeide : „Het doet mij genoegen, dat de leer, die gij verkondigt, de roem en alles alleen aan God toekent en aan de menschen niets. Het is toch klaarder dan de zon, dat men God nimmer te veel roem en glorie kan toeschrijven". Dit woord heeft mij destijds vertroost en versterkt, want het is waar, dat de leer des Evangelies den menschen alle roem, wijsheid en gerechtigheid ontneemt, om zulks alleen toe te kennen aan den Schepper, die alles uit niets heeft voortgebracht. Men gaat dan ook ongetwijfeld veiliger, wanneer men God, inplaats van den mensch, te veel toeschrijft. Met vertrouwen kan ik hier zeggen : De kerk, Augustinus en andere leeraars, benevens Petrus en Apollo, ja, zelfs een engel uit den hemel mogen wat anders leeren, — mijn leer is van dien aard, dat zij alleen Gods genade en glorie verkondigt en verheerlijkt, en alle wijsheid en gerechtigheid des menschen (wat de zaligheid betreft) veroordeelt. In dit opzicht kan ik niet zondigen, aangezien ik zoowel God als menschen toeschrijf, wat ieder voor zich toekomt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's