NIENKE
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming Uitgever J. H. Kok te Kampen
„Daar valt zijn oog op dien ongelukkige langs dienzelfden weg. Want daar staat : „hem ziende". En toen, toen hij hem zag, toen — ging hij „tegenover hem voorbij". Niet eens een tweestrijd in zijn ziel, wat te zullen doen ! Niet eens een oogenblik van stilstaan en nadenken ! Niet eens even omzien, of er ook hulp te krijgen was, om den man desnoods gemeenschappelijk te helpen ! Geen oogenblik van erbarming en medelij ! Geen daad, geen woord, niet eens een blik. „Hem ziende", keerde hij terstond het gelaat van hem af en ging „tegenover hem voorbij". Misschien met versnelden pas, om des te spoediger dit akelig tafereel te vergeten ! Misschien met de overlegging in zijne ziel, dat hij „natuurlijk" niet anders kon handelen, omdat het voor een Priester des Heeren niet aanging, zijne 'handen vuil te maken aan zoo'n onbekende, die waarschijnlijk toch wel sterven zou en wiens leven althans voor hem in het geheel geen waarde heeft. Die het misschien ook wel aan zichzelf te wijten had, dat hij onder de moordenaren viel.
„Daarom ging hij „tegenover hem" voorbij. Tegenover hem ! Dat is het harde, het vreeselijke. zoodat de ongelukkige, als hij nog zien kon, hem zien moest, maar „voorbijgaande". En dat in staat geweest zou zijn, de smart te verzwaren, misschien Wel een vloek op de lippen te leggen ! Om zóó'n Priester, die zóó voorbij ging !
„Dat zal in den Dag der dagen het oordeel vat? Christus zijn en tegen den Priester getuigen en tegen allen, die zóó voorbijgaan aan „dien zekeren mensch", maar die „een naaste" is !
„Want gelijk die Priester, doet straks ook de Leviet, die eveneens dienzelfden weg kwam! Wellicht daarin gesterkt door het voorbeeld van zijnen meerdere, die hem daarin voorging.
„Daar staat van den Leviet nog meer beschreven. Van hem wordt gezegd : „Hij was bij die plaats, en hij kwam, en hij zag hem", en ging toen, als de Priester, tegenover hem voorbij. Nadat hij de situatie eerst eens goed had opgenomen. Nadat hij zich volkomen op de hoogte van alles gesteld had. Nadat hij dus óók wist, dat hier geholpen móést worden en dat het daarvoor óók nog niet te laat was. Gelijk er van die vreeselijke menschen kunnen zijn, die zich nauwkeurig op de hoogte stellen van eens anders leed, of misdaad, of zonde, of lichaams- en zielewee, en dan — heengaan, tegenover hem voorbij ! Zonder eenige innerlijke barmhartigheid, omdat zij de ontfermingen van Christus aan hun eigen hart niet leerden kennen en niet weten, hoe zij zelf uit de banden van slavernij en zonde verlost zijn geworden, 't Zijn dezelfden, over wie volgens Matth. 25 de toekomstige Rechter van hemel en aarde oordeelen zal en tot wie het vreeselijk vonnis komt : „Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk den duivel en zijnen engelen bereid is, want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij niet te eten gegeven. Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij niet te drinken gegeven. Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij niet geherbergd, naakt, en gij hebt Mij niet gekleed, krank en in de gevangenis, en gij hebt Mij niet bezocht "
„Is er dan noch. in den hemel, noch op de aarde hulp voor den ellendige ?
„Daar nadert nóg een zeker mensch, van wien ons ook niets bekend is, anders niet, dan dat hij is een „Samaritaan". Doch dat eene woord is genoeg, 't Zegt alles, 't Zegt, dat het iemand is, die buiten de natie staat. Met wien men geen gemeenschap heeft, omdat hij buiten „het volk" leeft en niet tot de vromen gerekend wordt en een „onreine" is, dien men een „hond" scheldt, omdat hij op Gerizim aanbidt, inplaats van te Jeruzalem. Een goddeloos mensch ! Een afgodendienaar ! Een hypocriet ! Half visch, half vleesch, en daarom niets ! Met wien geen fatsoenlijk, godsdienstig mensch gemeenschap hebben kon. Door dien „zekeren mensch" daar aan dien weg misschien indertijd, toen deze nog in goeden doen was, óók wel als zoo'n heiden gescholden ! Twee natuurlijke vijanden dus, elkander op een eenzamen weg ontmoetend, terwijl één van beiden half dood neerligt.
„Wat zal het den ander nu hinderen, hem verder geheel af te maken ? Niemand, die zich daarover bekommeren of daaraan stooten zal. In elk geval ligt het voor de hand, dat de Samaritaan, indien hij dien ongelukkigen man geen meerder kwaad doet, hem liggen laat, om, evenals de Priester en de Leviet, tegenover hem voorbij te gaan. Dat zou te wachten zijn, indien de genade geen heerschappij oefende over het hart.
„Want van dien Samaritaan wordt gezegd, dat hij „omtrent hem" kwam, en zóó hem ziende, met „innerlijke ontferming" bewogen werd.
„Dit is het wonder Gods, dat óók de Samaritanen, die buiten de gemeenschap staan en zelfs geen plaats in het heiligdom hebben, met innerlijke ontferming bewogen kunnen worden, omdat ook zij zijn van Gods geslacht en onbewust het voorwerp van de bearbeiding des Geestes Gods ! Komt het niet meermalen uit, dat er onder de kinderen der wereld gevonden worden, die met een hart vol teedere liefde zich erbarmen over allen en alles, wat geen helper heeft ? Niet zelden ter beschaming van degenen, die zeggen, dat zij van Christus zijn ?
„Daar knielt de vreemdeling bij zijn vijand neer en, zonder iets te zeggen, verbindt hij diens wonden en verzacht die met olie, en geeft hem te drinken van zijn wijn. Hij spreekt geen woord, maar doet een daad. En ook daarbij laat hij het niet, om nu den verderen arbeid over te geven aan een ander, die misschien na hem komt, maar, hem heffende op zijn eigen beest, waardoor hij zelf te voet moet gaan, voert hij hem in de herberg en verzorgt hem. Hij spreidt hem daar een bed. Hij brengt daar den nacht wakende bij hem door. Hij offert zijn rust, en zijn kracht, en zijn tijd, en — ook zelfs zijn geld voor hem op. Hij is een reizend man. Wellicht een koopman, die voor zaken op pad is. Die verdienen moet en daarom zoo ver van huis ging ; wiens tijd dus geld is. Maar hier betreft het een menschenleven, en zoo wijkt hij niet van zijn zijde, niet eerder dan den volgenden morgen, als het gevaar geweken is, als hij het werk aan een ander kan toevertrouwen en hij tegen den waard durft te zeggen: „Hier zijn twee penningen, draag zorg voor hem, en zoo wat gij meer aan hem ten koste leggen zult, dat zal ik u wedergeven, als ik weder kom".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's