De Heidelbergsche Catechismus
naar de verklaring van ZACHARIAS URSINUS (20)
Over deze onware en goddelooze redeneeringen zal hier nog iets breeder moeten worden gehandeld, rakende den oorsprong van 't kwade. 1. Er zijn er, die beweren, dat er noodwendigheid voor de zonden is. Zij redeneeren aldus : van eeuwigheid is er een aaneengeschakelde keten en een zekere eeuwige noodwendigheid tusschen plan en werk naar het voornemen Gods ; en men spreekt dan van „de kwade sterren". God zou die gemaakt hebben en dus geven zij God dan de schuld van het kwade. Zelfs meer verstandige wijsgeeren hebben zoo niet gesproken, veel minder nog de christenen. Het spreken van „onder een kwaad gesternte geboren zijn" is meer heidensch dan Christelijk. (De moderne astrologie vertoont zich soms met een religieuzen inslag, in strijd met Gods Woord).
Augustinus bestrijdt in zijn dagen degenen , , die spreken van noodwendig verband tusschen den stand der sterren en den tijd, waarin iemand ontvangen of geboren wordt en die beweren dat niet alleen onze daden en handelingen, maar ook al onze neigingen daarvan afhingen". Gelukkig (zegt Augustinus) gaat Gods macht en Zijne genade alle sterren verre te boven.
Laten we dit nu besluiten met het Woord des Heeren, door Jeremia gesproken : „zoo zegt de Heere : leert den weg der heidenen niet en ontzet u niet voor de teekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten. Want de inzettingen der volken zijn ijdelheid". (Jer. 10 vs. 2 en 3). Dat de sterrekundigen Saturnus onbarmhartig, hard en wreed : Venus welwillend en zacht noemen, dat is derhalve ijdelheid der ijdelheden. De sterren toch hebben geenerlei macht om goed of kwaad te doen, en zoo mag hun dan ook geenszins de schuld der zonden geweten worden.
2. Anderen (beweren, dat de duivel alleen de oorzaak van de zonde is, zoodat hij alleen de schuld draagt voor ons, die zondigen, en wij van alle misdaad vrij zijn. Maar uit alles blijkt volkomen, dat hij den mensch wel tot het kwade kan bepraten en aanzetten, maar hem er niet toe kan dwingen. Overal leert de Heilige Schrift, dat de duivel geen volstrekte macht heeft, want God beheerscht hem door Zijn bestuur, zoodat de Booze niet kan, wat hij wil, maar slechts datgene vermag te doen, wat God en voorzoover God het hem toelaat. In het bekende verhaal lezen we, dat de duivel zelfs de macht niet heeft om in de zeer geringe zwijnen te .varen, veel minder dan toch in de zoo edele zielen der menschen. Hij heeft listigheid om te overreden en groote kracht, het is waar ; maar God is sterker, die Zelf nooit ophoudt den mensch tot het goede aan te drijven, en den Satan niet meer toelaat dan den mensch nuttig is. Dit is te zien bij den zeer heiligen Job, en in het voorbeeld van Paulus, die schrijft : „Doch God is getrouw, die u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt". (1 Cor. 10 : 13). Dwaas zijn zij dus, die hunner zonden schuld oip des duivels schouderen pogen te laden. Ook hier geldt : zij hebben vele vonden gezocht !
3. Te bewijzen blijft nu nog overig, dat God geen oorzaak der zonde is. Er zijn er, die aldus redeneeren : God heeft de zonde gewild. Had Hij het niet gewild, ik hadde niet gezondigd. Wie wederstaat toch Zijne macht ? Of ook redeneert men : God kon let verhinderen ; Hij heeft het niet gedaan ; Hij werkt dus zelf de zonde. Dit alles nu is louter laster en schandelijke redeneering der goddeloozen. Ja, God kon door Zijn volstrekte macht het kwade verhinderen, en Hij wilde Zijn schepping en den rechtvaardigen mensch niet bederven. Maar God handelt met den mensch op menschelijke wijze. Hij stelt den mensch wetten voor, met belooningen en straffen. Deze wetten en ordeningen zijn voor den mensch ten leven, om hem in den rechten weg te leiden. Daarom beveelt God den mensch het goede aan te hangen en het kwade, dat tot verderf en dood is, te haten en te vlieden ; en opdat de mensch zijn taak zou volbrengen, weigert Hij de hulp en de genade niet, zonder welke wij niets vermogen, en veracht ook onze vlijt en arbeid niet. Indien nu de mensch hierin in gebreke blijft, wordt de zonde en het verzuim toegeschreven aan den mensch, niet aan God, al kon deze het verhinderen. God is dus geen oorzaak van de zonde of van het kwade en zet ook in dezen weg Zijn werk voort, dat in alles zal beantwoorden aan Zijn gemaakt bestek. Niet God is de schuldige, maar de mensch, die zondigt ; en niet de duivel is de overwinnaar, maar God alleen.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 april 1939
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's